De martelgang onder de provinciale kerstboom

Het past niet bij het beeld dat we graag van schrijvers hebben, het past al helemaal niet bij het beeld waarachter de schrijver zich graag verstopt, maar ook schrijvers vieren Kerstmis.

Zoals alle verstandige mensen zien ze daar een paar weken van te voren tegenop. De schrijver heeft een geheugen. Hij weet hoe het de vorige jaren was. De familieleden gaan er van uit dat de schrijver chagrijnig zijn geboortestreek zal binnenrijden, en dat zijn humeur pas na anderhalve fles wijn een beetje te verdragen is.

Vrijwel iedere schrijver kijkt neer op waar hij vandaan komt, de provincie waar hij tot aan zijn vertrek nooit begrepen is. Waar zijn gedichten in de schoolkrant werden geïnterpreteerd als afscheidsbrieven voordat hij de hand aan zichzelf zou slaan, en waar zijn dagboek het favoriete feuilleton was van zijn moeder.

Zijn jeugd lijkt hem nog steeds te willen treiteren op de momenten dat hij in zijn geboortestreek verblijft. Zijn kindertekeningen hangen nog altijd aan de muur, op foto’s ziet hij zichzelf op een driewieler zitten. Schuchter kijkt hij in de lens. Zijn zusje, zichtbaar minder getroebleerd, zit achterop. Zij heeft nu een goede baan. Met arbeidsvoorwaarden.

De schrijver is zijn cadeaus voor zijn ouders vergeten. Vergeten te kopen, maar dat laatste zegt hij er niet bij.

De schrijver is zijn cadeaus voor zijn ouders vergeten. Vergeten te kopen, maar dat laatste zegt hij er niet bij. Hopelijk liggen ze niet in de trein of op de tramhalte, maar heeft hij ze in zijn haast onder de kapstok laten staan. Hij hoopt dat zijn moeder zegt dat ze hem zal vergeven. Ze zegt niets. Ze ruikt aan zijn haar.
‘Was je in het café gisteren?’ vraagt ze.
‘Nee’, antwoordt de schrijver zacht. Ik heb mijn geld aan cadeaus moeten uitgeven. Er was niets over voor het café.

‘Het nieuwe drinken vindt plaats in huis’, zegt nu zijn zus. Ze legt pakjes onder de boom. De schrijver ziet dat de boom scheef staat. Het stoort hem niet.
‘Deze boom laat wel erg veel naalden los’, vervolgt ze. ‘Ik hoop dat je er niet te veel voor betaald hebt.’

Zijn moeder gaat met eten rond. ‘Je vader heeft dit jaar de kerstboom uitgezocht. Ik heb me er niet mee bemoeid. Ik had genoeg aan mijn hoofd deze dagen.’
De zus van de schrijver ruikt nu ook aan zijn haar.

Dan moet hij haar vragen beantwoorden over zijn publicaties, en over de onzekerheid van zijn bestaan. Of hij misschien medelijden met haar heeft dat zij zo weinig vakantiedagen in haar contract heeft staan. Hij zal alles bevestigend beantwoorden. Geen familieleden voor het hoofd stoten. Des te sneller kan hij gaan.

Anderhalve fles wijn later voelt hij zich beter. De kater van de dag ervoor is gaan liggen. Hij bekijkt het gezicht van zijn zusje. Duidelijk minder doorleefd. Maar toch ook mat. En zakelijk. Hij vergeet even dat hij schrijver is. En deze plek moet haten. Hij laat zich zijn vader nog een glas wijn inschenken. Een wijn met een prijs, speciaal voor Kerstmis. Omdat zijn vader weet dat ambitieuze schrijvers van ambitieuze wijnen houden.

‘Waarom blijf je niet vanavond?’ vraagt zijn moeder. ‘Het nachtnet is zo omslachtig.’
De schrijver denkt aan Paris Hilton. ‘Leave the party before it ends’ zegt zij.
Om waarschijnlijk door te gaan naar het volgende feestje. Maar een schrijver is geen Paris Hilton. De provincie heeft hem weer realiteitszin bezorgd.
‘Ik blijf wel’, zegt hij dan. ‘Maar alleen als jullie mijn kaartje betalen. Ik had al een retour gekocht.’ Hij hoort zijn zusje zuchten.
‘Geen probleem’, zegt zijn moeder. Ze moet hem de cadeaus vergeven hebben.

’s Avonds komen de berichten binnen. Waarom hij niet op De Kring verschenen is. Daar horen zijn soort mensen Kerstmis te vieren. Er schijnen bekenden zonder slipje onder hun jurk op het biljart te dansen. Zoals de schrijver is vertrouwt hij de verhalen van zijn schrijversvrienden. Geheel tevreden vat hij slaap.