555

Elke week één artikel uit HP/De Tijd in zijn geheel op de website. Deze week de column van Esther van Rijswijk.

Het is zondagmiddag, 31 juli, en de teller van giro 555 staat op dertien miljoen euro. Tegen de tijd dat u deze column leest, zal het ongetwijfeld meer zijn, want dan zitten we midden in De Week voor de Hoorn.
Ik maakte reeds vijftig euro over. Maar waarom? zo blijf ik me afvragen.

Sheila Sitalsing schreef op 15 juli een column in de Volkskrant met de kop ‘Geef nou maar’, en gaf daarin een deel van het antwoord door simpelweg alle redenen om níet te geven op een rij te zetten. Zoals dat helpen geen structurele oplossing biedt. Dat we het alleen maar doen omdat we dan popsterren te zien krijgen. Dat het het systeem in stand houdt. Maar ook dat de hulporganisaties te laat zijn (omdat deze ramp zich al maanden aankondigt), dat er functionarissen zijn bij hulporganisaties die (te?) veel verdienen en zelfs – ze had het echt ergens gelezen – dat sterven voor Afrikanen minder erg zou zijn. Het zal Sitalsing, zo liet ze weten, allemaal worst wezen. Ze wil het er na de zomer graag met ons over hebben, maar nu eerst effe storten. En fors graag, zo riep ze op.
En dat deed ik. Omdat ik niet cynisch wil zijn, zo realiseerde ik me na het lezen van haar betoog. Een slechte reden, zo vond ik zelf, want een negatieve. Ik wil niet helpen om iets níet te zijn. Een antwoord op mijn vraag had ik dus nog steeds niet.
Dus nogmaals: waarom helpen we? Nou, hoor ik u zuchten, omdat we daar moreel toe verplicht zijn. Ik hoorde het staatssecretaris Ben Knapen afgelopen maand ook zeggen. En Frits Bolkestein, afgelopen zaterdag in De Telegraaf.
Maar eh, waarom dan? Hoe werkt die morele verplichting? Ik voel me verantwoordelijk voor vrienden en familieleden. En ja, zelfs voor totaal onbekenden als ze voor m’n neus in elkaar zakken en hulp nodig hebben. Maar als ik heel eerlijk ben: niet voor Afrikanen. We zouden moeten ophouden hun landbouwproducten van de Europese markt te weren, da’s waar. En ik stem al jaren enkel op politici die dat ook vinden. Maar verantwoordelijk voor de droogte in Afrika, dat ben ik niet.
Ik vroeg een aantal jaren geleden aan zo’n twintig deskundigen waarom we geven en helpen. Allerhande types uit de ontwikkelingssamenwerking. Van ambtenaren en wetenschappers tot mensen uit het veld die soms ‘al dertig jaar met hun poten in de modder stonden’. Maar ook daar kwam ik niet veel verder. Er werd natuurlijk verwezen naar ons koloniale verleden, en naar onze grote rijkdommen. Het welbekende schuldgevoel-argument in combinatie met (daar is-ie weer) de morele plicht. Soms werd er ook nog een god bij gehaald.
Het mogen de argumenten zijn die anderen de beurs doen trekken, maar voor mij werken ze niet. Ik voel me niet schuldig, en – zoals gezegd – niet verantwoordelijk. Ze verklaren mijn vijftig euro niet. Ik denk zelfs dat het gehamer op de morele plicht voor velen de reden is om niet te geven, puur uit recalcitrantie.
Ik hou het erop dat ik, en u misschien ook wel, geef omdat ik niet anders kan. Het heeft iets te maken met het leed dat doet lijden, en de beelden die ik niet aan kan zien. Mensen kunnen niet tegen de pijn van anderen, we zijn geprogrammeerd om mee te voelen, empathisch te zijn. Bij mij, en ik denk bij veel mensen, leidt dat tot de reflex om te helpen. Soms zelfs tegen beter weten in.
Ik bevind me nu op glad ijs, want ik weet niets van biologie, maar het voelt bijna instinctief, en ik kan me voorstellen dat het een evolutionaire functie heeft. Als het binnen een gemeenschap gebeurt, dan vergroot het de weerbaarheid van de groep. De eerder genoemde vrienden en familie kunnen zo’n groep vormen, en voor mijn part zelfs een land. Afrika is eigenlijk te ver weg, maar televisie en internet brengen het zo dichtbij dat mijn hersenen in de war raken. Ze weten niet dat wat ze waarnemen niet voor mijn neus gebeurt. En dus triggeren die beelden mijn neiging om te helpen.
Ik hoop dat mijn bijdrage een leven redt.

esther van rijswijk