Het droomelftal van Johan Cruijff is een nachtmerrie

In zijn autobiografie stelt Cruijff zich op pagina 243 ineens heel kwetsbaar op. Wat hij maar ten dele doet bij de kwesties-Michels, -Van Gaal, -Piet Keizer, -Ajax (meerdere), -Barcelona (meerdere), -WK1978 en nog zowat aangelegenheden waarover het laatste woord ook na Mijn verhaal nog niet is gezegd, dat doet hij in een van de laatste hoofdstukken plotseling geheel. Cruijff formeert zijn ideale elftal aller tijden. Een dream team waar, als ik zo vrij mag zijn, wel iets op aan te merken valt. Afgaande op de tekst moet Cruijff het zo bij elkaar hebben gedroomd:

Keizer Maradona Pelé Garrincha

Charlton Guardiola Di Stefano

Krol Beckenbauer Carlos Alberto

Jasjin

Het merkwaardige is dat zijn fantasie-elftal niet voldoet aan de eisen die hij zo vaak heeft gesteld om tot goed voetbal te komen. Cruijff vond altijd dat het juiste samenspel pas ontstaat met balveroveraars, met brekers op het middenveld, want als je de bal niet hebt, kun je ook niet scoren. Dat is logisch. Zo haalde Cruijff als Ajaxtrainer in de jaren tachtig balafpakker Jan Wouters van FC Utrecht naar Amsterdam en mocht de frivole opbouwer Gerald Vanenburg naar PSV vertrekken. Cruijff was dol op types-Jan Wouters. Maar de man die voor hém altijd de ballen veroverde, Johan Neeskens, die ontbreekt hier. Natuurlijk droomt een beetje liefhebber weg van Guardiola vlak voor de verdediging. Maar wie bezorgt Pep de bal om met passjes te kunnen strooien?

Verder gaat Cruijff ervanuit dat de spelmakers Alfredo Di Stefano (Real Madrid jaren vijftig) en Bobby Charlton (Manchester United jaren zestig) zich zullen uitsloven voor de grillige buitenspelers Piet Keizer (Ajax jaren zestig) en Garrincha (Botafogo jaren vijftig en zestig). Lijkt me niet zo waarschijnlijk.

Ook vreemd: Diego Maradona (Barcelona en Napoli jaren tachtig en negentig) zet hij ‘voorin’, ik neem aan als nummer tien achter Pelé. Maar hoewel Cruijff de uitvinder is van de schaduwspits, speelde hij veel liever zonder een aanvaller achter de nummer negen. En vermoedelijk zou Maradona zijn steekpassjes liever aan de hier ontbrekende Lionel Messi hebben gegeven dan aan — que? — Keizer uit Holland.

Achterin staan maar drie mensen, met in het hart opbouwer Franz Beckenbauer (Bayern München, jaren zeventig). Geen stopper te bekennen. Geen Georg Schwarzenbeck die vroeger de ballen voor Beckenbauer wegkopte. Geen type-Jaap Stam, zelfs geen Ronald Spelbos die destijds beslist naar Ajax moest komen van Cruijff, voor het evenwicht dat in dit team ver te zoeken is.

Dit is een kwetsbaar droomelftal, een verzameling genieën die mogelijk aan alle kanten voorbij zou worden gelopen. Dit zou best in een nachtmerrie kunnen eindigen. Tenslotte zou de tegenstander niet de fabelhaft complete Manuel Neuer moeten zien te passeren, maar de archaïsche doelman Lev Jashin (Dinamo Moskou jaren vijftig en zestig).

Misschien is het daarom dat Johan Cruijff iemand níet opstelde die ik absoluut en altijd het veld in zou hebben gestuurd, al was het maar om deze ego’s aan elkaar te praten. Inderdaad: Johan Cruijff.