Jij, Christijn

Als je je wilt omdraaien in bed, moet je op een bel drukken. Dan komen er twee meisjes. Duitse meisjes.
Verpleegsters.
Samen duwen zij je op je andere zij.
Min of meer alles in je lichaam is kapot. Ze hebben het voor je opgesomd, er kwam geen einde aan. Allemaal blessures die op zichzelf al genoeg moeten zijn voor de term ‘ernstig gewond’. Het slechte nieuws komt en gaat, in getijden. Soms een golf, soms kabbelt het maar wat, maar het is er voortdurend, als het geruis van de branding in een hotel aan zee.
Gerard Kemkers is je komen bezoeken, hier in Klinikum Traumstein. Hij zat aan je bed, je zag iets in zijn blik wat je niet meteen thuis kon brengen, omdat het iets is waar je in topsport niets aan hebt. Je weet nog hoe hij zijn hand op je been legde, je zag het hem doen, je zag heel duidelijk dat zijn palm en zijn vingers op je dij rustten. Je wist wat je moest voelen, je kon je het gevoel van een hand op je been opeens zo levendig herinneren dat het bijna leek alsof–…
‘Voel je mijn vingers?’ vroeg hij zacht.
‘Nee.’
Je voelt niets meer vanaf je middel, sinds die fucking val voel je helemaal geen snars meer daar. Heel soms vergeet je het even. Dan lijk je verdrietig zonder reden, zoals je wakker kunt worden op je trouwdag terwijl je even vergeten bent waarom je zo vrolijk bent. Die momenten zweven in de mist tussen slaap en volledig bewustzijn. Lang duurt het nooit voor die mist optrekt en je het weer weet. Dat je verlamd bent. Dat je nooit meer zult schaatsen. Dat niemand durft te voorspellen of je ooit überhaupt nog rechtop kunt zitten.
In Nederland ben je groot nieuws, zeggen ze.
Zal best.
Er komt een cameraploeg op bezoek. Mensen stellen vragen. Opschrijfboekjes, opnameapparaatjes. Je geeft de antwoorden die iedereen wil horen. Je bent strijdbaar. Binnen een paar maanden schaats je weer, denk je. Journalisten reconstrueren de val, interviewen getuigen, schrijven over je Nederlands Kampioenschap op natuurijs.
Het Veluwemeer. 25 januari 2013. Dik anderhalf jaar terug. Of, in je nieuwe jaartelling: 1 jaar en tien maanden voor De Val.
Iedereen die schaatst, valt. Vallen hoort bij de sport, zoals je schaatsen slijpen en je armen losgooien voor de sprint. Zomaar een training, zomaar een glijer. Dit, deze keer, dit was anders. Dat voelde je zodra je voorover op de ijsvloer klapte.
Je bewoog niet meer.
Je lag daar maar, in je schaatspak. Doodstil. Een hoopje bij elkaar geveegde confetti na een feest. Je merkte de paniek, je hoorde de afgemeten stemmen die zich boven je in elkaar vlochten. Je voelde de kou door je lijf glijden, je moest opstaan, maar je wist dat dat niet ging. Je wist alleen nog niet waarom, toen.
Nu zeggen ze: je was zo kalm, toen. Op het ijs, op de brancard, in de traumaheli. Ze zeggen: je was zo ongelofelijk kalm.

Na Klinikum Traumstein Heliomare. Revalideren. Of: een puzzel leggen van honderdduizend stukjes van een blauwe lucht, en niet weten of alle stukjes in de doos wel bij die puzzel horen.
Je bent een patiënt nu, een slachtoffer. Je oogt anders. Je oogt als een schaatser met een lastige blessure. Iedere oefening een training, iedere stap een stap vooruit. Revalidatie als topsport.
Eerst leer je rechtop zitten. Lukt. Dan lopen. Lukt, zij het moeizaam. Met stangen aan weerszijden zet je je eerste stapjes. Een baby van begin dertig. Soms lijk je een dronkaard die zich aan de leuning van de gracht vasthoudt op weg naar huis. Doet er niet toe: je bent onderweg. Iedere stap een stap vooruit. Zonder stangen nu, met verzwaarde laarzen. De filmpjes zet je online. Ze zeggen: doorgaan, niet opgeven.
Alsof je dat van plan was. Alsof dat überhaupt een mogelijkheid was.
En terwijl je vooruitgaat, dringt het besef door dat het te traag gaat. Dat je een ex-schaatser geworden bent.

Dan: een nieuwbouwwijk in Heerhugowaard. Hier wonen je ouders, en jij nu ook weer. Een jongenskamer voor een volwassen man. Je gaat vooruit, maar blijft nog altijd hulpbehoevend. Je komt mensen tegen. Mensen uit het schaatsen, mensen van vroeger, vreemden. Ieder gesprek stopt bij dezelfde haltes. Hoe het gaat. Of je het volhoudt. Wat de vooruitzichten zijn. Enzovoort. Tien, honderd, vijfhonderd keer. Niets dan vriendelijkheid, allemaal goedbedoeld.
‘Ja, gaat wel goed hoor.’
De eerste keer dat je weer naar Thialf gaat, komen de zenuwen. En ze komen met velen. Je wordt analist. Grijs en roerloos ligt de hemel boven jou en de Afsluitdijk.
Op de stadionparkeerplaats pak je je rolstoel uit de achterbak. Zo meteen ga je hier zo rollend naar binnen. Even later, bij de races, zit je vooraan. Achter een hek. Wanneer Sven Kramer je ziet, daar, breekt er een lach door op zijn soms zo harde gezicht.
‘Chrissie!’ roept hij.
Later zullen ze je vragen of je het leuk vond om weer deel uit te maken van die wereld. Je zult dan een lange stilte laten vallen, alvorens schoorvoetend te bekennen dat je andere dingen nu misschien wel iets leuker vindt.

Je doet denken aan Remco Campert. Die leest, in een documentaire over zijn leven waar de schemering langzaam maar zeker begint in te vallen, een beroemd gedicht voor van eigen hand. In dat gedicht, ‘Poëzie is een daad’, is de taal de motor, de onzichtbare hand die de dichter voort duwt, ‘aarzelend soms’. De eerste strofen gaan als volgt:

Poëzie is een daad
van bevestiging. Ik bevestig
dat ik leef, dat ik niet alleen leef.

Poëzie is een toekomst, denken
aan volgende week, aan een ander land,
aan jou als je oud bent.

Poëzie is mijn adem, beweegt
mijn voeten, aarzelend soms,
over de aarde die daarom vraagt.

Voltaire had pokken, maar
genas zichzelf door o.a. te drinken
120 liter limonade: dat is poëzie.

Vul voor ‘poëzie’ trouwens gerust wat anders in.
Schaatsen. Lopen. Beter worden.
Wat jij wil.

Klik op onderstaande afbeelding om de documentaire Vallen en opgestaan terug te zien.