In de geest van W.F. Hermans? Max Pam vs. Willem Otterspeer

Er is te weinig gif in de Nederlandse literatuur. Te veel schrijversvriendschappen, te veel gezellige avondjes en blije groepsfoto’s. Te weinig eloquente beledigingen. Qua polemiek moeten we het doen met kleine vetes rondom biografieën van grote schrijvers. Toch waren de verwachtingen weer hoog, bij de discussie tussen Max Pam en Willem Otterspeer.

Twee Hermanskenners. Je hoopt dat er toch íets is blijven hangen van het grote voorbeeld.

Wat een rare titel
Volgende week verschijnt het eerste deel van Otterspeers Hermans-biografie. Het eerste serieuze verwijt in Max Pams opiniestuk in de Volkskrant, gaat over de titel. De mislukkingskunstenaar. “Wat een rare titel voor de meest succesvolle schrijver van de 20ste eeuw. (–) wat een rare titel voor een schrijver die in belangrijke mate heeft bijgedragen aan de expansie van uitgeverij De Bezige Bij.”

Pardon? Wat heeft De Bezige Bij ermee te maken? En vooral: wat zegt dat over Hermans’ werk? Zijn talent? Heeft Harry Mulisch – toch niet bepaald een geestverwant – niet óók sterk bijgedragen aan die expansie?
Lulu Wang heeft ook in belangrijke mate bijgedragen aan de expansie van háár uitgeverij. E.L. James aan de expansie van Prometheus.

Mislukking
De term ‘mislukking’ wordt te weinig geduid in de biografie, zegt Pam. Het is net als met de term ‘misantropie’ in de Hermanskunde: “Toch begrijpt ieder kind dat een werkelijke misantroop of een werkelijke mislukkeling nooit in staat was geweest zo’n omvangrijk oeuvre voort te brengen.”

Pam vormt het begrip ‘mislukking’ maar even om tot ‘mislukkeling’ – waarmee de titel ineens op de schrijver slaat en niet op zijn oeuvre. Vreemd. Want is mislukking niet een van de grote thema’s in Hermans’ wérk? Of kan een buitengewoon succesvol oeuvre niet over mislukking gaan? Trouwens, als de titel wél over Hermans zelf gaat: na tientallen bestsellers kan een schrijver zich nog steeds heel goed een mislukkeling voelen. Nog iets: waarom zou een werkelijke misantroop niet in staat zijn om zo’n omvangrijk oeuvre voort te brengen? Wat heeft omvang met kwaliteit te maken? En als Hermans al niet aan de eisen voldoet – wat is dan wél ‘een werkelijke misantroop’?

Teleurgestelde Hermanskenners
Pam verwijt Otterspeer een stortvloed aan feiten en feitjes, en te weinig diepgravend onderzoek naar Hermans’ werk. Te weinig oral history. Daarna laat Pam teleurgestelde Hermanskenners aan het woord. Dat wordt nergens echt interessant.

In zijn laatste alinea – je hoopt nog op een rake slotzin – is Pam bij voorbaat teleurgesteld in de boekpresentatie en het bijbehorende interview met de biograaf: “Dat het erg kritisch zal worden, lijkt niet waarschijnlijk. Eerder Sam en Moos, die elkaar hetzelfde kastje verkopen.”

Nee, natuurlijk is dat niet waarschijnlijk. Het is een boekpresentatie. Waarschijnlijk georganiseerd door de uitgeverij (die van de sterke expansie). Wat wél een goede plek zou zijn voor scherpe kritiek? De opiniepagina van de Volkskrant, bijvoorbeeld.

De tegenaanval
Goed nieuws dus dat de biograaf direct reageerde: Pam gaf een paar afgemeten voorzetten. Otterspeer hoefde ze er alleen nog maar in te knikken.

Maar wat kregen we? Naamgrapjes (‘Pammetje Pet’). Een flauwe vergelijking: Pams kritiek wordt ‘zijn te vroeg verschoten zaad’. Verder een paar min of meer overtuigende weerleggingen van Pams verwijten. Een laatste alinea die om een voorbeeld schreeuwt. Otterspeer zet Pam en andere Hermanskenners neer als mierenneukers, die in het twaalfde deel van de Volledige Werken ‘plus minus 700 fouten’ vonden.
“Het was merendeels het resultaat van zoeken naar spijkers op het laagste water,” schrijft Otterspeer. Het voorbeeld blijft uit.

Eén ding hebben Pam en Otterspeer goed gedaan: ze vergroten de heimwee naar Hermans.