Waarom het voetbal geen Roger Federers heeft

Voetbalblad Voetbal International vraagt sinds jaar en dag profvoetballers naar hun favoriete boek. Een bekende grap onder voetballiefhebbers is dat de profs nooit verder zijn gekomen dan De ontvoering van Alfred Heineken van Peter R. de Vries.

Dat deze grap 28 jaar na de publicatie van het boek nog populair is, betekent dat voetballers in de tussentijd hun boekenkast niet hebben uitgebreid. Voor de buitenwacht staat profvoetballerij gelijk aan lege vlakte. Dure horloges, tattoos, snelle auto’s, golddiggers en celebrityfeestjes. Gentlemen als Roger Federer zijn afwezig in de Nederlandse voetballerij. Voor sommige voetbalfans is het oplepelen van uitzonderingen, (veronderstelde) intelligente voetballers, dan ook een grote hobby.

Dennis Bergkamp, Keje Molenaar, Socrates en Marc Overmars zijn namen die je vaak terugvindt in rijtjes met slimme voetballers. Mijn eigen favoriet is Edouard Duplan, de Fransman die na periodes bij RBC Roosendaal, Sparta en FC Utrecht bij ADO Den Haag op de loonlijst is beland.

L’être et le néant
Weliswaar heeft hij niet de papieren intellectuele statuur van Arjen de Zeeuw (studeerde Geneeskunde) of landgenoot Vincent Gouttebarge (schreef een proefschrift over klinimetie). Hij mist de tragiek van een Jacob Lensky die de leegheid in de voetbalwereld probeerde te dimmen door het licht uit zijn ogen te drinken en uiteindelijk op 26-jarige leeftijd stopte met voetbal. Duplan is geen Seedorf die met zijn wijze glimlach, stalen benen en talenkennis een rolmodel is dat hele bevolkingsgroepen kan verbinden. Nee, Duplan roept bij mij het beeld op van een statige Franse intellectueel.

Ooit las ik een interview met Duplan waarin hij verklaarde dat Jean-Paul Sartre zijn favoriete filosoof is. Meteen zag ik het voor me. Duplan die na de training thuis zijn kamerjas en pantoffels aandoet, de open haard aanjaagt, een cognac inschenkt, L’être et le néant uit de kast trekt en in de fauteuil het leven gaat overpeinzen. De Fransman lijkt mij iemand die zijn teamgenoten tijdens de lunch met een opmerking op een andere manier naar het leven wil laten kijken.

Iets wat door zijn collega’s meestal niet begrepen wordt. Medespelers als Tom Beugelsdijk en Vito Wormgoor die hem ongetwijfeld ‘de professor’ noemen. De Telegraaf doopte Duplan gisteren in ieder geval ‘de professor van ADO’. In hetzelfde stuk stelt ADO-trainer Henk Fräser dat de Fransman “wellicht te intelligent is voor de staf en spelersgroep”. “En dan heb ik het over sociale intelligentie”, voegde de trainer toe.

Smerige overtreding
Fräsers woorden geloofde ik meteen. Duplan vertelde de krant dat hij zich graag bezighoudt met medespelers en de staf. Tevens vertelde de voetballer dat hij beter past in de Nederlandse samenleving dan in de Franse, omdat de Nederlandse samenleving in zijn ogen gedisciplineerder is. Iemand die pillen van Sartre leest, kun je geen discipline ontzeggen. Maar ik bleef toch met een vraag zitten. Hoe kan het dat zo’n gedisciplineerde en beschaafde geest enkele weken geleden een smerige overtreding beging?

Wat ging er door hem heen toen hij op het been van Feyenoorder Basacikoglu ging staan? Waarom gaat elke voetballer, hoe bedeesd en stijlvol ook, ooit over de schreef? Wat ging er door het hoofd van Jari Litmanen toen hij nota bene tegen FC Volendam zijn enige rode kaart pakte, omdat hij Rob Matthaei in zijn maag schopte? Wat dacht Messi toen hij nog geen minuut na zijn interlanddebuut een slaande beweging maakte richting een Hongaar? Waarom heeft het voetbal geen Roger Federers? Zou Duplan het antwoord op deze vragen weten?