Antoine Demoitié en de (on)wenbare werkelijkheid

Sommige dingen wennen niet. Op paaszondag stopte de trein in Rotterdam, eindpunt. In het halletje verdrongen de mensen zich in wie de angst woekert dat – wanneer ze nalaten uit te stappen op het eindpunt – een verduisterde trein hen zal meevoeren naar een rangeerterrein ver buiten de stad, een plek zonder paal om uit te checken.

De deuren werden ontgrendeld, het nerveuze knopdrukken van een jongen in een Bayern München-trainingspak (dat begint te wennen, dat jongens zich zonder een spoor van ironie in een Bayern München-trainingspak de straat op wagen) werd beantwoord en de paasstorm drong zich het halletje in. Zij die hun overstap moesten halen, sprongen het perron op en draafden richting roltrap, langs een gapende, met zwaar geschut omhangen agent (want zelfs dat went). Daarna was het de beurt aan een ‘jonge moeder’ (dat wil zeggen: een moeder jonger dan ik, en lang niet iedere moeder jonger dan ik is volgens de gangbare definitie van het begrip een ‘jonge moeder’) om zich met buggy aan de ene en een optimistisch gekuifde kleuter aan de andere hand zonder letsel het vasteland te bereiken. Dat ging er, en hier spreekt de specialist, zeldzaam onhandig aan toe. Na wat inleidend gehannes tilde een Old Spice-achtige heer plots in een zwaai de buggy met inhoud op het perron en zijn echtgenote – flink besproeid met een zware bloemengeur – greep het jongetje bij de hand en liet hem veilig afdalen.
Tijdens een van die reuzenstappen keek het jongetje opzij, naar die hulpvaardige reuzin met de parel, en vroeg, met de voorzichtige interesse van iemand die graag iets nieuws wil leren, maar liever bij z’n moeder blijft: ‘Mag ik nou met jou meelopen?’
Het is ondoenlijk om een geluid tot in detail te beschrijven. Je kunt het wel doen, je kunt de tonen en de trillingen in woorden trachten na te bootsen, maar geen enkele lezer zal horen wat jij hoorde toen je het geluid omschreef. Het is bijna net zo moeilijk om geluiden met elkaar te vergelijken. Toch weet ik vrij zeker dat ik zelden zoiets moois heb gehoord als dat jongetje, zondag, tegen die kordate dame. Er zat hoop in die woorden, in die toon. Dat ene zinnetje monterde me enorm op.
Eenmaal op het perron bedwong ik mezelf om te kijken, alsof ik bang was dat de betovering van dat stemmetje verbroken zou worden door ik-weet-niet-wat.

Demoitié en Myngheer
Ik kan niet precies uitleggen waarom ik dit hier opschrijf. Dit is een sportstukje, een hoekje waarin de hoop vaak welig tiert. Hoop is de brandstof van de sport, er is altijd meer dan genoeg van voorhanden.
Een paar uur na het jongetje op Rotterdam CS zag ik Peter Sagan Gent-Wevelgem winnen. Peter Sagan wordt vaak tweede, maar hoopt iedere keer opnieuw dat hij ook eens eerste mag worden. Een opgewekt soort hoop is dat, zoals iedere nieuwe tweede plaats een overzichtelijk soort teleurstelling is. De hoop en de teleurstelling van Sagan wonen binnen de sport, ze lijken op de hoop en de teleurstelling in het echte leven, maar zijn er een soort 3D-print van.
Soms dringt het leven met geweld de sport binnen, vaak in de vorm van de dood. Zaterdag werd de Belgische coureur Daan Myngheer onwel tijdens een wedstrijd. Hij stierf twee dagen later. Nog geen 24 uur na Myngheers ongeluk ging Antoine Demoitié onderuit, in Gent-Wevelgem.
Samen met hem vielen vier anderen.
Vallen hoort bij de sport, het gebeurt om de haverklap.
Wennen aan vallen lukt geen mens.
Een passerende motor kon hem niet meer ontwijken. Ik kan niet tegen valpartijen, en al helemaal niet tegen valpartijen waarbij gemotoriseerde medeweggebruikers betrokken zijn. De val van Scott Sunderland, die ooit in de Amstel Gold Race werd aangereden door Cees Priem, haal ik me nog steeds op ieder ongewenst moment voor de geest. De koers is geen droomwereld waarin alleen binnen de grenzen van het spel gevallen wordt. Aan die wetenschap wen ik vermoedelijk nooit.
De daaropvolgende nacht stierf Demoitié (25, pas getrouwd) in het universitair ziekenhuis van Lille. Toen ik het las, werd ik misselijk. Normaal gesproken zouden mijn gedachten zijn afgedwaald naar familie, naar vrienden en ploeggenoten. Naar alle ongelukken met renners en motoren die in een afgesloten kastje in mijn geheugen liggen opgeslagen, naar de angst voor ongelukken, naar angst in het algemeen, naar mijn vader die zo vaak zegt dat het ‘een wonder is dat er niet meer ongelukken gebeuren’. Met ieder ongeval wordt het wonder een beetje geloofwaardiger, en verwijdert de hoop zich weer wat verder van de werkelijkheid.

Mijn gedachten namen maandag, na het nieuws over Demoitié, op eigen gezag een andere route. En dinsdagochtend, na het nieuws over het overlijden van Myngheer, nog eens. Ze kenden de weg inmiddels. Ik dacht aan de stem van het jongetje. Hoop in een doosje. Zo werkt mijn hoofd dus: als ik niet aan iets ontstellend verdrietigs kan wennen, leg ik er een filter overheen van iets moois waaraan het evenzeer moeilijk wennen is. De wanhoop krijgt een zachte gloed en wordt zo een beetje wenbaar.