De littekens van de Jodenvervolging zijn nog altijd te zien

Meneer Kotek blijkt een dokter, die als sinds zijn zevende een wond heeft, althans een litteken, op de palm van zijn linkerhand, bij zijn pols. Hij is nu al 83, maar hij heeft het over die wond in de Portugese synagoge in Amsterdam op zaterdagavond, waar hij spreekt.

Daar zit het helemaal vol mensen die door de regen zijn gekomen om de Kristallnacht te herdenken, ernstige mensen, belangrijke mensen, machtige mensen. Ik vind de wond fantastich: hij laat opeens de naziterreur voor me leven. Meneer Kotek was Duits, is Joods, is naar Nederland gevlucht, en heeft het allemaal overleefd.

Hij kwam aan die wond toen hij in Wuppertal, waar hij toen woonde, in 1937 door jongens van 8, 9 10 jaar werd aangevallen en aan zijn benen over straat werd gesleurd – een tenger jongetje van zeven? Jongens die vroeger niet echt naar hem omkeken, waar hij misschien mee speelde. Er lag glas op straat en hij kreeg een slagaderlijke bloeding aan de pols van zijn linkerhand. Maar hij werd geholpen, nog wel door een nazidokter, die toevallig bij die plek woonde, die bond de wond af,  en het jongetje Kotek werd naar het ziekenhuis gestuurd zonder dat de dokter doorgaf dat hij Joods was. Hij bleef er drie dagen en zo is hij gered.

kotek-holl-schwb-9nov13
Meneer Kotek bij de herdenking van de Kristallnacht

Hij vraagt of zijn oudste kleinzoon van 15  naast hem wil komen zitten, daar midden in die grote groep mensen in dat 400 jaar oude gebouw. Hij geeft hem het gebedenboek dat hij zelf van zijn grootvader kreeg, om een goed mens te worden, eerlijk, nederig, behulpzaam. Daar in die volle ruimte vertelt hij het verhaal niet aan ons, maar aan zijn kleinzoon. Ik ben blij dat we erbij kunnen zijn.

Wat later, in de donkere, zachte regen voor de Hollandsche Schouwburg, waar de kinderen met fakkels staan, bedank ik hem voor zijn toespraak een feliciteer hem met zijn wond, omdat die de geschiedenis zo tastbaar maakt en omdat dat zo sterk werkt. Hij zegt lachend dat hij dat precies zo vindt en ik vraag of ik er een foto van mag maken. Dat mag.

lirsdtaln-jong-fak2 (1)

Ik houd zijn hand open met mijn ene hand en maak een foto met de andere. Hij wijst het litteken aan. Dus hier in Amsterdam staat een levend iemand met een wond direct uit dat andere deel van de geschiedenis, dat onbereikbaar verre duistere deel, uit het begin van de Jodenvervolging en ik mag er een foto van maken en die hand aanraken. Dus Joden zijn écht vervolgd, jongetjes van zeven zijn écht pijn gedaan.

Ik ben zelf zeven geweest, mijn jongste zoon is nu acht, mijn andere een paar jaar ouder, iedereen is zeven geweest, en dan begrijp je weinig van nazi’s of Hitlers of kampen of de dood en dat is prima. Je begrijpt haat, pijn en verdriet. Je begrijpt het als iemand je een hand geeft en je naar elkaar glimlacht.

Arthur Graaff is journalist en hoofdredacteur van Nieuws-wo2.tk

Arthur Graaff