Druk met vrij zijn

Viereneenhalf jaar zat Joseph Oubelkas (30) onschuldig vast in Marokkaanse gevangenissen. Toen kwam hij eindelijk vrij. Wat doe je dan? ‘Ik ging rennen, rennen, rennen!’

“‘U mag naar huis,’ had de officier van justitie gezegd, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. U mag naar huis. Dat klonk zo simpel, maar voor mij betekende het zo veel. Het was woensdag 17 juni 2009. In de hal van het Paleis van Justitie in Den Bosch zag ik mijn moeder zitten en mijn beste vriend Willem. Ik vloog ze in de armen.
“Samen liepen we naar buiten. Voor het eerst in jaren ging er een deur van een officiële instantie voor me ópen, in plaats van achter me dicht. Het was een stralende dag. Op het binnenplein van het Paleis stak een groepje studenten over. Ze lachten en ze praatten honderduit. Ik realiseerde me dat ik nu ook gewoon mocht gaan en staan waar ik wilde. Ik was vrij. Vrij!
“Mijn moeder had de auto aan de kant van de weg geparkeerd. Ik ging op de bijrijderstoel zitten, Willem ging achterin. Hij had zo’n hip telefoontje, van een type dat ik nog nooit had gezien. De hele tijd kreeg ik dat ding in mijn handen gedrukt: allerlei mensen belden. Eindelijk kon ik zeggen dat ik nu écht op weg was naar huis. Het was een half uur rijden naar het nieuwe huis in Raamsdonksveer waar mijn moeder inmiddels was gaan wonen. Ik heb onderweg wel duizend keer gezegd dat buiten alles zo mooi groen was en zo netjes. Viereneenhalf jaar had ik in een ongelooflijk vieze bende geleefd.
“We reden de straat in. Ook die was prachtig groen, ruim en rustig. Ik keek mijn ogen uit. Mijn moeder parkeerde de auto voor de deur. We laadden de rode koffer uit waarin de honderden brieven zaten die ze me in de afgelopen jaren had geschreven. Nog veel meer post zou later worden nagestuurd. Door het huis liepen we de achtertuin in. Daar werd ik opgewacht door een tiental van mijn beste vrienden. Natuurlijk wisten ze dat ik kwam, maar toch zag ik ongeloof in hun ogen: ben je het echt? Met tranen in de ogen van blijdschap begroetten ze me. Iedereen wilde weten hoe het met me was, iedereen zei dat ik er zo goed uitzag. Ze waren zo warm en blij, heel ontroerend. Uren hebben we zitten kletsen.
“Mijn moeder maakte haar beroemde tomatensoep. Heerlijk was dat. Daarna gaf ze me een rondleiding door het huis. Vanuit de gevangenis had ik laten weten dat ik de muren van mijn slaapkamer graag in oranje- en geeltinten wilde hebben geverfd; de kleuren van een zonsondergang. Die had ik al jaren niet gezien zonder muren en prikkeldraad ervoor. Mijn kamer zag er nog mooier uit dan ik me had voorgesteld.
“s Middags ben ik met mijn moeder en Willem door het dorp gewandeld. Ik wist niet wat ik zag: er was een nieuwe randweg aangelegd en er waren complete nieuwe wijken gebouwd. Dat was heel gek om te zien. Ik had er al wel foto’s van gezien, maar nu zag ik alles driedimensionaal. Met een grote smile liep ik rond. Ik was niet moe, ik barstte van de energie. Het was alsof ik een kind was dat in een enorme speeltuin werd losgelaten.

Lees het gehele artikel in de HP/De Tijd van deze week.

Mark Traa