Metamorfose van een diva

Wende Snijders werd bekend door haar vertolking van Franse chansons. Nu heeft ze een cd gemaakt met stevige rocknummers die ze zelf schreef. Een gesprek over persoonlijke groei, de kracht van muziek en zoeken naar grenzen. ‘Lekker scheuren vind ik heerlijk om te doen.’

‘Can we make a change? Can we really make a change?” De blonde zangeres die de gezongen vraag vanaf het podium uitdagend de zaal in heeft geslingerd, houdt het hoofd schuin en wacht met een katachtige blik in de ogen op antwoord. Dan brult ze, ondersteund door een kleine duizend fans: “Yes, we can!!!”

Als één Nederlandse artiest heeft bewezen dat een verandering mogelijk is, dan is het Wende Snijders wel. Wie de afgelopen maand zijn hoofd om de hoek van de deur van poptempels als Paradiso, Watt of Tivoli had gestoken, zou haar waarschijnlijk niet eens herkend hebben. Voor het grote publiek is de naam Wende namelijk onlosmakelijk verbonden met het rode pluche van de schouwburg en de gezongen poëzie van Léo Ferré of Jacques Brel. Maar de vrouw die met behulp van een toetsenbord gedeformeerde klonen van haar stemgeluid het klankbeeld van haar beukende begeleidingsband in schiet, zal niemand associëren met Neerlands grande dame van het Franse chanson. Van de artrock van The Moon is Out tot het breekbare, Janis Ian-achtige Hey en alles wat daartussen ligt: Wende Snijders heeft zichzelf helemaal opnieuw uitgevonden.

Het laboratorium waar deze Jekyll and Hyde-achtige transformatie plaatsvond, bevond zich in de woning van Jan van Eerd, de drummer/vibrafonist met wie Wende samenwerkte in de muziektheaterproductie Het verschil. “Ik reed altijd met Jan mee, en tijdens die autoritten praatten wij veel over muziek. Op een dag zei ik tegen hem: met jou wil ik een plaat maken. Het was puur intuïtie, maar ik heb gelijk gehad.” Wende vertelt haar verhaal in de catacomben van het Utrechtse Tivoli. Op haar kekke laarsjes – “In New York gekocht. Vind je ze mooi?” – beent ze eerst nog wat gespannen door de kleedkamer voordat ze de rust neemt om even te gaan zitten. Van Eerd wil zich bescheiden terugtrekken, maar de diva – “We hebben die plaat toch samen gemaakt!” – laat hem niet gaan. De drummer nestelt zich berustend in een hoekje en zal Wendes betoog op gezette tijden voorzien van vraagtekens, uitroeptekens of een passende bijzin. De com- plimenten – “Ik vind Jan supergetalenteerd!” – laat hij, bijna gegeneerd, aan zich voorbij gaan.


Wende Snijders en Jan van Eerd kwamen van september 2008 tot juli 2009 iedere maandag in een bijna speeltuinachtige ambiance bij elkaar om aan No. 9 te werken. Er was maar één dwingende afspraak: na iedere bijeenkomst moest er, goed of slecht, een lied af zijn. Soms kwam Wende met een hele of halve tekst binnen, soms met een nummer dat eigenlijk al klaar was. Vooral Van Eerd is ervan overtuigd dat je niet op inspiratie moet gaan zitten wachten, maar dat je gewoon moet beginnen. “Het liedje dat we na zo’n dag hadden, bewerkte en arrangeerde ik in de dagen die volgden. De maandag daarop keken we dan of we het écht wat vonden. Dat leverde songs op die uiteindelijk op het album kwamen, maar er zijn ook heel wat dingen in de kast verdwenen.”

De eerste vier maanden liet het duo niets van hun pennenvruchten aan andere mensen horen. Wende: “Deze manier van werken was toch nieuw voor mij, en dan word je snel onzeker gemaakt. En zeker ik ben daar heel vatbaar voor. Als er maar één iemand lauw reageert, heb ik snel de neiging om te zeggen: laat maar dan. Met een basis van bijvoorbeeld tien liedjes sta je wat sterker in je schoenen.” Die wat uitgebreidere bloemlezing kwam in januari, nadat Van Eerd een eerste demo ‘in elkaar had geknutseld’. Met die demo gingen ze naar Hubert Poell, de directeur van Wendes platenlabel Brigadoon Vocal.

Vond die platenbaas het sowieso geen krankzinnig plan om een zelfgeschreven, Engelstalige popplaat te gaan maken? Voor hem moet dat toch zoiets zijn geweest als het slachten van de kip met de gouden eieren…


“Ik denk dat dit een platenmaatschappij is die je totale artistieke vrijheid geeft. Commercieel gezien is er wel tegen mij gezegd: poeh, heftig dat je nu wat anders gaat doen, maar ik kon het zó goed onderbouwen en ik wilde het zó graag. Ik zei: je kunt mij niet Frans laten blíjven zingen. En ik dóe het gewoon ook niet. Dan moet je maar iemand anders zoeken…”

Wat waren je argumenten?

“Dat mijn beslissing iets te maken had met een organische ontwikkeling van de afgelopen jaren. Voor mijn eerste cd schreef ik ook al muziek. Op het tweede album zong ik zowel in het Frans als in het Nederlands, en er stonden ook al eigen nummers op. Ik zocht ook toen al samenwerking met anderen, bijvoorbeeld met Huub van der Lubbe, of door muziek te schrijven bij gedichten van Antjie Krog. In de luwte was ik al aan het schrijven, en hoewel iedereen mij altijd met het Frans associeert, ben ik nooit taalgebonden geweest. No. 9 is eerder een genreswitch dan een taalswitch, want in mijn tweede programma zong ik al in vijf talen. Nadat ik zes jaar lang mijn creativiteit had gelegd in mijn ontwikkeling als performer – en in het maken van voorstellingen op basis van bestaande nummers – voelde ik de behoefte om nu de overstap te maken naar iets dat helemaal van mezelf was. En dan bedoel ik: zónder de steun van monumentale grootheden als Brel en Ferré. Hun muziek heeft zich al bewezen. Wat ik nu doe totaal nog niet. Maar ik vind dat ik de dingen die uit eigen koker komen, ook met het publiek moet kunnen delen. Ik wilde weten hoe ik dat voor elkaar zou kunnen krijgen. Dat was één van de vragen in mijn hoofd. Die vragen ontstaan doordat ik doe wat ik doe. Omdat ik altijd op zoek ben naar de grenzen. En ik krijg alleen maar antwoorden wanneer ik daadwerkelijk aan de slag ga. Ik wilde verder. Ik raakte gefrustreerd om altijd maar bestempeld te worden als die chansonnière.”


Velen zouden een moord doen voor zo’n carrière…

“Ja, maar ik ben niet naar de kleinkunstacademie gegaan om chansonnière te worden. Ik ben daar gaan studeren om te leren dansen, zingen, acteren en hoe je op een podium staat. En mijn eerste voorstelling ging over de chansons uit de jaren vijftig en zestig en was ontzettend succesvol. Natuurlijk ga je dan mee in dat succes omdat je gewoon niet weet wat je overkomt. Maar dat betekent niet dat je je hele leven hetzelfde moet blijven doen.”

Wat was het keerpunt?

“Op een gegeven moment ga je reflecteren. Mijn vader ging dood, en die gebeurtenis zette mij helemáál aan het denken. Nou, daarna kwam ik Jan tegen. Toen ik zei dat ik een plaat met hem wilde maken, zei hij meteen: oké, maar dan moet je, zeker nu je voor De Wereld Beweegt de Annie M.G. Schmidtprijs hebt gekregen, wél je eigen nummers schrijven.”

Na die uitspraak komt Jan Eerd met een interruptie. “Zo is het niet helemaal gegaan,” licht hij rustig toe. “Ik ben áltijd al onder de indruk geweest van Wendes schrijftalent, óók in de tijd dat veel mensen zich daar nogal laatdunkend over uitlieten. Dat geldt trouwens ook voor het spelen: Wende kan gewoon goed piano en gitaar spelen. Ik heb van meet af aan niet begrepen waarom zij niet al haar eigen liedjes schreef. Maar Wende had een groep mensen om zich heen verzameld die dat allemaal te prematuur vonden, die de zaak eigenlijk een beetje tegen zaten te werken. De teksten waren niet goed genoeg en ga zo maar door. En toen ze die prijs voor het beste theaterlied won, had ik zoiets van: zie je wel dat ik gelijk had! Het is wél goed. Je moet niet luisteren naar die mensen, je moet gewoon beginnen. En dat blijkt nu. En het is ook niet zo dat zij iemand anders nodig heeft om een liedje te maken. Er staan nummers op de plaat die zij kant en klaar aanleverde maar waar, om financiële redenen, toch Wende/Van Eerd achter staat.”


Herken je wat Jan zegt?

“Ja, ik ben gewoon erg onzeker wat dat betreft. Op de Kleinkunstacademie ben ik uit de schrijf- en compositieklas gezet… Dus als mensen dan gaan zeggen dat je het niet kan, denk je al gauw dat het wel waar zal zijn.”

Jij staat anderzijds bekend als een eigenzinnige dame. Was het niet moeilijk voor je om zó intens met iemand samen te werken?

“Ik vond het af en toe vreselijk! We hebben heel veel ruzie gemaakt. Af en toe wilde ik gillend weglopen. Jan is niet iemand die een blad voor zijn mond neemt. Dus als hij dan recht voor zijn raap kritiek leverde op de heel persoonlijke dingen die ik aandroeg, dan was dat weleens moeilijk. Als iemand ineens rigoureus in je teksten gaat zitten knippen omdat ze te lang zijn, valt dat niet altijd mee. In eerste instantie heb ik dan de neiging om te roepen: ‘Néé! Blijf met je poten van m’n teksten af!’ Ik heb gewoon moeite met loslaten. Wat dat betreft heb ik wel geleerd om te vertrouwen. Waarmee ik niet wil zeggen dat ik dat ook de rest van mijn leven zal kunnen.”

Wat heb je de rest van je leven dan wel nodig?

“Iemand die zegt: ga maar, ga maar. Dat komt waarschijnlijk omdat er tegenwoordig geen tijd meer is om iets te laten groeien. Als het niet meteen heel erg goed is, wordt er al snel gezegd: stop er maar mee. Terwijl het toch belangrijk is om te zien wat ervan zou kunnen komen, namelijk een plaat als No. 9. De mensen vergeleken mijn eigen liedjes met die van de allergrootsten, die ik als performer naar mijn hand had gezet. Dat is een andere wereld dan die van de liedjesschrijver. De liedjesschrijver maakt van niets iets. En als de mensen zeggen dat Wendes eigen liedjes niet kunnen tippen aan de Franse chansons, dan klopt dat. Maar dat was ook mijn inzet niet. Ik ben niet bezig met een competitie of zo…”


Waar ben je dan wel mee bezig?

“Een bepaalde vorm van bevrijding. Elke keer weer. En de verruiming van grenzen. En in die verruiming laten zien dat het wel degelijk mogelijk is om iets anders te gaan doen. Dat gaat niet vanzelf, maar door het te doen, lukt het meestal wel.”

Je noemt deze plaat erg persoonlijk. Betekent dat dat je publiek nu alles over je privéleven weet?

“Nee, hou op zeg… De bron waaruit de liedjes ontstaan, ben ik zelf. Wat ik voel en hoor en zie en wat ik meemaak zijn de bouwstenen. Dat maakt het album heel persoonlijk. Maar het is niet zo dat ik van plan ben geweest om een autobiografisch album te maken. Dat vind ik namelijk totaal oninteressant. Maar ik wil daar wel dichtbij komen en op die manier de mensen raken met het talent dat ik heb, een talent dat ik ambachtelijk vormgeef. Ik merk nu dat er een beetje sensatiegeile toestand aan de hand is, waarin men zich afvraagt of het allemaal waar is wat ik zing. Daarom vind ik dit een moeilijke vraag. De vraag zou moeten zijn: raken mijn liedjes de mensen omdat ik over universele gegevens zing? Ik denk namelijk: hoe persoonlijker, hoe universeler. Ik zit niet te wachten op mensen die bij mij op de koffie willen komen of vrienden met mij willen worden. Vrienden heb ik al. En familie ook. Wat niet wegneemt dat ik wel muzikaal wil communiceren. Maar daarvoor hoef ik niet mijn hele hebben en houden op tafel te leggen. Misschien moet ik zo arrogant zijn om te zeggen dat de muziek en de teksten voor zich spreken en dat de vraag ‘kennen we Wende nu beter?’ niet ter zake doet. Als het niet persoonlijk aanvoelt, dan heb ik mijn werk niet goed gedaan. Misschien reageer ik hier wel zo heftig op omdat ik vind dat liedjes geen waarde mogen krijgen omdat ze heel direct iets over mijn leven zeggen. Ze moeten op zichzelf staan. Ik wil niet koketteren met mijn eigen geluk of verdriet. Het kan er wel in zitten, maar het liedje moet gewoon het liedje zijn.”


Is het geen angst om jezelf bloot te geven?

“Natuurlijk is het angst! Ik ben 31, mag ik dan alsjeblieft nog bang zijn? Je laat de mensen toch een beetje in je ziel kijken.”

Iedereen moet er zijn eigen Wende in zien?

“Heel goed! En dat is dan ook meteen de verbinding van mij met de luisteraar. Dat vind ik zo fascinerend! Het is net zo als samen naar een schilderij kijken: je krijgt hetzelfde beeld binnen, maar ieder geeft zijn eigen interpretatie. Het is een gegeven dat we allemaal dingen meemaken en die dingen op een andere manier verwerken. Die verschillen zijn superspannend. Het moment dat er waarheden, dogma’s en paradigma’s om de hoek komen kijken, dan wordt het al gevaarlijk. En dat is precies wat ik dit jaar interessant vond om te merken: hoe ik vast zat aan mijn eigen geloof. Dit moet zo, en dat moet zo. Dat begon al met de manier van zingen. Jan heeft mij eerst ongeveer in elkaar moeten slaan voordat ik wat minder hard ging zingen. Lekker scheuren vind ik heerlijk om te doen, hoor, maar ik heb nu geleerd dat het af en toe ook best wat zachter mag.”

Maar zachter kan het niet altijd. In The Moon is Out trekt ze bijvoorbeeld een strot open die Anouk bijkans van haar troon blaast. Met alle gevolgen van dien. De avond ervoor, op het podium van het Rotterdamse Watt, zong ze haar stem aan flarden. Een combinatie van een verkoudheid en de spanning die zo’n eerste cluboptreden met zich meebrengt. “Daarom moet ik nu ophouden met praten,” zegt ze verontschuldigend. “Over een paar uur moet ik het podium weer op.” Als toegift mogen we op haar iPod luisteren naar de nummers die No. 9 niet hebben gehaald. Een even leerzaam als amusant kijkje in de keuken van Dr. Jekyll en Mr. Hyde.


Wende Snijders: No. 9

16 januari: Noorderslag, Oosterpoort.

Groningen (uitverkocht). April en mei: tournee met de show ‘Chaos’ door het land.

Ruud Meijer