Eerste Kamerverkiezingen: over potloodventers en kersenplukkers

D66-lijsttrekker Roger van Boxtel gaat waarschijnlijk bezwaar aantekenen tegen het ongeldig verklaren van een stem op zijn partij in de provincie Noord-Holland. Die stem werd per abuis uitgebracht met een blauwe pen in plaats van met een rood potlood. Maar echt, meneer Van Boxtel, dat rode potlood is niets voor niks verplicht gesteld. Daar is over nagedacht, zo’n honderd jaar geleden.

Tot 1918 waren stempotloden in Nederland namelijk zwart. Dat leidde nogal eens tot verwarring. Omdat het soms lastig was om een afdruk van een vuile vinger te onderscheiden van een uitgebrachte stem. En ook omdat de stembiljetten steeds langer werden – er deden steeds meer partijen en kandidaten aan verkiezingen mee – en het bij het tellen van de stemmen dus moeilijker werd om de zwarte potloodpuntjes snel te onderscheiden van de afgedrukte tekst. Na enige discussie over de nieuwe kleur besloot de Tweede Kamer daarom in 1922 dat stempotloden voortaan rood moesten zijn.

En nu we toch aan het terugblikken zijn: het is waarachtig niet de eerste keer dat de SGP bij Eerste-Kamerverkiezingen een opmerkelijke rol speelt. Dat was ook reeds het geval in 1977. Een Gelders Statenlid van de SGP was toen zo druk met kersen plukken, dat hij de verkiezingen helemaal vergat. De deal was dat hij op het (later in de ChristenUnie opgegane) GPV zou stemmen, zodat ook die partij een senaatszetel zou krijgen. Dankzij de absentie van de Gelderse SGP’er was dat feest bijna niet doorgegaan. Dat het GPV uiteindelijk toch een zetel in de Eerste Kamer kreeg, was te danken aan een dissident Statenlid van de Boerenpartij. Die had zo zijn bekomst van zijn partijleider ‘boer’ Hendrik Koekoek, dat hij besloot op het GPV te stemmen.

Roelof Bouwman