28 redenen om NU ‘An African Race’ van Ben Ingham te bekijken

  • Fela Kuti.
  • Blanke, knokige vingers die een zwarte rug kneden, als donker meel.
  • De beelden van krottenwijken, van het soort waar je het nooit ziet regenen maar waar altijd plasjes water staan.
  • Jongetjes die meerennen, om de energie van hun enthousiasme maar kwijt te raken. Jongetjes zoals ze overal ter wereld zijn.
  • Een inrijdende renner van MTN en de mensen die om hem heen getroept staan. Ze kijken alsof de coureur zo uit hun gruwelijkste nachtmerries gereden komt.
  • Het jongetje met het zwart-wit gestreepte shirt op 2:52. Ogen als schoteltjes, als je schoteltjes even groot zijn als dinerborden.
    Die blik, die mengeling van verbijstering en bewondering, alles wat sport met mensen kan doen. Zijn vingers omklemmen de arm van zijn vriendje, als om zijn opwinding te ontladen.
  • De twee druppels zweet in de nek van de renner op 03:05, die langzaam naar beneden kronkelen, tot ze elkaar ontmoeten en in een oogwenk onder zijn shirt verdwijnen.
  • De ernstige, ietwat argwanende gezichten van de toeschouwers, als mensen op de publieke tribune van de Tweede Kamer.
  • Het jongetje op 3:33, zijn vingers tot een pistooltje gevouwen. Scarface in Rwanda, twaalf jaar. Zijn onhandige grijns doet vermoeden dat de soep niet zo heet gegeten wordt als hij hem nu probeert op te dienen.
  • De jongens van Team Rwanda, professioneel over hun splinternieuwe fietsen hangend. Hun ogen aan het zicht onttrokken door zonnebrillen. Onbeweeglijk, mannen die weten dat ze bekeken worden. Sterren.
  • Een sticker op een volgauto. ‘This car is protected by the blood of Jesus.’
  • De angstige ogen achter het glas van de tijdrithelm.
  • Het bokkende stierkalf dat paniekerig over het parkoers draaft.
  • De plekken waar het asfalt ophoudt en het, ja, het niets begint, alsof een wegenbouwer er van het ene moment op het andere geen zin meer in had.
  • Het kindje op 5:56, schijnbaar alleen gelaten, in de berm. Beschaafd klappend, in een zwart jurkje dat verdacht veel aan een veel te groot t-shirt doet denken.
  • De ranke, slanke nummer 52, wiens lichaam tijdens de klim langzaam een wordt met de fiets. Zijn blik in de verte, de spieren die in kabels op zijn kuiten liggen.
  • De twee jongetjes in de boom op 6:13. Hun lach. En de automatische, alle fantasie dodende gedachte: is dat wel veilig?
  • De lange, eindeloos rechte weg, die door het oerwoud lijkt getrokken als een potloodstreep langs een liniaal. Kaarsrecht, zegt men dan. De werkelijkheid is: deze weg is rechter dan een kaars.
  • De politieagent die het publiek naar achter maant door dreigend in de lucht te slaan. Aandoenlijk vertoon van gebrek aan overmacht.
  • De wedstrijdjury – twee mannen in hemelsblauwe polo’s en met hemelsblauwe petten op het hoofd. De blocnote in de aanslag, driftig notities makend, als de juryleden bij een hondenshow.
  • De roze sokjes van nummer 43 op 7:03. Het meest roze roze wat ik ooit gezien heb.
  • Het jongetje op 7:23. Zijn applaus. Zijn enthousiasme. Zijn lach.
    Breder wordt een mond niet.
  • Het stuiteren van de regendruppels op het hagelnieuwe asfalt en op de rug van de jongen met nummer 14, die zich naar boven hijst met de verbetenheid van het dikste jongetje van de klas in de touwen bij gym. Benen als luciferhoutjes, nummer 14.
  • De speaker van dienst: een man die de woorden ‘vrolijke predikant’ in capslock op zijn voorhoofd heeft staan.
  • De algehele onbeweeglijkheid van het publiek langs de route, dat als verlamd naar de voorbijglijdende karavaan staart – de verlamming die je voelt als je kijkt naar iets volstrekt onbegrijpelijks.
  • Het juichen van het jurylid (mag dat wel, als jurylid?!) op 10:04.
  • Het doorbreken van het geluk op het vermoeide gezicht van de etappewinnaar.
  • De schemering die valt en de zekerheid: morgen weer een dag, in de Tour of Rwanda.