Marlenes been

Piet Calis heeft veel schrijvers gekend en weet daar meesterlijk over te vertellen. Tussen de anekdotes door ontzenuwt hij een beroemde mythe over Godfried Bomans en La Dietrich.

Over het Boeken-weekthema ‘Vriendschap en andere ongemakken’ is al het een en ander geschreven. In de Volkskrant werd betoogd dat het ‘een fout thema’ is, saai en fantasieloos. Betere thema’s zouden zijn: oorlog, dood en de menselijke stoelgang. Zelf denk ik dat er geen saaie thema’s bestaan, alleen saaie schrijvers en saaie boeken. Geef een groot schrijver een sinaasappelkistje en hij schrijft er een groots boek over.

Piet Calis heeft zich bij voorbaat al niets van de kritiek aangetrokken. Speciaal voor de Boekenweek stelde hij zijn herinneringen op schrift in Literaire vriendschappen en andere misverstanden. Daarin beschrijft hij in vogelvlucht de literaire generaties die tussen 1882 en 1940 zijn geboren. Willem Elschot, van 1882, is de eerste, Jan Cremer, van 1940, de laatste.

Calis is neerlandicus, historicus, verzamelaar en journalist. Hij is ook leraar geweest, en schreef enkele schoolboeken die bestsellers zijn geworden. Hij hield er een mooi huis, een sportauto en een aantrekkelijke vrouw aan over. Inmiddels is hij 75. Helaas is zijn vrouw gestorven en rijdt hij bij mijn weten niet meer in een sportauto. Maar zijn mooie huis heeft hij nog wel. In 1962 kreeg Calis de Anne Frank-prijs voor essayistiek. Henk Hofland moest het doen met de tweede prijs.

Calis is een goedlachse man en een geboren verteller. Never a dull moment. Hij heeft veel auteurs gekend, van Bordewijk tot Adriaan van der Veen, van Theun de Vries tot Willem Frederik Hermans en van Helma Wolf-Catz tot Uta Janssens-Knorsch. Een betere bron voor sappige literaire verhalen is bijna niet denkbaar.


Daarbij moet ik wel een kleine waarschuwing geven. Zoals ik al zei: Calis is een leraar. Hij voedt de lezer dus op in het positieve. Liever dan schrijvers te portretteren met hun gemene, kwaadaardige of kleinzielige kanten laat hij ze op een goedmoedige wijze gloriëren in hun kleine tekortkomingen. Misschien speelt daarbij een rol dat Calis is opgegroeid in een tijd dat openheid nog moest worden verworven. Zo heeft Calis, ondanks de vele stukken die hij over de poëzie van Gerrit Achterberg heeft geschreven, nooit gehint naar de passiemoord die dichter had gepleegd.

Calis’ boek begint met een beschrijving van Elsschot, die hij in 1957 ontmoette in de legendarische boekhandel Broese aan de Nachtegaalstraat in Utrecht. Elsschot was aanwezig omdat zijn Verzameld werk in een cassette was uitgekomen. De toen 75-jarige Elsschot raakte in gesprek met enkele bewonderaars, aan wie hij vertelde dat hij kort daarvoor kennis had gemaakt met de dichter A. Roland Holst. Die kennismaking bleek een grote verrassing, want, zei Elsschot: “Ik had altijd gedacht dat Roland Holst een vrouw was.”

Hieruit blijkt, volgens Calis, dat Elsschot wel had gehoord van Henriette Roland Holst, maar dat hij verder slecht op de hoogte was van de literaire wereld boven de Moerdijk. Over Adriaan Roland Holst vertelt Calis overigens dat die aanvankelijk nogal heeft geworsteld met zijn jeugdig voorkomen, een probleem waaraan hij radicaal een einde maakte door zijn haar grijs te laten verven. Daardoor zag hij er voor de vrouwen ineens veel betrouwbaarder uit. Een vreemde kerel, die Roland Holst. Op de televisie verschijnen wilde hij niet, want daar voelde hij zich te verheven voor. Kom daar nog eens om.


Calis graaft meestal niet al te diep, maar wat hij over Nico Rost en Jef Last schrijft, is zonder meer boeiend. Je zou Rost en Last minor talents kunnen noemen, maar hun levens waren verre van oninteressant. Rost was een van de eerste Nederlanders die vanwege zijn contacten met joden en communisten in een concentratiekamp terechtkwam. In 1933 werd hij in Duitsland gearresteerd – hij vervulde daar een soort correspondentschap – en naar Oranienburg gebracht. Het was aan bemiddeling van de journalist Max Blokzijl te danken dat Rost vrij snel werd vrijgelaten. Diezelfde Blokzijl is na de bevrijding gefusilleerd, omdat hij op de radio als ‘de stem van nationaal-socialistisch Nederland’ luidruchtig propaganda had gemaakt voor de Duitse zaak.

Jef Last was een getrouwde homoseksueel, die in de Spaanse Burgeroorlog vocht. Hem werd het Nederlanderschap ontnomen, maar dat kreeg hij na de Tweede Wereldoorlog genadiglijk terug vanwege zijn opstelling tegen de Duitsers.

Soms is Calis te aardig. Bijvoorbeeld over Gabriël Smit, van wie hij nog les heeft gehad. Hij beschrijft Smit als ‘een verschijning die op ons het effect had dat zangers als Elton John en Mick Jagger hadden op latere generaties: je had het gevoel in contact te komen met iemand uit een wereld waarin alles grootser wordt beleefd’. Ik vraag mij af hoe groots die wereld eigenlijk was. In elk geval heeft Adriaan Venema aangetoond dat Smit een nare rol heeft gespeeld in de Kultuurkamer. Na de oorlog is Smit daar, begrijpelijk, heel stil over gebleven. Zo stil dat hij zijn leerlingen kennelijk heeft kunnen wijsmaken dat hij een groots en meeslepend leven had geleefd.


Als auteur van Speeltuin van de titaantjes is Calis goed op de hoogte van de generatie die tussen 1920 en 1930 is geboren. Dat waren ook de schrijvers tegen wie hij zelf opkeek. Maar Calis schrijft niet alleen over Hermans, Mulisch en Reve. Hij besteedt ook aandacht aan bijvoorbeeld Godfried Bomans, over wie hij en passant een oude mythe ontzenuwt. Algemeen wordt aangenomen dat Bomans op die gedenkwaardige avond van het Grand Gala du Disque ten overstaan van Marlene Dietrich zou hebben gezegd: “Had mijn vrouw maar één zo’n been:” In werkelijkheid vertelde Bomans dat hij naar een film met Dietrich was geweest en dat deze verzuchting werd geslaakt door een onbekende vrouw die naast hem zat.

Calis heeft Willem Frederik Hermans tamelijk goed gekend, althans, hij heeft nooit ruzie met hem gehad. De eerste ontmoeting leverde wel meteen een typisch WFH-staaltje op. Samen met Hans Sleutelaar was Calis in 1962 naar Groningen gereisd om Hermans te interviewen voor de Haagse Post. Toen ze de bandrecorder installeerden om het gesprek om te nemen, zette ook Hermans een bandrecorder aan. Op de verbaasde vraag naar het waarom, antwoordde Hermans: “Omdat ik u niet vertrouw!”

Over de Herenclub van Harry Mulisch vertelt Calis een anekdote die ik niet onvermeld wil laten, omdat die op de een of andere manier nog altijd actueel is. Het gesprek vond plaats in 1990, het jaar van de Duitse eenwording. Aan tafel werd de vraag behandeld of Nederland een monarchie moest blijven dan wel een republiek moest worden. Een republiek, vond Mulisch, maar kompaan Han Lammers zei: “Nou nee, moet je niet doen, want straks krijgen wij een verenigd Europa en dan moeten wij iets uit te onderhandelen hebben. Als wij dan een vorst hebben, wordt het veel moeilijker ons zo maar even in te pikken als een provincie.” Ik geef de gedachtegang maar even door, je weet nooit of we die nog eens nodig hebben.


Literaire vriendschappen en ander misverstanden is een vermakelijk boek, dat je vooral moet lezen bij de open haard, met een pijpje en een goed glas cognac. Bent u toevallig een vrouw, dan zou ik een boek van Saskia Noort nemen.

Piet Calis: Literaire vriendschappen en andere misverstanden. Meulenhoff, € 19,95. Ook via ako.nl.

Max Pam