Johan Cruijff en de intuïtie-industrie van de mallemoerskont

Maandag werd Johan Cruijff in Barcelona geïnterviewd door NOS-correspondent Edwin Winkels.
Winkels zette het filmpje dat van dat interview gemaakt werd op Facebook.
De titel luidde: ‘De bal voor z’n mallemoerskont wegspelen’.
Als je daar als dagelijks sportcolumnist met een Cruijff-obsessie niet op klikt, is er iets mis.

Het gesprek vond plaats in een soort collegezaal, waar de stichter van de Johan Cruyff University ongetwijfeld weer een lezing had gegeven die erop neerkwam dat je wel van Italianen… Nou, u kent het. Het aardige van Johan Cruijff is dat hij altijd gelijk heeft, alleen weet je vooraf nooit waarin hij gelijk gaat hebben; daar is grondige tekstexegese geboden.
“Er zit gewoon veel kwaliteit dus de training en dat soort dingen heeft een goeie uitwerking,” zei Johan Cruijff. Hij had het over de A1, een elftal dat is gegroeid onder de bezielende leiding van oud-voetballers die Johan Cruijff heeft aangesteld. Je zou natuurlijk kunnen zeggen dat Cruijff zin had in de A1, omdat hij liever naar de verse vruchten van zijn eigen organisatietalent kijkt dan naar het geklungel van Zimling en Viergever, en vermoedelijk is dat ook zo.

De mallemoerskont
Daarna stelde Winkels de vraag die ons allen bezighoudt: kan Ajax ooit nog dichterbij komen, een beetje alsof je Eddy Merckx vraagt of hij denkt dat Kenny van Hummel ooit nog in de buurt van het Tourpodium gaat komen.
Cruijff, als de verlicht despoot die hij is, gaf het volk hoop: “Ik denk zeker dat Ajax en het Nederlandse voetbal op zich een stuk dichterbij kan komen. Vanwege een paar redenen.”
Ha, argumentatie! We schreven mee:

1. “Een van de redenen is: het is altijd elf tegen elf. Dus die anderen, die meer geld hebben, hoeven niet met z’n twaalven te spelen.” (Subtiel is hier het gebruik van het woord ‘hoeven’, alsof het spelen met twaalf in plaats van met elf een nadeel is dat alleen vermogende verenigingen ten deel valt).

2. Het tweede punt was het gebrek aan ervaring. Veel mensen zien dit als een nadeel; Johan Cruijff niet. Als ervaringsdeskundige zei hij het volgende: “Als je dus voor z’n mallemoerskont wegspeelt, als je jong bent, zonder nadenken iets doet, dan denk je dat je dus ook heel ver kan komen.” (Hier is de verspreking van ‘je’ in plaats van ‘ik’ in het laatste zinsdeel zeer de moeite waard).

Voor z’n mallemoerskont wegspelen: DAT IS HET.
Sowieso gebeurt er veel te weinig voor z’n mallemoerskont: mensen denken maar na, redeneren er een eind op los, bedenken voors en tegens, bespreken zaken met collega’s, piekeren en prakkiseren, met als resultaat dat ze nooit meer eens ouderwets iets doen voor de mallemoerskont weg. Hersenchirurgen, docenten, kelners – wat zou de wereld er anders uitzien als ze allemaal gewoon wat meer voor de mallemoerskont weg zouden opereren, lesgeven en bedienen. Zonder het door te hebben – dat zijn de ware wijsgeren – stipte Cruijff hier een maatschappelijk probleem van ongekende omvang aan: waar is onze mallemoerskont gebleven? Het is de teloorgang van de natuur, de vervuiling van de pure mens. De enigen die nog maar wat voor de mallemoerskont weg kunnen werken, zijn sportcolumnisten en bankiers. Met wisselend resultaat, dat moet gezegd.

Het Carpe Diem van de 21ste eeuw
De mallemoerskont is een levenshouding, het Carpe Diem van de 21ste eeuw. Het zal niet lang duren voor iedereen een beetje voor z’n mallemoerskont wegleeft. Daarna zullen er mensen op televisie verschijnen die het fenomeen duiden, er zullen romans over geschreven worden (een film is er nu al) ,en nog weer later zullen er dure workshops komen voor mensen die moeite hebben met voor z’n mallemoerskont wegleven.
Dan, als de mallemoerskont een intuïtie-industrie geworden is, is het gevoel officieel om zeep en zullen we moeten terugkeren naar de definitie die Johan Cruijff er op 3 november 2014 aan gaf: “Als je gewoon speelt, en je doet wat je ziet, dan kom je ook tot heel vreemde dingen.”
Amen.