De ondergrens

Ik ben gisteren door de ondergrens gezakt. Het ene moment was er nog niks aan de hand, het volgende was het al gebeurd.
Wat bleek: zakken door de ondergrens gaat vanzelf. Je hoeft er niks voor te doen, je hoeft nergens op te letten, het is gewoon een kwestie van de boel de boel laten.

Het gebeurde ergens halverwege de middag, het licht van de zon gleed oranjig over het stof op de meubels in huis en er viel al met al nog best wat van de dag te maken, al moesten er dan wel stappen gezet worden. De zondagmiddag was een belofte en het was aan mij om die in te lossen, geloof ik.

Fietsen zonder voorwiel
Op televisie was het WK Afstanden in volle gang. De ene Nederlander na de andere moest de duimen leggen voor iemand uit een ander land, plots bleek de concurrentie ruimer gesorteerd dan de eigen ploeg en even leek schaatsen een ontzettend internationale sport. Tegenstand, we bleken het met z’n allen een beetje te hebben geïdealiseerd: het carnavalspubliek in Thialf klapperde een beetje beteuterd steeds langzamer met z’n opblaasklompen tegen elkaar. Ten slotte klapten alleen de schaatsen nog.
Ergens tussen het pr van Marije Joling op “de 1500” en de gortdroge meppen van de morsige Zwitser Wawrinka in een Rotterdamse hal moet ik door die ondergrens zijn gegaan. Het stomme is: je denkt altijd dat het jou nooit zal gebeuren, je denkt iets te hebben opgebouwd, bepaalde automatismen te hebben ingeslepen en je dermate als individu te hebben ontwikkeld dat je soms nog weleens in de buurt van die ondergrens komt, maar er nooit meer onder komt. Je denkt misschien zelfs, in al je jeugdige overmoed, dat je niet door je ondergrens kan zakken, omdat daar dan dus kennelijk de grens niet ligt. Maar dat is naïef: zo werkt dat niet, met ondergrenzen.
Hoe het zo ver gekomen is, is nog onduidelijk, grondig zelfonderzoek moet duidelijkheid verschaffen, maar sinds gisteren weet ik dus wat er zich achter (of onder) de ondergrens bevindt. Ik mag daar hangende het zelfonderzoek niet al te veel over loslaten, maar fraai is het bepaald niet. Stel u een zompige, grijze, mistige massa voor, een soort moeras, maar zonder begroeiing. Overal om u heen schieten mensen plaggen uit de zachte grond, er liggen fietsen zonder voorwiel en oude laptops waar andere ondergrenszakkers aan een stuk door mokken lauwe koffie overheen stoten.
Maar nogmaals: ik kan er niet te veel over zeggen.

Tamelijk verbaasd was ik toen ik zag dat ook mijn vriendin door de ondergrens was gezakt. Haar prestaties waren al weken consistent geweest.
We keken elkaar diep in de ogen.
Zij: ‘Dit is zeer zeer zeer zeer zeer matig. En dan druk ik mij nog voorzichtig uit.’
Ik: ‘We zullen bij onszelf te rade moeten gaan.’
Zij: ‘Dit mag niet gebeuren. Niet op dit niveau.’
Ik: ‘Is dit een mentale nederlaag?’
Zij: ‘Ik vind dit vooral een teleurstellende nederlaag.’
Ik: ‘Zou je kunnen zeggen dat we vergaten zondagmiddag te houden?’
Zij: ‘Dat zeg je goed. We hebben het gewoon heel slordig uitgeleefd.’

De focus was terug
We bivakkeerden onder de ondergrens tot de schemer inviel. Het werd er al bijna gezellig, tot we er toch in slaagden om, als stel, de focus te verleggen en weer vooruit te kijken naar het diner en de rest van de avond en de werkweek die als een mijnenveld vol ondergrenzen voor ons lag. Daar moest ik ons toch een heel groot compliment voor maken, en dat deed ik daarom ook maar.
Na het eten repareerden we gezamenlijk het gat in de vloer. We floten erbij als zeven dwergen en daarna aten we ontbijtkoek. Voor we naar bed gingen, keken we allebei even heel goed in de spiegel. Wat ik zag, beviel me.
De focus was terug, de ondergrens lag diep en onbereikbaar onder ons en ergens hoog aan de hemel glansde iets schitterends en onbereikbaars.
Dat moest de bovengrens zijn.