Zó kunnen politici hun zwaktes benutten

rutte en roemer aan het fris (foto anp)

Een bekende vraag bij sollicitaties luidt: wat is uw sterkste punt en wat uw zwakste? De eerste keer dat er rechtstreeks naar slechte eigenschappen werd gevraagd zal tot verwarring hebben geleid bij de sollicitant (moet ik nou zelf de strop op tafel leggen waarmee ze me later gaan opknopen door me niet aan te nemen?), maar inmiddels geldt het bijna als een clichévraag, waarop elke kandidaat zich terdege voorbereidt. De bedoeling ervan is om iemands zelfinzicht te toetsen en het onthullen van zwakke punten doet meer voor je geloofwaardigheid dan het tamboereren op kwaliteiten.

De sollicitant is zich bewust van dit mechanisme en zal z’n best doen iets passend negatiefs over zichzelf te noemen. Toch valt overmatige transparantie af te raden. Het is geen goed idee om als zwak punt naar voren te brengen dat je de neiging hebt om verliefd te worden op de baas of de secretaresse te versieren. Ook kun je beter niet zeggen dat je drie keer per dag naar Funda surft, gewend bent je Facebookprofiel te updaten tijdens vergaderingen of een aartsroddelaar bent. Te veel drinken bij netwerkborrels, waar mogelijk werk afschuiven naar collega’s, ideeën van een ander presenteren als van jezelf – allemaal geneigdheden die je beter voor je kunt houden als je je kans op de baan niet bij voorbaat al de nek wilt omdraaien.

De enige ontsnapping uit dit dilemma is dan ook om kwaliteiten te herformuleren tot zwakke punten. ‘Goed werk leveren’ wordt ‘perfectionisme’. ‘Loyaliteit’ wordt ‘geen nee kunnen zeggen’. ‘IJverig’ wordt ‘workaholic’. ‘Enthousiasme’ wordt ‘soms voor de troepen uitlopen’. Zwakke punten die instemming, soms zelfs vertedering zullen oproepen bij toekomstige werkgevers. Van zulke werknemers kun je er niet genoeg hebben!

Ik moest aan deze verraderlijke sollicitantenvraag denken bij alweer een debat tussen politici bij Knevel & Van den Brink, deze keer met Rutte en Roemer. Tegen het eind vroeg Kustaw Bessems, die genoeg had van het patroon van elkaar vliegen afvangen en welles-nietes over detailfeitelijkheden, aan de heren of ze in het kort hun maatschappijvisie konden formuleren: waar ze nu eigenlijk ten diepste voor stonden? Even leek er naar een hogere versnelling geschakeld te worden, naar iets wat uitsteeg boven het gekissebis over procenten. Toch bleven ook deze verklaringen aan de voorspelbare kant. Je weet natuurlijk wel zo ongeveer wat politici van tegengestelde signatuur voor ogen staat. Op dit niveau zou de vraag naar de zwakke kanten van iemands boodschap interessant kunnen zijn.

Politici ontfermen zich altijd over het land als geheel. De premier is per definitie premier van alle Nederlanders. Als Rutte en Roemer gevraagd zou worden welke groepen zich níet voelen aangesproken door hun visie, moeten ze zich een voorstelling maken van de zwakke punten in hun boodschap. Rutte zegt dan bijvoorbeeld: de mensen die geen poot willen uitsteken in deze maatschappij wil ik niet in de watten leggen. Roemer iets als: de rijken moeten niet alles voor zichzelf willen houden.

Hierachter schemert een fundamentele discussie over de meritocratie, niet alleen in Nederland, ook in Europa. Wat is eigenlijk het verschil tussen ‘niet willen’ en ‘niet kunnen’? Hoe langer je hierover nadenkt, hoe meer deze twee hoedanigheden met elkaar samenvallen. Een strikte meritocratie, waarin talent wordt beloond, is even onrechtvaardig als een strikte klassenmaatschappij. Maar strikt socialisme heeft ook zo z’n nadelen. Hierover zou ik graag lijsttrekkers met elkaar horen debatteren.


Reacties zijn gesloten.