Boudewijn Büch is niet dood

ANP-915187

Bijna tien jaar geleden stond ik aan het graf van Boudewijn Büch. Wij waren met een klein groepje getrouwen, nog geen twintig in getal. Ik had Boudewijn altijd een beetje een vreemde, maar aardige man gevonden.

Jarenlang zag ik hem wekelijks, omdat hij een van de aanschuivers was in mijn radioprogramma De tafel van Pam. Ook zocht ik hem wel eens op in zijn huis, waar hij zich omringde met tienduizenden boeken. Maar dat zegt nog niet alles. Veel boeken bezitten, betekent nog niet dat je veel boeken hebt gelezen.

Maar hij was wel degelijk erudiet, getuige het volgende voorval. Freud-kenner Han Israëls had onderzoek gedaan naar de verlovingsbrieven van Freud en had daarin een citaat gevonden dat hij niet kon thuis brengen: “So seid ihr Gotterbilder auch zu Staub”. Israëls had er alles een gedaan om na te vorsen waar dat citaat vandaan kwam, maar zelfs met behulp van een groepje germanisten was hij daar niet in geslaagd. Tenslotte vroeg Israels of ik misschien “een advertentie” wilde plaatsen in mijn NRC Handelsblad-column, om de lezers op te roepen mee te zoeken naar de vindplaats van het bewuste citaat.

Het was vrijdagavond toen mijn column verscheen en diezelfde vrijdagavond om kwart over zes ging de telefoon. Het was Boudewijn. “Ik sta op het punt te vertrekken”, riep hij, maar je kunt dat citaat vinden in Iphegenie auf Tauris van Goethe, regel 864. En nu vlieg ik naar Nieuw-Guinea, dag!”. Hij had al weer opgehangen. Ik liep naar mijn boekenkast – ik ben ook niet helemaal van de straat – en zocht regel 864 op.

Verdomd!

Daar stond waar Israels en zijn germanisten zo lang naar hadden gezocht. Pas toen begreep ik, zeer tot mijn schande, dat Büchs eruditie volkomen echt was en geen met wellust gespeelde pose.

Ik heb de anekdote direct na zijn dood als eens opgeschreven en lees hem nu met instemming nog eens over. Toch veranderde veel toen ik Een andere Boudewijn Büch las, de biografie van Harry G.M. Prick. Jezus, wat kwam Boudewijn daar als een oplichter uit naar voren!

Maar nu moet ik precies zijn. Dat een schrijver een zoontje verzonnen heeft, dat is zijn goed recht. Dat is de Dichtung die iedere schrijver zich mag toe-eigenen. Dat Boudewijn, gek verklaard, in een dolhuis had gezeten, terwijl het gewoon een zomerkamp was – alla, God hebbe zijn ziel. Maar dat hij ook dingen verzonnen heeft om zichzelf groter te maken, om zichzelf op te blazen met valse lucht, dat kan ik hem nauwelijks vergeven.

En ik heb er nog steeds moeite mee dat hij al die wetenschappelijke studies heeft verzonnen. Dat hij vertelde bij de filosoof Nuchelmans gestudeerd te hebben, dat hij Nuchelmans op een aantal belangrijke punten zelfs zou hebben verbeterd, maar dat hij in werkelijkheid nog nooit één college bij Nuchelmans had gevolgd. Dat hij beweerde op de universiteit van Californië onderzoek te hebben gedaan naar de fascistische schrijver Alfred Haighton, terwijl hij die universiteit niet eens vanuit de verte heeft gezien.

Enzovoorts.

Daarom dacht ik dat Boudewijn Büch het verdiend had om snel uit ons collectieve geheugen te verdwijnen. Maar tien jaar later moet ik constateren dat zulks niet is gebeurd. Momenteel loopt er op de Oude Kunst en Antiekbeurs te Delft een expositie met “nooit eerder getoonde persoonlijke bezittingen van Büch”. As u er behoefte aan heeft, kunt u daar zijn schrijfmachine en zijn toilettas bezichtigen.

En dan. Op 6 oktober aanstaande wordt tijdens de Amsterdam Antiquarian Book, Map & Print Fair, postuum de Boudewijn Büch prijs uitgereikt aan Gerrit Komrij, wegens diens verdiensten als boekenverzamelaar. (Ik ben trouwens benieuwd of boeken die ik Gerrit had geleend – niet gegeven – binnenkort ook worden geveild.)

Zou de postume Gerrit die prijs waarderen? Als er geld aan vast zit, zeer zeker. Maar toch houd ik mijn twijfels. Gerrit hield van fantaseren, maar tegenover leugens kon hij meedogenloos zijn.

En dan. Op 17 november zal Adriaan van Dis in Wassenaar de Boudewijn Büchlezing houden. Nee, Boudewijn Büch is niet dood. Hij is onsterfelijk, of is wat hier staat allemaal verzonnen?


  • Claus Linesman

    Schrijvers zouden niet over andere schrijvers moeten schrijven. Het heeft altijd iets weg van de groenteboer in het dorp die de mensen verteld over die ene groenteboer in het andere dorp. Je weet wel, die ene die altijd teveel afweegt, nooit de appeltjes laat proeven en altijd vieze handen heeft. Terwijl je als klant stiekem wel weet dat die ene groenteboer meer groenten heeft verkocht dan je eigen groenteboer in heel zijn leven zal doen.

  • mackeon

    Ergens in Büchs bij elkaar gestolen bibliotheek zat vast de Konkordanz zu Goethes Werken…