De moord op het historische automerk Lancia

Wie in 2016 nog een Lancia wil kopen, zal dat in Italië moeten doen én aanhanger moeten zijn van Henry Fords éénmodelstrategie. Was het destijds de T-Ford, straks zal het de Lancia Ypsilon zijn, het enige model dat (voorlopig) mag overleven, zij het alleen op de thuismarkt.

Vooralsnog ga ik ervan uit dat de Ypsilon in meer kleuren leverbaar zal zijn dan de T-Ford, die destijds leverbaar was in any color as long as it is black.

Op dit moment zijn er nog maar twee modellen die je als een originele Lancia kunt zien: de kleine vierzitter Ypsilon en de ruimere vierzitter Delta. Die laatste heb ik ook. Maar dat model zal niet meer worden gemaakt.

Wat er op dit moment nog meer als Lancia moet doorgaan, zijn Amerikaanse Chrysler-modellen die, sinds Lancia’s moederbedrijf FIAT het Amerikaanse Chrysler overnam, een Lancia-logo krijgen opgespeld, terwijl ze voor het overige overwegend hier als wansmaak gepercipieerde Amerikaanse kenmerken hebben.

Dat besluit – plak er gewoon een Lancia-logo op – was een paar geleden het masterplan van FIAT’s topman Marchionne. Het had moeten leiden tot de verkoop van zo’n 300.000 ‘Lancia’s’ per jaar, maar vorig jaar bleef de teller steken op 75.000 stuks, inclusief die Amerikaanse ondingen. Dat zou dan een procent zijn van het aantal auto’s dat FIAT, in combinatie met Chrysler, wereldwijd jaarlijks wil verkopen, en daar komt Marchionne zijn stoel niet voor uit.

Het doet het ergste vrezen voor zijn nieuwste plan: het revitaliseren van het merk Alfa Romeo: dat zou wel mogen overleven en zelfs sterk moeten gaan groeien. Als ooit fervente berijder van een zo’n tien Alfa’s – tot nu toe – heb ik ook dat merk de afgelopen jaar zien afglijden, met de productie van overwegend non-descripte modellen waarop je zo langzamerhand ook een Noord-Koreaans logo zou kunnen plakken.