Abdelkader Benali: ‘Zonder racisme valt de samenleving uiteen’

Van schrijver Abdelkader Benali (1975) verschijnt begin april het boek Brief aan mijn dochter, een hartekreet waarin hij zijn eigen ouders niet spaart. Een vrijmoedig gesprek over het nieuwbakken vaderschap, de steeds groter wordende kloof tussen autochtoon en allochtoon en de dreigende toekomst. ‘Natuurlijk komen er aanslagen in Nederland. We gaan geen leuke tijd tegemoet.’

‘Saïda heeft haar naam uitgekozen,” zegt schrijver Abdelkader Benali terwijl hij met zijn dochtertje op de bank in zijn werkkamer zit. Met zijn handen stevig om haar middel geklemd danst Amber – want zo heet de kleine spruit – als een soort marionet op zijn schoot. “Ik vond het meteen een mooie naam, maar ik dacht ook: de paspoortcontrole gaat met zo’n westerse voornaam ook iets sneller.”

Heeft het vaderschap je veranderd?
“Het heeft me in ieder geval minder onzeker gemaakt over wat mensen van me vinden.”

“Ik ben een publiek persoon: ik kom op televisie, geef lezingen en schrijf in mijn boeken veel over mijn leven. Ik laat het publiek als voyeur toe in mijn leven. Maar als je bekeken wordt, ben je altijd onzeker over wat andere mensen van je denken. Een kind ontslaat je van die onzekerheid. Het doet er niet meer toe wat andere mensen van je vinden, als je dochter maar goed over je denkt.”

En verder?
“Je hebt iemand voor wie je leeft. Het gevoel haar te beschermen is sterker dan staal. Je springt als laatste uit een brandend huis. Ik denk dat iedereen die een kind heeft dat gevoel wel snapt. Ik ben heel dankbaar dat ik dat gevoel mag hebben.”

In je nieuwe boek Brief aan mijn dochter schrijf je heel openhartig over het krijgen van een kind, en vooral wat eraan voorafgaat. Dat het krijgen van een kind niet vanzelfsprekend is.
“Ik sprak laatst nog een zwangere vrouw die zei dat ze het idee had dat iedereen in haar omgeving zwanger was. Ik raakte daar een beetje door geagiteerd. Het laatste wat je kunt zeggen is dat iedereen zwanger is. Voor heel veel mensen is het krijgen van een kind namelijk niet vanzelfsprekend. Voor ons ook niet. Na een miskraam zijn we een tijdje naar een fertiliteitskliniek gegaan. Het was een soort omgekeerd mortuarium. Heel kil en klinisch – geen plek waar leven gemaakt hoort te worden, dacht ik nog. In de wachtruimte zie je allemaal stelletjes die ook graag een kind willen, maar niemand kijkt elkaar aan. Je ontwijkt elkaar. Omdat je toch het idee hebt dat je een loser bent. Toen bleek dat er met de spermacellen en eicellen niets aan de hand was, zijn we zelf maar weer aan de slag gegaan. Van een vriendin kregen we de tip dat we een caravan moesten kopen, op vakantie moesten gaan en ongeremd seks moesten hebben zonder aan kinderen krijgen te denken. Die caravan hebben we niet gekocht, maar we zijn naar ons appartement in Tanger gegaan. En daar is het gebeurd. Misschien lukte het omdat er een soort onverschilligheid in ons sloop, omdat we al afscheid hadden genomen van het idee dat we ooit kinderen zouden krijgen.”

Even tussendoor hoor, maar wil een kind weten hoe en waar het verwekt is?
“Tijdens het schrijven van de brief voelde ik een verpletterend verlangen om haar helemaal op de hoogte te brengen van wie wij voor haar zijn. Ik vond het heerlijk om al die details erin te verwerken. Ook omdat het zo’n prachtige plek is waar ze is verwekt: in een slaapkamer in Tanger, met uitzicht over de oude stad en de zee, terwijl er een meeuw voor het raam zweefde – ik wilde dat moment heel graag in pastelkleuren voor haar schilderen.”

En je vrouw heeft daar ook geen moeite mee, dat je dat soort intieme details in geuren en kleuren beschrijft?
“Nee. Het boek ontroert haar, juist omdat ik het allemaal zo eerlijk heb beschreven en niets heb weggelaten.”

Hoe verliep de zwangerschap?
“De eerste drie maanden waren moeilijk. Omdat we daarvoor al een kindje waren kwijtgeraakt, waren we ontzettend bang dat dat weer zou gebeuren. Maar Saïda werd ziek, heel erg ziek, in tegenstelling tot de vorige keer. Dat zag ik als een goed teken. Ik kon daar alleen niet zo goed mee omgaan. Na een tijdje heeft ze haar spullen gepakt en is naar haar ouders vertrokken. Ze kon me niet meer luchten of zien.”

Waarom?
“Ik heb nog het bloed van de vorige generatie door mijn aderen stromen. Ik vind dat je altijd door moet gaan, altijd offers moet brengen. We hadden een reis naar Japan gepland. Om de kersenbloesem te zien. We zouden eind maart vertrekken, ze was toen net drie maanden zwanger, maar ze wilde niet. Ze kon het niet aan. Terwijl ik vond dat ze gewoon even op haar tanden moest bijten. De reis was namelijk al betaald, alles was al geregeld. Maar ze luisterde naar haar lichaam.”

Heb je haar dat verweten?
“In eerste instantie vond ik dat heel vervelend, ja. Ik zag het afblazen van de reis als een soort nederlaag. Pas later snapte ik dat het toen echt niet kon. Het lichaam neemt de regie over. De temperatuur gaat omhoog, de hormonen gaan op volle kracht en de geest wordt totaal ondergeschikt gemaakt aan het lichaam. Ze was in die periode niet toerekeningsvatbaar. Ze was een heel andere vrouw geworden.”

En toen vertrok ze naar haar ouders.
“Ja. Dat was wel even een tik voor mijn ego. Ik voelde me in de steek gelaten. Nadat ik het kwakje had afgeleverd was ik niet meer nodig – dat idee. Dat vond ik wel heftig. Achteraf had ze gelijk: ik kon haar ook niet helpen. Ze had behoefte aan iets primairs, namelijk de geuren en de gemoedstoestanden van haar eigen kindertijd. Terug naar het nest.”

Over het nest gesproken: in je boek reflecteer je ook uitgebreid op je eigen jeugd. Over de opvoeding die niet deugde.
“Niet deugde… Mijn ouders waren bang voor alles. Voor kinderlokkers, mensen met honden, slechte lucht… omdat ze zelf ook opgevoed zijn in een heel beschermde omgeving. Wij mochten niets. We mochten niet eens buitenspelen. Onze jeugd speelde zich af op een paar vierkante meter in een rijtjeshuis in Rotterdam-Noord. Pas later begreep ik dat er nog een andere reden was waarom onze wereld zo klein werd gehouden: de broedmachine moest aan de gang gehouden worden.”

Frustreerde dat je niet, dat je niets mocht?
“Natuurlijk. Ik vond dat ik onrechtvaardig behandeld werd. Dat ik niet kreeg waar ik recht op had.”

Waar had je dan recht op?
“Volledige aandacht en respect. Ik nam wraak op ze door ze te observeren. Door naar hen te kijken, ze misschien wel scherper te zien dan ze zichzelf zagen, en alles over hen te denken wat ik maar wilde. Die observaties staan aan het fundament van mijn schrijverschap.”

Heb je het met je ouders weleens gehad over je jeugd?
“Nee.”

Gaan ze het boek lezen?
“Ze krijgen het boek natuurlijk wel, ze krijgen van alle boeken die ik schrijf een exemplaar, maar ze lezen het niet.”

Vind je dat jammer?
“Ja, er staan wel dingen in die ik tegen ze zou willen zeggen.”

Zoals?
“Dat ik het zo jammer vind dat ze maar tot een zekere hoogte met ons meeliepen. Dat we het zelf allemaal maar een beetje moesten uitzoeken. Mijn ouders waren lange tijd twee onbekenden voor mij en ik voor hen. We hebben ook nooit echt de moeite genomen om elkaar echt goed te leren kennen. Het enige wat ze deden was ons behoeden voor het kwaad, wat dat dan ook mocht zijn. Meer niet.”

Is dat iets dat je je ouders verwijt?
“Misschien wel. Maar wat ik ook jammer vind, is dat onze ouders ons niet meer hebben meegegeven van de Marokkaanse cultuur. Religie had de overhand, dat heeft ons eigenlijk een beetje verziekt. Van de cultuur zelf kregen we niets mee. Ik denk dat als ik daar wat meer over geleerd had, ik wat meer zelfvertrouwen had gehad. Omdat je dan weet waar je vandaan komt.”

Heeft het krijgen van een kind de band met je ouders veranderd?
“Toen ik Amber kreeg, gebeurde er iets bijzonders: ik werd een met mijn ouders. Het krijgen van een kind democratiseert de verhouding met je ouders. Je bent geen zoon meer, je bent nu zelf ouder. Je schuift een plaats op in de familierangorde. Heel lang was ik een free-floating intellectual, een individualist met familie. Maar nu ik zelf familie heb gemaakt, ben ik onderdeel geworden van die familie waar ik eerder nooit echt bij hoorde. De geboorte van mijn dochter confronteerde me gek genoeg ook heel erg met de dood. Zij is levendiger dan ik. Zij neemt straks het stokje van me over, dus ik moet zorgen dat ik een leuk stokje heb om door te geven.”

Lijk je als vader op je eigen vader?
“Totaal niet. Mijn vader kwam thuis uit zijn werk, ging op de bank liggen en dat was het dan. Ik kan me niet herinneren dat we ooit een gesprek van vader op zoon hebben gehad. Of dat hij een keer naar me geglimlacht heeft. Maar hij zorgde goed voor ons. In materieel opzicht kwamen we niets tekort.”

Had je als kind het idee dat hij van je hield?
“Nee. Ik heb altijd het gevoel gehad dat ik door mijn ouders opzij werd geschoven als er weer een nieuw broertje of zusje kwam. Ik had niet het idee dat ik bijzonder was, niet het idee dat ik er mocht zijn. Ik had eerder het idee dat ik hen niet tot last mocht zijn.”

Is dat nu veranderd?
“Toen Amber er net was, ging ik met haar op bezoek bij mijn ouders. Ik tilde haar op uit de Maxi-Cosi om haar aan mijn moeder te geven, maar niet voordat ik haar flink gekust en geknuffeld had. Mijn moeder keek me vertederd aan en zei: ‘Nu weet je hoe het is om vader te zijn. Zo veel hielden we ook van jou.’ Dat had ik me voor die tijd niet voor kunnen stellen.”

Ben je bang voor kritiek op het boek?
“Nee. Nooit geweest ook.”

Ook niet omdat het zo’n intiem boek is?
“Nee.”

Ik vraag dit omdat de recensenten vaak niet mals zijn over je werk. Arie Storm van Het Parool en Jeroen Vullings van Vrij Nederland hebben geen goed woord voor je boeken over.
“Arie is een lul. Sinds het succes van De langverwachte kan hij niet meer positief over mij schrijven. En waarom niet? Omdat hij jaloers is op mijn succes. Zo werkt dat in het literaire wereldje. En Jeroen? Wat hij over mij schrijft, accepteer ik volledig. Hij houdt gewoon niet zo van mijn manier van schrijven. Dat kan.”

In een van zijn recensies suggereerde Vullings min of meer dat jij de Libris Literatuurprijs voor De langverwachte te danken hebt aan je niet-westerse achtergrond. Stoort dat soort opmerkingen jou?
“Altijd als iemand met een niet-westerse achtergrond een prijs wint, hoor je van dit soort opmerkingen. Racistische opmerkingen. En ze komen er nog mee weg ook.”
Amber, nog steeds balancerend op de schoot van haar vader, laat merken dat ze honger heeft. De schrijver warmt een flesje melk op.
Met een tevreden lurkende dochter in zijn armen: “Natuurlijk heb ik die prijs niet gewonnen vanwege mijn huidskleur, maar omdat ik een goed boek heb geschreven. Maar Jeroen denkt daar misschien anders over, want tijdens de uitreiking van de prijs was hij de enige aanwezige die mij niet heeft gefeliciteerd.”

In dezelfde maand dat je dochter geboren werd, september 2015, werd de wereld geschokt door een foto van een aangespoelde dode peuter. Hoe keek je daar als aanstaande vader naar?
“Gek genoeg deed dat beeld me helemaal niets. Ik was er helemaal niet mee bezig. Het enige wat ik dacht was: wat kunnen ouders die een kind krijgen toch harteloos zijn.”

Hoe kwam dat?
“Ik wilde denk ik, juist op dat moment, de wanhoop van die ouders niet voelen. Maar ik wilde ook niet meedoen aan de massahysterie. Je ziet dat beeld, en je weet: over vijf minuten spoelt er weer ergens een jongetje aan, een jongetje dat niet wordt gefotografeerd. Schokkende beelden roepen een soort pavlovreactie op: we hopen continu op iets dat nóg erger is, want dan zal het probleem wel opgelost worden. Die hoop is vals en houdt ons gevangen.”

Hoe kijk jij naar de vluchtelingencrisis?
“Ik zit niet in het kamp van mensen die zeggen dat vluchtelingen hier niet welkom zijn, maar ook niet in het kamp van mensen die zeggen dat we ze met open armen moeten ontvangen. Ik denk namelijk dat er heel veel gelukzoekers tussen zitten. Mensen die ‘geluk’ zien als iets dat van volk op volk wordt overgedragen, en zich graag aan ‘ons geluk’ komen warmen. Ik ken verhalen van mensen die vanuit Marokko naar Turkije reizen, om vanaf daar de oversteek te maken naar Europa en daar soms tienduizenden dollars voor neertellen. Omdat ze weten dat het een investering is die ze terug kunnen verdienen. Ze hebben wel geld maar geen toekomst. Ik weet ook zeker dat de mensen die hier komen niet de mensen zijn die onze hulp het hardst nodig hebben. Want die zijn of dood, of achtergebleven.”

Hoe lossen we dit probleem op?
“We kunnen gewoon niet iedereen binnenlaten. Dat kan gewoon niet. We moeten streng zijn.”

Ondertussen wordt de sfeer steeds grimmiger. Er gaat geen week voorbij of er is heibel om asielzoekers.
“Vind je? Ik vond de sfeer in de jaren negentig veel grimmiger, toen al die Bosniërs, Joegoslaven en Algerijnen naar ons land – en dus ook naar Rotterdam – kwamen. ‘De vluchtelingen nemen de straat over’ en ‘Je bent je leven niet meer zeker’ werd er toen gezegd. Nu staan we weer voor een ‘apocalyptische situatie’ maar de sfeer is minder grimmig dan toen.”

Maar de protesten zijn wel heviger.
“Dat komt door het populisme. Het ergste van de vluchtelingen die deze kant op komen is niet dát ze komen, maar dat ze zeggen: we willen jullie taal leren! We willen jullie land leren kennen! We willen net zo worden als jullie! Racisten zijn niet bang voor de migrant, maar voor de ingeburgerde migrant. Want die komt te dichtbij. Een vreemdeling met een snor en rare kleren is gewoon een migrant. Daar kun je alles over zeggen, want daar kom je mee weg. Maar een vreemdeling die jouw taal spreekt: that’s fucking scary. Op het moment dat mensen geassimileerd raken, begint de genocide.
“De harde waarheid is dat een samenleving zonder racisme geen samenleving kan zijn. Racisme is een natuurlijke reflex. Zonder racisme zou onze samenleving uit elkaar vallen. Mensen baseren hun groepsgevoel uiteindelijk op uitsluiting van de ander. Het echte probleem is dat we nu de hele tijd doen alsof racisme niet in onze samenleving hoort. Fout. Is racisme iets onwenselijks? Ja, natuurlijk. Maar een samenleving zonder racisme bestaat niet. Het enige wat ik als ouder kan doen om mijn dochter daartegen te beschermen, is haar daarop voor te bereiden. Ik kan niet voorkomen dat ze met discriminatie te maken krijgt. Ik kan ook niet voorkomen dat het haar pijn zal doen. Maar ik hoop dat ze, wanneer ze ermee te maken krijgt, begrijpt dat het niet om haar gaat, maar om de voorstelling die mensen van haar hebben. De enige oplossing, en dat klinkt heel stom, is om het niet te zien. Bewust niet te zien. Dan sta je erboven.”

Dat is een droeve les.
“Dat is een heel droeve les! Maar het is echt de beste oplossing.”

Is het een bewuste keuze om steeds meer tijd door te brengen in Tanger?
“Toen Saïda en ik een aantal jaren geleden een rondreis maakten door Zuid-Amerika – een continent dat in heel veel doet denken aan het Marokko uit onze jeugd – zag ik pas hoeveel van mijn identiteit onder het stof was geraakt. En dat is niet goed. Die laag stof moest eraf.
“Toen kwam ik in Tanger en dacht: dit is het. Dit is zowel de nieuwe als de oude wereld, dit is identiteit en geen identiteit, dit is zowel Middellandse Zee als Atlantische Oceaan. Dit is wie ik ook ben.”

Hoe was die laag stof daar gekomen?
“Omdat ik die Marokkaanse identiteit steeds had verdrongen. Ik zag die toch als inferieur. Ik verlangde naar erkenning, naar acceptatie door de elite, naar acceptatie door de mensen om mij heen. Daar had ik dat Marokkaan-zijn niet voor nodig. Het Nederlanderschap: daar wilde ik naartoe. Want als je er eenmaal bij hoort, zijn alle problemen opgelost, dacht ik. Maar op het moment dat je erbij hoort, beginnen de problemen pas.”

Had je niet het gevoel dat je jezelf had verloochend?
“Ja. Je hebt het gevoel dat je iets aan het onderdrukken bent. Op een gegeven moment kwam die discussie over het dubbele paspoort. Die discussie of je een Marokkaan was of een Nederlander. Ik gaf in die periode een lezing in Gorinchem. Na afloop mochten mensen mij vragen stellen over wat ik had verteld, maar het ging er alleen maar over of ik mijn dubbele paspoort ging opgeven of niet. Mensen werden zelfs agressief! Ik schrijf dat ook in de brief aan mijn dochter: mensen zullen altijd jaloers op je zijn. Mensen zullen je altijd wantrouwen: waarom geef je die tweede cultuur niet op? Wij geven haar in ieder geval beide culturen mee. Toen we dat besloten, schonk ik mijzelf het leven terug. Ik ben én Nederlander én Marokkaan. Ik ben allebei. Waarom zou ik me daarvoor moeten verantwoorden?”

Trek je je de problemen met de zogenaamde kut-Marokkanen niet aan dan?
“Waarom wordt mijn naam altijd gekoppeld aan redelijk platte issues, zoals die kut-Marokkanen? Waarom word ik altijd opgeroepen als woordvoerder van die mensen? Mijn verhaal is anders.”

Andere vraag: ben je meer Marokkaan dan vijf jaar geleden?
“Absoluut. Zeker ook omdat ik nu een deel van het jaar in Marokko woon. Maar laat ik het zo zeggen: ik ben heel erg Marokkaan en heel erg Nederlander. Het Nederlander zijn geeft me veel houvast, maar het Marokkaan zijn geeft dat ook. Ik koester beide. Ik hoop dat zowel het gevoel ‘Nederlander zijn’ als ‘Marokkaan zijn’ de komende jaren alleen maar sterker wordt. Ik hoop niet dat er om politieke of demografische redenen een kink in de kabel komt.”

Wat bedoel je daarmee?
“Dat je depressief raakt van het Nederlanderschap. Dat je het Nederlanderschap als minderwaardig gaat zien. Dat je zegt: het Nederlanderschap is voor mij niets meer waard, want ik wil me niet verwant voelen aan de kaalkoppen die de asielzoekerscentra bestormen. Dat je je voor je eigen land gaat schamen. Dat gebeurt nu al een beetje. Ik weet niet hoe ik in het buitenland over Nederland moet vertellen. In de jaren negentig was iedereen altijd positief over ons land. Als ik nu in Marokko over Nederland spreek, krijg ik alleen maar vragen over de terreur en discriminatie hier. Dat is niet mijn Nederland, denk ik dan. Dan schaam ik me voor ons land.”

Wordt dat gevoel erger?
“Dat gevoel wordt alleen maar erger. Er komt geen eind aan. Drie jaar geleden – toen de PVV over haar hoogtepunt heen leek te zijn – dacht ik dat we het ergste wel hadden gehad. Maar dat bleek niet zo te zijn.”

Hoe eindigt dit?
“Ik denk dat het alleen maar erger wordt. Terreur zal zijn weg vinden naar Nederland. Er zullen aanslagen komen, dat kan niet anders. De terroristen komen. We staan in hun agenda. Als ze een aanslag willen plegen in Amsterdam of Rotterdam, dan doen ze dat gewoon. Die jongens zijn zo geraffineerd, zo goed voorbereid. We gaan geen leuke tijd tegemoet.”

Waren de aanslagen in Parijs in die zin nog maar een begin?
“Ik vrees het. De dag na de aanslag in de Bataclan gingen we de stad in. Ik voelde angst. Ik dacht: ik weet niet of ik nog wel in zo’n klimaat wil leven. Dat gevoel ebt na een tijdje weer weg. Tot de volgende aanslag plaatsvindt. Wat we niet goed genoeg merken, is dat de afstand tussen bevolkingsgroepen toeneemt. Minderheden voelen zich inferieur. Wij weten nog lang niet hoe diep dat gevoel zit. Zolang we daar doof voor blijven, zal er niet veel veranderen.”

Wanneer is het hek van de dam?
“Als de overheid zonder aanleiding mensen gaat arresteren. Dan zijn we echt het haasje. Met de noodtoestand in Frankrijk gebeurt dat nu al. De politie mag mensen zonder gerechtelijk bevel onder huisarrest plaatsen. Zonder aanleiding huizen binnenvallen. Voor de terroristen ben ik niet bang. De kans dat je door de bliksem wordt getroffen, is groter dan dat je door een terrorist wordt vermoord. Maar dat de overheid daarop gaat reageren door de basisrechten terug te draaien… dan werk je toe naar een echte oorlog. Een koude oorlog.”

Ben je bang dat je dochter iets overkomt?
“Tegen het fundamentalisme kan ik haar nog wel beschermen. Maar ik ben heel bang dat ze de Verenigde Staten straks niet meer in komt omdat ze een Arabische achternaam heeft. Iraniërs met een Europees paspoort komen nu bijvoorbeeld Amerika al niet meer in. Die enge mannen met baarden hou ik wel bij haar weg. Maar hoe kan ik haar beschermen tegen de overheid? Daar ben ik wel bang voor.”

Is Marokko in die zin een veiliger land om in te wonen dan Nederland?
“Absoluut.”

Zou je overwegen om je in Marokko te vestigen als het hier verder escaleert?
“Eigenlijk wel, ja. We hebben daar al een appartement. En je behoort daar tot de meerderheid. Dat is ook wel lekker. Maar als er één land is waar je op het oog heel welkom lijkt, maar waar je als het erop aankomt niet welkom bent, is dat Marokko. Ook daar blijven wij altijd mensen van buitenaf.”/

Op 5 april verschijnt Brief aan mijn dochter (De Arbeiderspers) van Abdelkader Benali.