Zin in de koers (en z’n ongewisse toekomst)

Even was ik bang dat het niet meer zou komen. De voorpret, bedoel ik. In eerdere jaren begon het toch in december al wel te gisten. Beetje de tweets van coureurs in de gaten houden – “Lovely day in Calpe. Today training with the greatest mates #lovemylife” – beetje nieuwtjes lezen, beetje ’s nachts opstaan voor de laatste dertig kilometer van de Tour Down Under, beetje de dagen afstrepen tot de komst van de Wieler Revue Seizoensspecial; de gewone dingen.

Dit jaar gebeurde er niets.
Geen opwinding, het leek wel alsof het me allemaal niets meer kon schelen. Misschien was ik er overheen gegroeid. Was dat hele wielrennen een late oprisping van mijn jeugd geweest, een kinderachtigheidje waar ik overheen gegroeid was? Je leest het wel eens, dat mensen ergens overheen groeien. Bij wijze van test liet ik mijn vriendin wat woorden voorlezen.
‘Wat moet ik doen?’
‘Gewoon voorlezen wat er staat alsjeblieft.’
‘Eikenbosse. Boembekeberg. Moet ik doorgaan?’
Er gebeurde niets. Geen brok in de keel, geen kippenvel op de armen; alle gevoel leek uit me geweken.
‘Wat staat er verder?’ vroeg ik. ‘Niet opgeven nu.’
‘Kaperij.’
‘Ja.’
‘Haaghoek.’
‘Ja!’
‘Katteberg!’
‘Hmmm.’
‘Hotond!’
‘Wat!?’
‘Hotond!’
‘Ja! Ja!’
‘Kwaremont!’
‘Oud of nieuw!?’
‘Oude Kwaremont!’
‘Ga door!’
‘Kortekeer!’
Het was er weer. Het had al die tijd in me liggen wachten, overwoekerd door het mos van veldrijden en voetbalwedstrijden.
‘Zal ik doorgaan?’ vroeg ze. Ze had er aardigheid in gekregen.
‘Laten we niet alles in een keer opmaken. Te is nooit goed.’
‘Behalve Tenbosse dan,’ antwoordde zij.

Een kraakvers seizoen
De zin in een kraakvers wielerseizoen, dat zich voor me uitstrekte als een besneeuwd bos waar alleen een enkel hert z’n hoefafdrukken in gestempeld heeft, verspreidde zich door mijn lijf als een plotse koortsaanval. Het deed me denken aan een vakantie die schijnbaar niet lang genoeg kan duren, tot je op een ochtend met een longdrinkglas (met parasolletje) in de hand je grote teen in het zwembadwater dipt en je je opeens op Conny Stuartiaanse wijze afvraagt hoe het met de plantjes op je balkon gaat.
Onmiddellijk begon ik met het lezen van talloze stukken, verhalen, filmpjes. Ik graasde Sporza.be af en kocht alle Vlaamse kranten. Hoe stond het ervoor met Tiesj Benoot? Hoe zag Dylan Groenewegen de wedstrijden voor zich? Wie was Dylan Groenewegen eigenlijk? Reed Tom Boonen nog? Leefde Ian Stannard nog? Stond Jose de Cauwer al een beetje scherp?
Veel was bij het oude gebleven, net zoals je straat, die er na een lange vakantie altijd precies zo bijligt als je ‘m hebt achtergelaten. Daar is de koers voor, om je het geruste gevoel te schenken dat alles kan veranderen, omdat de Omloop de Omloop blijft. De koers is opgetrokken uit tradities waar geen mens last van heeft.

Tot ik bij het zoveelste artikel over het nieuwe seizoen belandde. Een interview was het, in het Belgische weekblad Knack, met twee wetenschappers die een onderzoek hadden gepubliceerd. Titel: ‘Een economische blauwdruk voor het moderne wielrennen.’ Dat onderzoek was nodig, want de gemiddelde wielerfan is bijna bejaard en 61% van alle Tourkijkers schijnt alleen voor de fraaie landschapjes de tv aan te zetten. Er moest iets gebeuren, en snel een beetje: de sport was aan het vergrijzen en alles wat vergrijst, kan beter vast een fraaie urn gaan uitzoeken. Bovendien, zo meldden de onderzoekers, vonden renners er zelf ook niks aan: Jan Bakelants had gezegd dat hij er niets aan vond om op televisie naar Luik-Bastenaken-Luik te kijken. Hij deed nota bene zelf mee.
(Bakelants vertelde in datzelfde interview overigens ook dat hij heimwee had naar het commentaar van Mark Uytterhoeven. Don’t we all.).
Misschien is het dat klakkeloze overnemen van onderzoekscijfers, misschien is het gewoon de woordencombinatie ‘economische blauwdruk’, maar als ik zoiets lees, ben ik meteen op mijn hoede.
Een Top-5 van citaten uit dat artikel waar ik van schrok, met daaropvolgend: de reacties, na uitvoerig academisch onderzoek in mijn eigen gevoelsleven.

1. ‘In veel wedstrijden gebeurt nauwelijks iets. Dat is onvergeeflijk.’
Het klopt dat in veel koersen op het oog weinig gebeurt. Wielrennen is een sport die zich niet onmiddellijk aan de argeloze kijker overgeeft. Je moet je erin verdiepen, je hebt kennis, geduld en ervaring nodig om ervan te kunnen genieten. Dat is nu eenmaal zo. Bovendien ligt er in het niets ook een hoop schoonheid verborgen.

2. ‘De sport is te weinig afgestemd op de jonge, zappende sportconsument.’
Ik zal proberen het akelige woord ‘sportconsument’ buiten beschouwing te laten.
Natuurlijk is het een groot probleem dat de gemiddelde leeftijd van de wielerfan hoger is dan die van de gemiddelde klaverjasser of de gemiddelde deelnemer aan de NTR-quiz ‘Van alle tijden’. Vermoedelijk de slechtste oplossing van dat probleem is om het wezen van de koers te veranderen. De hele wereld is al aangepast aan de jonge zapper, wielrennen is er voor mensen die het zappen beu zijn. Die zijn er in alle leeftijden, en die zullen er altijd blijven. Veel beter zou zijn om de jonge zapper te laten inzien wat ie mist als hij de koers links laat liggen.

3. ‘Wielrennen is een nichesport die te weinig biedt wat een moderne consument eist.’
Wat de moderne consument precies wel eist, wordt zelden vermeld, maar ik ga er maar vanuit dat dit neerkomt op snelheid en spektakel. De moderne consument wordt in dit soort onderzoeken nogal eens verward met de gemiddelde consument. De gemiddelde consument is een nogal treurig figuur, naar wie je je oren beter niet te veel laat hangen. Het is bovendien niet alleen de gemiddelde consument die dol is op snel en makkelijk vermaak, voor de producenten is dat vaak ook een stuk minder arbeidsintensief dan inhoudelijk en diepzinnig vermaak. En iets wat veel tijd en moeite kost, daar zijn economen vaak niet dol op.
Verderop in het artikel is sprake van de tijd van Eddy Merckx, en dat er in die tijd meer spektakel was dan nu. Dit is niet waar. In de tijd van Eddy Merckx demarreerde Eddy Merckx niet zelden op tachtig kilometer van de streep en reed gewoon naar de finish. Twee of drie uur lang zag je dus een man alleen in beeld. Gewoon de sterkste, van wie je bij voorbaat wist dat hij zou winnen. Saaier kan niet. Als je überhaupt al iets zag, want het product kwam een stuk minder uitvoerig in beeld dan tegenwoordig. Het is trouwens maar net wat je een nichesport noemt, maar in die tijd deden er aan de Tour ongeveer zeven nationaliteiten mee. Tegenwoordig komen ze van over de hele wereld. Een niche, misschien, maar in elk geval een veel geglobaliseerder niche dan ‘in de tijd van Merckx’.

4. ‘Wielrennen is dalurenentertainment, en sportief veel minder gewaardeerd dan de insiders zouden hopen.’
Dalurenentertainment, een woord dat een hele dag tussen je tanden blijft zitten. Vermoedelijk worden hier de daluren van de televisie mee bedoeld. Je zou kunnen zeggen: fijn dat er in de daluren nog eens wat anders op televisie is dan messensetten aanprijzende Amerikanen en stokoude films. Fijn ook dat wielrennen niet hoeft te concurreren met piekurenknalsporten als voetbal en curling, zou je toch denken. Maar wat in de daluren wordt uitgezonden, kan kennelijk onmogelijk topentertainment zijn. Anders zat het wel in de piekuren.
(Entertainment, dat woord alleen al. ‘Ik maakte laatst, bij wijze van dalurenentertainment, weer eens een boswandeling. Wat bleek: bos totaal niet aangepast aan de eisen van de moderne consument. Dat was dus mooi de laatste keer.’)

5. ‘Ik kan me niet indenken dat zulke voorspelbare wedstrijden over twintig jaar nog zullen bestaan.’
Natuurlijk is er veel aan te merken op de structuur van het huidige wielrennen. Kleinere pelotons en kortere ritten zouden het spektakel vermoedelijk zonder al te veel kunstgrepen verhogen. Wat ook erg spectaculairder: levensgevaarlijke afdalingen, door met geavanceerde doping volgestopte coureurs die elkaar een hele dag bestoken, op parkoersen waarin te voet een rivier moet worden overgestoken en met aan het eind een massasprint op vochtige keitjes. En misschien halverwege iets met jonge poesjes, voor de moderne consument.
Zonder saaie wedstrijden geen Gent-Wevelgem 2015, zonder duffe sprintetappes geen eenzame vluchter die er voor die ene keer in slaagt de sprint te ontlopen. Zonder voorspelbaarheid geen onvoorspelbaarheid.

Geen idee
Het is een misverstand dat groter, duurder, gelikter en commerciëler ook beter is. Kijk naar het topvoetbal, een wereld die even ver van de liefhebber afstaat als de maan van een ouwe geit. Natuurlijk moet er geld verdiend worden, om de sport te kunnen laten voortbestaan, om de renners te betalen en de organisatoren hun werk te laten doen. Er moet zelfs winst gemaakt worden om sponsors te blijven interesseren, die economische realiteit begrijp ik zelfs. Maar waarom moet het altijd meer, groter, succesvoller? Waarom zou je een sport met zo’n dopingverleden moeten injecteren met olieroebels en woestijndollars, geld dat de koers onnatuurlijk oppompt, zoals anabolen een sporterslijf, tot het ontploft?

Vermoedelijk verliest het wielrennen zijn centrale positie (of heeft het die al lang verloren?), waarschijnlijk zwengelen veel jongeren morgenmiddag inderdaad liever Netflix aan dan dat ze naar de Omloop het Nieuwsblad gaan zitten kijken. Misschien worden dat er ieder jaar meer. Wie weet is er dus op een dag ook minder in en aan het wielrennen te verdienen. Vermoedelijk wel; als de economen dat zeggen, geloof ik dat. De oplossing van de econoom voor dergelijke problemen luidt vaak: meer geld maken.
De waarheid is dat er niet altijd een oplossing is. Dat je Luik-Bastenaken-Luik nooit voor iedereen aantrekkelijk zult kunnen maken en dat van koers geen gelikt piekurenentertainment te brouwen valt. Natuurlijk: zet GoPro-cameraatjes op die helmen, maak de wedstrijden korter, laat desnoods het verslag eens doen door iemand van onder de vijftig (als het dan echt moet), maar vijl in godsnaam niet rücksichtslos iedere onvolkomenheid weg. In die krassen schuilt de ziel van het wielrennen.

De meerderheid van de wereldbevolking ziet in een koersend peloton nog altijd alleen tweehonderd (of liever: 120) mannen die in smakeloze pakjes om het hardst van A naar B fietsen.
Om maar te zeggen: de meerderheid heeft vaak geen idee.