Welke eisen stellen we aan non-profit bestuurders?

Als je niet beter weet zou je zomaar kunnen denken dat de bankencrisis zo’n beetje op zijn laatste benen loopt. Tegelijk zou je kunnen denken dat er een, wat ik bij deze gelegenheid een ‘non-profit crisis’ zou willen dopen, voor in de plaats is gekomen.

Gisteren kwam lang verwachte Amarantis-rapport, een spannend jongensboek waarin valt te lezen dat, nu de Verenigde Staten het niet meer zijn, Nederland opteert als land van de onbegrensde mogelijkheden. Amarantis is – of was – één van de onderwijsgroepen waarvan je afvroeg: waar doen ze het allemaal van? Nou, van die ruim 130 miljoen die nu door het putje blijkt te zijn gegaan. En dan hebben we het niet over de immateriële en nauwelijks te begroten schade van tienduizenden leerlingen die niet kregen waar ze recht op hadden: goed onderwijs. Overal in het land zien we dit soort kolossen. En dit is maar één sector.

Vestia
We hebben het Vestia-schandaal nog vers in het geheugen, we moeten nog jaren wachten voor de definitieve schade op het bord komt – op dit moment is het zo’n 700 miljoen. Er blijken nog veel meer woningbouwverenigingen in de renteswaps te zitten. En provincies. En gemeentes. Gaan we die bedragen nog eens horen? Ik denk het niet.

En dan hebben we nog onze pensioenfondsen, wilt u daar nog méér van weten? Voorlopig niet, waarschijnlijk.

Ik noem hier drie sectoren – onderwijs, wonen, pensioenen – die van enorme maatschappelijke waarde zijn. Daarom zijn ze non-profit. Het begint al met het bestuur van basisschool, de naschoolse opvang. De Goede Doelen.

Zelden een gekozen bestuur
Alles wordt geleid door besturen die zelden gekozen worden – bij Goede Doelen bijvoorbeeld is het zo goed als altijd een bestuur uit het old boys en girls network. Dat benoemt elkaar, wel zo gezellig. En het staat heel goed op je CV, die maatschappelijke betrokkenheid. Als er wél wordt gekozen, zoals bij een simpel schoolbestuur, weten de kiezers nauwelijks welke kwaliteiten die kandidaten hebben. Je knikt er naar op het schoolplein. Maakt eens een praatje. Aardige echtgenoot. Leuke kinderen. Goede auto. Die moet wel goed zijn. Maar waar dat dan op gebaseerd is? We gaan niet doorvragen. Maar ik weet het wel. Het is de brandende ambitie om iets voor te stellen terwijl je er op mag rekenen dat je nauwelijks inhoudelijk wordt afgerekend. Of je past op de winkel -dat zou iedereen kunnen- of je begint met ambitieuze verbeterings- en uitbreidingsprojecten en kiest daarbij voor allerlei onzakelijke oplossingen.

Soms wordt er voor de vorm nog ‘extern’ geworven, dan komt er bijvoorbeeld zo’n headhunter aan te pas. Die levert wat kandidaten aan, al dan niet uit de eigen kaartenbak, en de selectiecommissie kiest daaruit wie ze via via kennen. Of die in elk geval geen gevaar voor hun eigen positie oplevert.

In de non-profit sector gelden andere wetten
Ik heb er in mijn leven op een aantal niveaus mee te maken gehad en ik schrok me dood. In het bedrijfsleven keert de wal al snel het schip bij slecht beleid. Zo niet in de non-profitsector, daar gelden heel andere wetten. Tenzij je het echt te bont maakt en je op geen enkele manier meer kunt betalen. En het naar buiten komt. Dat overkwam Amarantis en Vestia. Daaronder bevindt zich een enorme ijsberg van nauwelijks gecontroleerd kapitaal dat ons allemaal toebehoort en waarvan we niet weten welke risico’s er mee worden genomen en welk rendement, al was het maar maatschappelijk, het oplevert.

Inmiddels komen we om in de regels die van alles in het bedrijfsleven regelen. Waar blijven ze voor de non-profitsector?

Dr. Doom is een pseudoniem. Als belegger is hij verantwoordelijk voor het beleggingsbeleid van Beleggingsvereniging Fibonacci. Op het moment van het schrijven van deze column heeft de vereniging posities in Ahold, Akzo Nobel, DSM, Heineken, KPN, Shell en Unilever en is Neutraal in de AEX. De positie in de AEX is kortlopend en wisselt regelmatig. Die kan dus nu al anders zijn. Volg Dr Doom op Twitter

———
Volg HP/De Tijd ook op Twitter en Facebook.