De toverkunsten van Ayolt Kloosterboer in de hel van Parijs-Roubaix

Grind, stof, puntige keien. Een trosje fietsers, een guirlande van auto’s. De hel, gefilmd toen ze even niet oplette.Het is een idee zo eenvoudig dat je niet begrijpt waarom nooit eerder iemand erop gekomen is: geen camera voor in een wielerkoers, bij hen die de zege betwisten, de sterke mannen met hun stoere koppen en hun grote verhalen, maar aan de achterzijde, daar waar de kleine pechvogels met hun onfortuinlijke petites histoires stranden op een zandbank van gefnuikte ambities.

En waar kun je zo’n idee beter ten uitvoer brengen dan in de gruwelijkste aller koersen, de koningin der klassiekers, de wedstrijd waaruit op een enkele zondag meer verhalen ontspruiten dan uit de breinen van een wagonlading veelschrijvers in een heel leven?
Nergens.

4 minuten en 17 seconden duurt het filmpje op http://nos.nl/video/493569-de-achterkant-van-de-hel.html. Dat is zo’n vier uur te kort.

Totale chaos
Achterin de hel regeert de chaos. Motoren, auto’s en renners hotsen en botsen over de kasseien, blokkeren elkaar, mannen schelden, tieren, roepen, janken, gillen, lijden, gesticuleren en maken misbaar.

En het publiek, moegejuicht, staat er met open mond met de neus bovenop.
Daar gaat Elia Favili, nummer 132. Elia Favili gaat Parijs-Roubaix niet winnen. Elia Favili is de laatste man in koers. Het zwaard van Damocles rijdt in de vorm van de bezemwagen achter hem aan. Nog even en hij wordt vriendelijk verzocht de strijd te staken, om het parkoers vrij te maken.
Nu nog niet. Hij rijdt nog. En wie rijdt, maakt nog kans.
In die bezemwagen wacht de snorrende camera van Ayolt Kloosterboer. Kloosterboer maakt kunst in die 4 minuten en 17 seconden. Zwijgend registreert hij dat wat hij tegenkomt.
Jacob Rathe van Garmin die over de keien strompelt. Zijn knie ligt open, zijn truitje is vies. Maar het meest kapot is hij van binnen: het gehelmde hoofd hangt diep tussen de iele schoudertjes, als van een hond die vaak slaag krijgt.
Achter Rathe is er niets. Ja, een horizon. Maar tot die horizon: niets. Gras.

Ringbaardje
Af en toe heb je het gevoel dat de bezemwagen, met zijn zwaailicht, de renner voor hem opjaagt, naar voren, naar daar waar het gebeurt. Zoals bij Jerome Cousin. Jerome Cousin draagt rugnummer 13 – zijn kaderplaatje met nummer 13 heeft hij ondersteboven gehangen. Dubbel bijgeloof.
Cousin draagt een ringbaardje, het soort gezichtsbeharing dat in de mode was in de tijd dat Winston Bogarde nog voetbalde. Hij draagt het normaal vast met verve, dat baardje, maar nu is het nog slechts een aanstellerig cirkeltje begroeiing rond zijn mond.

Overal pikt Kloosterboer in zijn strooptocht langs Franse wegen renners op. Soms loopt er eentje door een door God en Klein Pierke verlaten gehucht. Je kunt je onmogelijk voorstellen dat hier zojuist nog een van de grootste wielerkoersen ter wereld is gepasseerd. De jongens zijn bestoft, ze bloeden uit vuile wonden op knieën en ellebogen, ze strompelen op hun wielerschoentjes en uit hun houding spreekt een vreemde mengeling van schaamte en opluchting.
Nietsziend zitten ze op hun stoeltjes in de bus. Op de achtergrond hoor je het geruis van de wedstrijd, door de radio. De wedstrijd waar zij geen deel meer van uitmaken.
Het laatste beeld is van Jerome Cousin, languit op de bank in de bezemwagen. Morgen gaat dat baardje eraf.