Het onmogelijke: biljart uitleggen

Gistermiddag ijsbeerde Jeroen Grueter in de gangen van het IJsseldeltastadion. Microfoon in de hand, wachtend op Mateusz Klich, volgens kenners het brein achter het tiki-taka van PEC Zwolle.

Het interviewtje vond plaats voor het treurige sponsorwandje dat bij elke voetbalwedstrijd waar ook ter wereld als een tijdelijk monumentje voor de schaamteloze commercie wordt opgericht.
Zwolle had zojuist ADO Den Haag vernederd en Jeroen mocht de sterspeler een paar vragen stellen. Hij was dus begrijpelijk genoeg zenuwachtig.

Klich keek glazig in de camera, terwijl Jeroen vertelde hoe hij had genoten – de aloude interviewtechniek van de vleierij – en dan vooral van Klichs sublieme pass bij de 3-0.
“Vertel eens wat er toen gebeurde.”
Alsof je Karel Appel vraagt: die veeg blauw daar, was je nuchter toen je die verzon? Laat mensen die iets goed kunnen uitleggen waarom ze het zo goed kunnen, en de lol is er voor de helft af. Blijken het opeens banale figuren die ‘ook maar wat doen’, zonder dat ze er verder ook maar een behartigenswaardige gedachte aan wijden.
Neem Mateusz Klich.

“Ik kreeg de bal en zag dat Fred begon te rennen. Dus ik wilde hem een goede voorzet geven, zodat hij kon scoren. Gelukkig was het een goede pass. Het zag er goed uit en hij scoorde. Daar ben ik blij om, want dat is goed voor het team.”
Waterdicht.
Geen speld tussen te krijgen.
En stomvervelend.

Grueter deed nog een poging, in een taal die in de verte wel iets van Engels weghad.
“Wen de bol left joor foet, dit joe reddie no det it was laik…. wadditwas?” (“Karel, wist je toen je met je kwast van je palet naar het doek ging al dat het de veeg zou gaan worden die het geworden is?”)
Ja, antwoordde Klich, ik wilde ’m zo spelen. (“Ja.”)
En Grueter antwoordde: “It was laik biljart.”

Een Waalse Ricky Gervais
Nu weet ik niets van biljart, dus ik ben niet de aangewezen persoon om te beoordelen of de pass van Klich ook maar enniesing laik biljart was.
Ik kan het ook niet, biljarten. Maar dan ook echt totaal niet.
Soms ben ik op een plek waar mensen biljarten. Mensen die allemaal beter kunnen biljarten dan ik. Ze zijn met z’n honderdduizenden, en ze weten het.
Ik weet dat ze het weten. Bij biljarten komt een soort terloopse achteloosheid kijken, dankzij dat hangen over die tafel.

Ik sta in een café, leun een beetje bewonderend op de rand en probeer uit alle macht een kunst af te kijken. Tevergeefs. (“Probeert u het anders zelf eens. Gewoon wat rood en wat blauw, kwastje erbij en ga maar lekker tekeer op dat linnen.”)
Gistermiddag was ik niet in een café, maar keek ik naar de finale van het Wereldkampioenschap Driebanden, het koningsonderdeel van het biljart.

Het was jaren geleden dat ik nog serieus naar een biljartwedstrijd op televisie had gekeken – Ben de Graaf fluisterbecommentarieerde nog – maar er was weinig veranderd: alleen waren Ceulemans, Blomdahl en Jaspers vervangen door de Waalse broer van Ricky Gervais (“Hallo! Mijn naam is Frederic Caudron. Ik ben een professionele biljarter en dit is mijn website!”) en een minzaam lachende Griekse god.
In een zaal in Antwerpen zaten duizend biljartenthousiastelingen ademloos naar het rollen der ballen te staren.
Een driebander werd gevolgd door een aarzelend applaus – vermoedelijk dezelfde mensen die halverwege een klassiek muziekstuk beginnen te klappen – en een misser door een geschrokken zwijgen.
Verder was er alleen het getik van de ballen.
Een verrukkelijk geluid.

Het onluitlegbare uitleggen
Ik luisterde, ik keek en ik dacht: hoe kan iemand dit kunnen? En dan niet een enkele keer, maar steeds weer opnieuw, alsof het zo bedoeld was – wat het ook was.
Zelden word ik harder met mijn neus op mijn feitelijke onkunde gedrukt als bij een wedstrijd driebanden.
Het is geen goochelen, want het is geen illusie. Driebanden is echt, driebanden bestaat, je kunt er ‘op gaan’.
Het is de sportieve variant van tovenarij.

En terwijl de Waalse Gervais (“U krijgt toegang tot de verschillende delen van de website in de menu hierboven”) de Griekse god zag inmaken, begreep ik de stompzinnige uitleg van Mateusz Klich plots.
Klich was bezig het onuitlegbare uit te leggen. Vanaf nul, aan een man wiens Engels ook nog te wensen overliet. Een onmogelijke taak. Tot die ander hem uit de brand hielp door te suggereren dat zijn pass als biljart was. Wat Klich gretig beaamde.
Want biljart, dat begrijpt niemand.

Of, nou ja, ik niet.