De overzichtelijke tragiek van Steven Kruijswijk

Als Harry Mulisch nog had geleefd en vrijdagmiddag tussen Maarten Ducrot en Joris van den Berg gezeten had, dan hadden we het misschien allemaal wat beter aangekund. Mulisch had het onbegrijpelijke begrijpelijk gemaakt. Sowieso was het fijn geweest, Harry in zo’n commentaarhokje, al was het maar om het moment dat hij zou zeggen: ‘Mijn vader fietste graag, mijn moeder heeft zelfs wel eens een fiets voor haar verjaardag gehad. Ik ben de fiets.’
Maar niks geen relativering, vrijdag. De gifbeker was een longdrinkglas en of we maar even flink op het rietje wilden zuigen.

Lang leek het onmogelijk dat Steven Kruijswijk de Giro zou winnen, daarna was er plots een waterkansje, vervolgens werd dat waterkansje een serieuze mogelijkheid en net op de top van de berg waar de serieuze mogelijkheid zich tot een soort bescheiden zekerheid materialiseerde, bleek het toch weer onmogelijk. Om Moppersmurf te citeren: ik haat ronde cirkels.
Over dertig jaar zal iedereen die het zag nog weten waar hij hem zag. De Val. In mijn geVal: keukentafel, Utrecht-centrum, mok Russian Earl Grey binnen handbereik, want hoe meer de coureurs op televisie lijden, hoe gemakkelijker ik het mezelf maak. Dit vanwege het kosmisch gemaksevenwicht. Dus als Steven Kruijswijk zich op drieduizend meter hoogte tussen manshoge sneeuwwanden moet verweren tegen een clubje geniepige Zuid-Europeanen, dan neem ik het er thuis nog een beetje extra van. Koekje erbij, en nog een – alles voor Steven. Hij kon het gebruiken.

Iedereen moet zich nu herpakken. Ook Kruijswijk
Een van de verslaggevers van de NOS zal over dertig jaar moeten zeggen dat hij in Nuenen was, werkend aan een van die traditionele achtergrondreportages bij grote sportprestaties, waarin de totstandkoming van het Rode Gevaar werd geduid aan de hand de jeugd. In het geval van de Kruijsmeister: twee hoogbejaarde, glanzende heren die waren opgetrommeld om in het koffiedik van Stevens in de kiem gesmoorde voetballoopbaan de uitkomst van de Giro te lezen. Conclusie: de klassementsleider was een duvelke geweest, een rooie en een baaske, en hij was eens ingebracht bij een 2-0 achterstand en toen was het dus nog 2-5 geworden, dus dan wist je het wel.
(Ik dacht meteen: waarom zet je een jongen die zo belangrijk is er überhaupt naast, maar goed, die misser zal volgens de Nuenense voetbalwetgeving waarschijnlijk al wel verjaard zijn.)
Net toen de koffie in Nuenen bijna doorgelopen was, lag Steven op z’n rug in de sneeuw, als een panda met een goeie dag. In de herhaling zagen we wat er gebeurd was: een salto waar je in meerdere sportonderdelen kwalificatie voor de Spelen mee zou kunnen afdwingen, bam, in een ijzige witte massa en daarna klats met de rug op het asfalt.
‘Nooit lachen voor de bok geschoten is,’ mompelde een Brabantse voetbalpensionado.
‘Doorfietsen!’ gilde ik. ‘Staan en fietsen! Hup: op die fiets! Niet aanstellen! Die fiets is wel goed, laat staan dat stuur! Kom op, man! En rustig blijven, Kruijswijk!! Rus-tig!!’
En Maarten Ducrot (de vervanger van Mulisch) zei: ‘Iedereen moet zich nu herpakken. Wij, maar vooral Kruijswijk.’
Even later zoomde de camera in op een bergbeekje. Wat lag daar? Was dat een vergeten butagasstelletje? Een oude tent?
Nee, het was de nummer tien van het klassement, de Rus (Tataar, zou Renaat Schotte zeggen) Ilnur Zakarin.
Ik nam een slokje van mijn thee, maar die was nog te heet. Koers is afzien.

‘Wat kerm je toch,’ zei de vriendin die avond, ‘Hoe kan ik ooit onze China-expeditie plannen als jij er als een Russische tennisster doorheen kreunt?’
Ik kon niets terugzeggen: ik hing overdwars op de bank en staarde in een Girozegeloos gat.
De vriendin informeerde of ik misschien een beetje teleurgesteld was.
Ja, dat kon je wel zo zeggen ja. Ik had net nog Steven Kruijswijk – toch een beetje mijn Steven Kruijswijk, al zouden er ongetwijfeld mensen zijn die dachten dat het ook een beetje hun Steven Kruijswijk was – in het Sportjournaal een trap zien afdalen als een oude piraat. De Lottoballen op zijn borst lagen er bleek bij en of hij morgen überhaupt nog van start ging, was nog onduidelijk.
‘Je zei toch dat hij een verhaal miste?’ zei de vriendin. Ze rochelde en kwatte een fluim op de vloer, ze is geestelijk al een week of twee in De Verboden Stad. ‘Nou, hier heb je je verhaal.’
Dat krijg je dan. Al dat geleuter van mij over wielrennen als grootse literatuur, over de kracht van verhalen en drama en tragiek, over de koers als het leven, en dan ligt er een Nederlander op kop en dan valt hij zich een breuk.
‘Ik had het prima zonder verhaal gered dit keer,’ antwoordde ik, maar volgens de vriendin kon je verhalen niet selecteren zoals het je beliefde.
‘Vind je het dan niet ongelofelijk tragisch,’ informeerde ik. ‘Hemeltergend afschuwelijk? Vergelijk het met jezelf: je schrijft een fenomenale roman, een verrukkelijk boek, een zekere prijswinnaar, een vijfsterrenkanjer en dan net voor je op save drukt, houdt de laptop ermee op. Geen back-ups, niks, nog geen opzetje is er bewaard gebleven. Hoe zou jij je dan voelen?’
‘Je verwart me met jou,’ zei ze. ‘Ik schrijf niet.’ Nee, de vriendin vond het allemaal niet ongelofelijk tragisch. Sneu, ja, dat wel. Voor die jongen en voor zijn vriendin – die nog steeds wel een nieuwe keuken kon uitkiezen, maar nu misschien wel zonder het duurste zwart marmeren aanrechtblad – en voor zijn ouders vond ze het ook erg sneu. ‘Je kind zo zien kletteren, dat is erg. Echt erg. Al het andere is erg binnen de grenzen van de sport. Overzichtelijke tragiek.’
Even later kwam ze ook nog met het woord “loutering” op de proppen.

Overzichtelijk
Dat weekend dacht ik nog af en toe aan dat begrip. Overzichtelijke tragiek.
Zondag eindigde de Giro, met een etappezege van Giacomo Nizzolo. Nizzolo was al een keer of 720 tweede geworden in de afgelopen jaren, maar gewonnen had hij nooit. Als hij eens een sprint won, reed er altijd nog wel een verdwaalde gek voorop. Nu, eindelijk, won hij. Stralend als een schijnwerper verscheen hij voor de camera’s, maar op het podium verscheen hij niet. Nizzolo werd gediskwalificeerd, hij was van z’n lijn afgeweken.
Tragisch, had ik kunnen denken, als ik intussen niet beter wist.
Een dag eerder was de Belgische renner Stig Broeckx betrokken bij een ongeluk in de Ronde van België. Een stomme val. Sindsdien lag hij in coma.
De berichten uit het ziekenhuis waren weinig hoopgevend.
Onderwijl stond Steven Kruijswijk bij Dione de Graaff.
‘Staat hier een gelukkig mens?’
‘Ik ben sowieso wel een gelukkig mens.’
Kruijswijk en Nizzolo, het was overzichtelijke tragiek. Verdriet op de diffuse grens tussen sport en wereld, tussen fictie en werkelijkheid. Die grens, die hoort bij de koers, die maakt wielrennen zo ontzettend de moeite waard. De zorgen om Stig Broeckx waren die grens overgestoken, het spel was ernst geworden. Ja, wielrennen lijkt op het leven, maar als het te levensecht wordt, is de lol er ook in een klap vanaf.