Catootje is dood

Dromen en bedrog, speed, xtc en eenzaamheid – de Boulevard of Broken Dreams van een Tilburgs tienermeisje.

Ze had zichzelf als het ware opgebaard. Rondom haar bed stonden theelichtjes, die nog nasmeulden toen een vriend haar vond. Op een kastdeur een afscheidsboodschap, zacht beschenen door de kerstverlichting. Naast haar in bed een knuffel en een foto van dertien jaar geleden, toen het leven nog goed was: het portret van een beeldschone kleine violiste met de priemende ogen van een kind dat weet wat het wil.

“Dat was Catootje ten voeten uit,” zegt haar moeder. “‘Ik weet wat ik wil en ik bereik wat ik wil’ – hoe vaak ik haar dat niet heb horen zeggen.”

Die zevende december 1996 was Catootje uit het leven gestapt. Net negentien, en óp.

“Als ze geen drugs had gebruikt,” gelooft een goede kennis, “had ze nog geleefd.”

“Ze was al vermoord voordat ze zelfmoord pleegde,” vindt haar beste vriendin.

“De wereld heeft het je te moeilijk gemaakt,” schreef een andere vriendin op een kaartje bij de bloemen voor de crematie. “Je bent gesneuveld in jouw oorlog tegen het kwaad.”

Ik kende haar niet, maar kort voor haar dood had ik haar aan de telefoon gehad. Op zoek naar een kandidaat voor de toenmalige rubriek Liefdeleven in dit blad was ik via via op haar gestuit. Aanvankelijk had Catootje wel oren naar een interview, in tweede instantie trok ze zich terug. Maar ze had een vriendin die wilde praten en die een somber relaas deed over hoe ze het vertrouwen in mensen was kwijtgeraakt, een verhaal over dromen en bedrog, seks en eenzaamheid, drugs en leven in een waas. Hoe is het eigenlijk om volwassen te zijn? was haar laatste opmerking. Uiteindelijk wilde ook zij haar verhaal toch maar liever niet afgedrukt zien.

In die tijd zag ik Naar de klote!, een film over de housescene, die een naargeestig beeld oproept van jongeren die de leegte van het bestaan tevergeefs proberen te vullen met snelle beats en de roze wolken van de roes. De film leek een illustratie bij het verhaal dat deze kolommen niet had gehaald.


De volgende dag bleek dat Catootje er een eind aan had gemaakt.

Het huis in Tilburg stond nog vol bloemen, de 24ste december, elf dagen na de crematie. Hanneke, Catootjes moeder, wilde openbaarheid. Als het levensverhaal van haar dochter een beetje licht zou kunnen werpen op de gevaarlijk lege wereld van sommige jongeren, zou dat haar dood althans nog enige zin geven. Ze praatte, een hele dag lang, tot ze niet meer kon.

Een maand later was er een tweede lang gesprek. Ook andere mensen uit Cato’s omgeving bleken bereid mee te werken. “Ze had een boek over haar leven willen schrijven,” zegt een vriendin, “dus met de publicatie van dit artikel zou ze het wel eens zijn geweest.” Haar moeder, zoekend tussen foto’s: “Ze zou het fantastisch hebben gevonden met een grote foto in een serieus blad te staan. Topmodel zijn leek haar het einde.”

Ze was eigenlijk heel vrolijk, als kind al, buitengewoon ondernemend ook.

Catootje-cadeautje, zeiden haar ouders en broers. Anders dan de jongens trok ze weinig naar haar moeder, des te meer naar buiten, naar andere kinderen, naar logeerpartijtjes, naar het avontuur. Als ze met de buurtkinderen speelde, was zij de regelaarster. ‘De moeder van het weeshuis’, werd ze als kleuter genoemd.

Toen ze vier was, scheidden haar ouders. Het deed haar pijn. Troffen haar vader en moeder elkaar, dan vlocht Catootje hun handen ineen: ze wilde dat de twee bij elkaar bleven. Hanneke, die het initiatief tot de scheiding had genomen, voelde zich dan even schuldig als machteloos. Toen Hanneke een vriend kreeg, deed zich weer zo’n pijnlijk moment voor. “Jij bent nu mijn pappa, hè?” vroeg Catootje. “Nee hoor,” antwoordde de man lachend. Hanneke zag haar dochter krimpen en leed met haar mee, want wat het kind wenste, kon zij haar niet geven.


Op de basisschool bleven Catootjes resultaten onder de maat. Ze werd vaak gepest, herinnert een vriendin zich; de kinderen vonden haar ‘anders’. Catootje was intelligent genoeg, zeiden ze op school, maar haar blik was altijd naar buiten gericht.

Op haar zevende begon ze met vioolles, en al na een jaar bleek dat ze uit dat instrument een prachtige, volwassen toon tevoorschijn wist te toveren. De viool was vaak het eerste waar ze naar greep als ze ‘s ochtends wakker werd. “Zelf geef ik pia-noles,” zegt Hanneke. “De piano is een afstandelijk instrument, in de viool kon Cato haar gevoel beter kwijt. De viool is dichtbij, intiem, een viool houd je koesterend vast, je voelt het trillen van de snaren in je vingers, je hals, je oor. Het is ook een dramatisch, emotioneel, melancholiek instrument. De viool was haar uitlaatklep. Ze kon spelen op een manier waar ik het koud van kreeg. Zolang ik haar maar geen aanwijzingen gaf, want dan werd ze boos.”

Indicaties dat ze een probleemkind zou kunnen worden, waren er weinig. Tot in haar puberteit, want toen werd ze veel lastiger dan de gemiddelde puber. Ze kon schreeuwen en obstinaat zijn zoals nog niemand dat van haar had gezien. Vooral als haar iets werd verboden: dan werd ze des duivels en gloeide er een kracht in haar waar haar omgeving bang voor werd. Als haar moeder haar in de weg stond, vloerde ze haar letterlijk en glipte ze weg, naar buiten, naar de verlokkingen van het onbekende.

Hanneke kreeg werk. Ze was blij dat ze uit de bijstand kon; een nadeel was dat de werktijden net samenvielen met de naschoolse uren. Ze paste haar rooster aan om haar kinderen ‘s middags met de thee te kunnen opvangen, maar dat hoefde niet van Cato. Soms kwam ze niet opdagen, op andere momenten beet ze Hanneke toe dat die haar met rust moest laten.


In de brugklas van de middelbare school bleek Catootje niet te handhaven. Een intelligentietest wees op gymnasium; de school vond echter dat ze naar een categorale mavo moest en opnieuw in de eerste klas diende te beginnen. Ze verveelde zich en aardde er niet, al genoot ze na de pesterijen van de basisschool wel van het feit dat ze nu gold als een mooie meid met wie elke jongen wel verkering wou. Aardige docenten getroostten zich veel moeite om haar te helpen, maar hulp wou of kon ze niet accepteren – ze bereikte haar doelen immers wel op eigen houtje.

Dertien, veertien was ze en met halsbrekende toeren via het slaapkamerbalkon kneep ze er vaak stiekem tussenuit, naar cafés, discotheken en snookercentra. “Ze hield zich aan geen enkele regel,” zegt Hanneke. “Wees ik haar terecht, dan volgden er grote ruzies. Ik was knettergek in haar ogen, ik had geen begrip voor haar, ze wist zelf wel wat goed voor haar was. Ik heb haar eens gevraagd of ze er rekening mee hield dat haar ook weleens iets kon mislukken. ‘Ik misluk niet,’ was haar antwoord. Ik vond dat heel erg: hoe moest het dan als het ooit wél mislukte?”

De viool liet ze vanaf die tijd onberoerd. Klassieke muziek was er ook niet meer bij. Dat was niet cool, zo wilde ze zich niet tonen. “Ze zette een masker op,” vertellen haar vriendinnen nu. “Hoe rotter ze zich voelde, hoe opgewekter ze zich presenteerde.” Verder klampte ze zich vast aan vriendjes. Al liep ze de ene teleurstelling na de andere op. De eerste jongen met wie ze (op haar veertiende) naar bed ging, liet haar zitten. Ze was helemaal van de kaart, maar toen zich opvolgers aandienden, schonk ze die toch weer haar vertrouwen, om vervolgens regelmatig een knak op te lopen.


De moeilijkheden escaleerden. Catootje kwam ‘s nachts te laat en dronken thuis, daar kwamen scènes van en op een Nieuwjaarsavond liep ze weg. Via het JAC bleek ze in een pleeggezin terechtgekomen. Daar hield ze het nog geen drie weken vol – de soepelste regels waren haar nog te streng. Daarop ging ze voor een maand naar een vriendin, waarna ze voor een tijd bij haar vader introk.

Inmiddels was ze tot de bevinding gekomen dat ze als kind seksueel was misbruikt, een punt waar ze erg over inzat. Hanneke: “Wat er precies is gebeurd, weet ik niet. In seksueel opzicht was ze er in elk geval vroeg bij. Het paste bij dat avontuurlijke van haar. Ze wilde alles ontdekken, ook hoe jongens en meisjes in elkaar zaten. Dat ze daarbij een nare ervaring had opgedaan, was nooit aan haar te merken geweest: ze was altijd heel vrolijk, geen meisje dat in een hoekje zat te treuren.”

Catootje verweet haar moeder dat die haar verhaal te weinig serieus nam en niets van haar snapte, en zocht steun bij vrienden en vriendinnen. “Ze was weleens jaloers op mij,” zegt Lonneke Kuipers, met wie ze het langst bevriend is geweest. “Want ik had geen problemen en een moeder met veel begrip. Ik denk dat Cato en Hanneke dezelfde naturen waren en dat ze daarom met elkaar botsten.”

“We lijken inderdaad op elkaar,” zegt Hanneke. “Allebei overgevoelig, temperamentvol, muzikaal en afkerig van zieligheid.”

In de herfst van dat jaar – ze was inmiddels bijna zestien – ondernam Catootje haar eerste zelfmoordpoging. Ze slikte een grote hoeveelheid medicijnen, werd daar alleen maar doodziek van en fietste vervolgens zelf naar het ziekenhuis. Ze had toen een problematische relatie met X., een 21-jarige Marokkaan, die zelf ook al had geprobeerd zich van het leven te beroven.


Catootje ging opnieuw bij Hanneke wonen. Korte tijd na het voorval met de pillen waren de twee samen op een feestje. Plotseling ging Catootje naar huis; ze wilde alleen zijn. Hanneke, die het niet vertrouwde en haar achterna ging, trof haar aan in de badkamer, waar ze op een onhandige manier haar aderen probeerde door te prikken. “Ik was in alle staten,” zegt Hanneke. “Het was eerder een noodkreet dan een serieuze nieuwe poging, maar hoe moet je reageren op een kreet om hulp van iemand die geen hulp accepteert? We zijn in gezinstherapie gegaan. Maar die liep snel stuk omdat Cato niets in de psychiater zag. Ik voelde me zo onmachtig.”

Catootjes vriend werd dakloos en trok bij Hanneke in. Het stel maakte nogal eens ruzie. Achteraf hoorde Hanneke van haar dochter dat X. haar sadistisch behandelde; toen zij voorstelde hem wegens het geruzie uit huis te zetten, werd Catootje echter furieus, want haar moeder had zich niet met haar leven te bemoeien. Lonneke, haar vriendin, wist dat Catootje soms werd opgesloten en geslagen. “Hij verbood haar ook met mij om te gaan. Dat accepteer je normaal gesproken toch allemaal niet? Zo krachtig als Cato was, zo labiel was ze tegelijkertijd. Ze bleef bij die man omdat ze niks anders wist. Ze zocht toch een houvast bij hem.”

Tot X. er zelf genoeg van had en vertrok. Aanvankelijk was Catootje daar ondersteboven van, wat later zei ze hem ook niet meer te willen en bang voor hem te zijn. Hanneke ging met haar drie weken op vakantie naar Spanje. Ze waren nog geen uur thuis of X. belde op. Catootje ging werktuiglijk naar hem toe. “Hij had een soort macht over haar,” zegt Hanneke. “Hij deed me denken aan mijn vader, die me tot moes sloeg en me psychisch mangelde. Zo stond Catootje ook onder de invloed van die man. Het is kloterig dat je dat schijnbaar aan je dochter doorgeeft.”


Het zou nu niet lang meer duren. Op weg naar school werd ze door X. van haar fiets getrokken. De schooldirecteur alarmeerde de politie. Catootje liet X. weten dat ze niks meer met hem te maken wilde hebben. Hij was razend, maar droop voorgoed af.

Ze hád iets met Nieuwjaar. Was ze al eens op een Nieuwjaarsdag van huis weggelopen, op de eerste januari 1995 ging ze op kamers wonen. Dat maakte haar niet gelukkiger, want ze kon moeilijk alleen zijn, en na een paar maanden nam ze maar weer haar intrek bij haar vader. De helft van de tijd was ze bij Y., een nieuwe vriend, zeven jaar ouder dan zij, bedrijfsleider in een modezaak en handelaar in speed. Na verloop van tijd trok ze bij hem in. Op de mavo liet ze zich niet meer zien.

“Ze ging van hot naar her,” zegt haar vriendin Lonneke. “Nergens vond ze rust. Voor Catootje was het leven alles of niks. Of het nou ging om de plaatsen waar ze woonde, vrienden en vriendinnen, baantjes, of de manier waarop ze zich kleedde: ineens was ze op het ene uitgekeken en stortte ze zich enthousiast in het andere. Ze kwam over als een vastbesloten meisje dat wist wat ze wilde, maar in werkelijkheid kende ze geen standvastigheid en was het nu dit en dan dát.”

Haar aangeboren nieuwsgierigheid en de onrust die het leven haar had bezorgd, maakten Catootje ontvankelijk voor de kick en de roes van drugs; het feit dat de middelen bij Y. voor het grijpen lagen, deed de rest. Ze werd een forse gebruiker. Een naaste vriendin vertelt dat snuiven zich bij Catootje niet tot een lijntje beperkte: “Ze stak haar hele neus in de voorraad van haar handelende vriendje. Ze gebruikte volgens mij niet elke dag, maar áls ze het deed, hield ze geen maat.”


Ze snoof vooral speed; verder nam ze ook wel coke en xtc tot zich. Van de zichtbare verschijnselen die stevige speedgebruikers vaak kenmerken (zoals een opgezwollen en kapot gezicht) had zij geen last. Wel viel ze flink af, maar dat vond ze mooi meegenomen. “Ik heb haar nog gewaarschuwd dat je van dat spul moet afblijven als je niet happy met jezelf bent,” zegt Lonneke. “Maar zij was er heel enthousiast over. Het opmerkelijke vond ik dat speed eigenlijk een jongensdrug is. Meisjes vallen eerder op xtc.”

De stimulantia hadden een tweevoudige uitwerking op Catootje. Zo krachtig als ze zich manifesteerde, zo labiel was ze ook, en de drugs onderstreepten allebei die elementen van haar karakter. Gebruikte ze speed, dan voelde ze zich sterk en strak; was het pepmiddel uitgewerkt, dan verdiepte de beruchte speed-dip al haar lusteloosheid en depressiviteit. Zo kon xtc haar het gevoel geven dat iedereen lief was; de volgende dag, als al die aardige mensen elkaar niet meer zagen staan, bleek de kater extra grauw.

Na ruim een half jaar ging Catootje bij Y. weg. Hanneke: “Tegen mij zei ze dat ze hem uiteindelijk oersaai vond en dat ze geen zin meer had om zijn huishoudster te spelen. Ze kwam weer bij mij wonen, vond haar draai, maakte ook geen ruzie meer. Toen ze verliefd werd op een integere jongen, was ik helemaal gelukkig. Als ze een fijn vriendje had, was ze harmonisch en zat ze perfect in haar vel. Maar het was alsof ze zich dat zelf niet toestond. Na twee maanden zette ze van het ene moment op het andere een punt achter die relatie en begon ze opnieuw met Y. Ik zag al mijn hoop de bodem ingeslagen. Ik voelde aan dat ze de rottigheid opzocht en begreep haar keuze niet. Over dat moment heb ik een schilderij gemaakt. ‘Toen brak mijn hart’ heet het.”


Mei ’96 bleek Catootje zwanger. Haar vriend wilde geen kind, zij wel, en ze richtte bij Hanneke een babykamertje in. “Ik denk dat ze zich bewust zwanger heeft laten maken,” zegt Lonneke. “Ze wilde dolgraag een kind, om iemand liefde te kunnen geven zonder er pijn voor terug te krijgen. Maar ja.”

Maar ja, na een poos meldde ze zich ondanks afspraken met de vroedvrouw, de kraamzorg en de crèche bij de abortuskliniek. Ze had ineens ingezien dat ze niet in staat zou zijn het kind een goede opvoeding te geven. Hanneke: “Ze was ervan overstuur, maar uitte dat niet zo. Ze kon uitgelaten zijn of woedend, maar verdriet zag ik niet vaak bij haar. Alsof ze niet kon huilen – behalve dan van woede.”

Met Y. ging het weer uit. Tijdens een vakantie met haar moeder en broers had Catootje hysterische momenten. Dan wilde ze Y. bellen, eiste dat er onmiddellijk zou worden gestopt, trok aan Hannekes haren en riep: ‘Ik haat niemand zo erg als jou!’ Het grootste deel van de reis bleef ze superhumeurig. Op de terugreis zette Hanneke haar op dringend verzoek bij Y. af.

Niet lang daarna brak ze definitief met Y. Voor de zoveelste maal hervatte ze de mavo. “Op een dag kwam ze in elkaar geslagen op school,” vertelt een van haar vriendinnen. “Ze kon bijna niet lopen van de pijn. Ik heb samen met haar bliksemsnel haar spullen opgehaald op een moment dat Y. niet thuis was en ben toen met haar naar de EHBO gegaan. Een week daarna hebben we samen het Bureau Slachtofferhulp bezocht. Ze dreunde er haar ervaringen emotieloos op. Uiteindelijk koos ze ervoor aangifte te doen.”


Bij de Tilburgse politie kwam ze in contact met Leo van Rooij. Het eerste gesprek duurde een hele dag; daarna zocht ze Leo nog een aantal keren op. “Ze vertelde me haar hele levensverhaal,” zegt de agent. “Het moest nu maar eens afgelopen zijn, was haar uitgangspunt, ze wou met een schone lei beginnen.”

Catootje schonk Leo al haar vertrouwen. Het was dan ook een enorme desillusie voor haar dat Y. niet meteen werd opgepakt. De politie wilde een zorgvuldig onderzoek om de kans op veroordeling te vergroten. Maar Catootje voelde zich in de steek gelaten. “Helemaal over d’r toeren kwam ze bij mij,” vertelt haar vriendin. “Ze huilde en huilde maar. Dat deed ze vrijwel nooit. Catootje had altijd een masker op. Ze wou niet zielig doen. Als ze zich kut voelde, stond ze nóg altijd voor anderen klaar. Maar nu voelde ze zich door en door eenzaam.”

Zo’n vijf weken na de aangifte werd Y. aangehouden. Catootje raakte weer in gesprek met Leo van Rooij. “Die zaak bleef maar bij haar malen,” aldus de politieman. “Ze was heel erg bang dat ze niet geloofd zou worden, want dat was haar vaker overkomen. Ze had het vertrouwen in de mensen om zich heen verloren. Ze miste liefde, zocht iemand die wezenlijk bij haar betrokken was, en die betrokkenheid zocht ze ook hier.”

Catootje had Van Rooij tussen neus en lippen door verteld van haar eerdere zelfmoordpoging, maar daaraan toegevoegd dat ze zoiets heus niet meer zou doen. In dezelfde tijd haalden vrienden haar op een avond van het dak van een parkeergarage af. “Wilde ze echt dood of was het een schreeuw om aandacht?” vraagt een vriendin zich af. “Ik weet het niet.”


De verhouding met haar moeder bleef wankel. Toen Hanneke haar een keer berispte omdat ze zo’n tien flessen wijn had meegenomen, smeet Catootje haar sleutel door het huis, vertrok in alle staten van opwinding en liet een paar weken niets van zich horen. Daarna was er een telefoontje waarin ze eerst zei met de familie te willen breken en vervolgens toch een afspraak met Hanneke maakte. De twee zagen elkaar op woensdag 4 december. “Ik had wat sinterklaascadeautjes,” zegt Hanneke. “Het was heel gezellig. Wel had ze allerlei stormachtige plannen: ze wou het conservatorium doen, verhuizen, reizen. Ook speelde ze met het idee van een opname via het Consultatiebureau voor Alcohol en Drugs, want, zei ze, een half jaar geleden had ze veel gebruikt. En ze bleek haar hoofd te hebben kaalgeschoren. Typisch Cato: niet lang daarvoor wou ze haar haar nog lang laten groeien.”

De vrijdag daarop belde Catootje Hanneke op met de vraag of ze haar sleutel terug mocht, zodat ze de was kon doen. “Ik vind dit heel pijnlijk,” zegt Hanneke aarzelend. “Ik wou haar na dat voorval met de wijn niet zomaar weer de sleutel geven en sprak dus met haar af. We hebben een glaasje wijn gedronken en elkaar vastgehouden. Dat was de laatste keer dat ik haar levend zag.”

Een vriendin: “Ze kwam die vrijdag naar me toe en zei dat ze zich klote voelde. Ze wilde zich laten opnemen, maar deinsde daar tegelijkertijd voor terug. Ze wou weer de oude Cato zijn, clean, zonder drugs, en zag in dat ze alleen een nieuwe start kom maken door haar problemen te verwerken, maar was heel bang voor het diepe dal dat haar dan wachtte. Ze was al uitgeput, had al zoveel meegemaakt.


“Ik vond haar niet zozeer een pessimiste. Vaak wist ze het negatieve te verdringen, maar soms drukte het drie keer zo zwaar op haar. Die laatste middag hadden we het over vriendjes. Of je uit liefde of uit eenzaamheid met een jongen naar bed ging. Zo goed als altijd was het bij haar uit eenzaamheid gebeurd, zei ze. Ze voelde zich gebruikt. Soms gebruikt tegen haar zin: verkracht dus. Van haar trots beroofd. Maar ze probeerde ondanks alles te genieten. Die vrijdag ook. We hebben gepraat, elkaars beha’s gepast, zijn de stad ingegaan, hebben op de zonnebank gelegen, ergens wat gedronken, heel leuk allemaal. In lange tijd had ik met haar niet meer zo’n plezier gehad, en ik weet zeker dat dat ook voor haar gold. Er was niks aan haar te merken.”

Daags daarna werd Catootje dood gevonden. Op de ochtend van 7 december had ze zichzelf door verstikking met een plastic zak om het leven gebracht.

Het lijkt erop dat haar laatste nacht goed begon. Kennissen zagen haar in het café Extase en de grote discotheek Kadance. Ze leek niet of nauwelijks gebruikt te hebben en had plezier. Een vriend meende dat ze slechts een half xtc-pilletje had geslikt. Een diskjockey die van drie tot vijf ‘s nachts met haar praatte, vond haar ronduit opgewekt.

Z., een goede vriend, een vertrouwensfiguur, had haar naar huis gebracht. Ze zei hem toen dat ze de rest van het weekeinde alleen wilde zijn.

Een tijdje nadat Z. vertrokken was, noteerde Catootje in een schoolschrift: “Ik voel me leeg en alleen. Gatver hier baal ik van. Wanneer houdt dit KUT-gevoel nou eens op zeg.”

Ze voelde zich ziek, noteerde dat ze ‘ogen als padjes’ had, wilde een jointje, had geen hasj of weed meer in huis, dronk flink wat cognac-cola, moest overgeven.


Het schrift: “Laat me alsjeblieft niet stikken in m’n probleem. Nu niet. Nooit niet!”

Een witregel.

Dan, in grote letters:

“Ik ben sterk…

Het zal mij lukken.”

Z., die zich kennelijk ongemakkelijk voelde over Cato’s verzoek het weekend alleen te blijven, zocht haar zaterdagmiddag op. Hij had het aanvankelijk niet in de gaten. Cato leek te slapen. De hond, Bo, lag rustig in zijn mand. Vreemd waren wel de kaarsjes en de kerstverlichting en de boodschap op de kastdeur: een kruis, een naakt poppetje, drie hartjes en drie korte teksten: ‘ love you all’, ‘Fuck evil’ en ‘Heb nooit haat maar heb lief’.

Ze was óp, verklaarde Z. later.

Hanneke vond kaarten met korte teksten in Catootjes flat. “Sex sex sex, pijn, bang.” En: “Mam, wat heb je gedaan. Zo’n goed hart en toch zoveel fouten gemaakt.” En: “Jullie hebben met me gedaan wat jullie wilden en dat is nou afgelopen.”

Op vrijdag 13 december werd ze gecremeerd. Er waren enkele korte toespraakjes. Iemand declameerde een gedicht van Annie M.G. Schmidt over het boze land der volwassenen. Bij de vele bloemen was een kaart met een viool erop en een tekst van vriendin Valerie: “Je moet weten dat ik volledig achter je sta. De wereld heeft het je te moeilijk gemaakt. Je bent gesneuveld in jouw oorlog tegen het kwaad. Maar hoe waardig, hoe roemvol! Ik ben trots op je kracht, je kracht om je geluk te pakken.”

Hanneke: “Ze dacht te weten hoe de wereld in elkaar zat, maar moest steeds ervaren dat ze dat niet wist. En ze dacht ook dat ze het helemaal zou ‘maken’, en van die zekerheid brokkelde steeds een stukje af. Ze deed allerlei krampachtige pogingen zich ergens aan vast te houden. Het lukte niet, ze ondervond teleurstelling op teleurstelling. Ik zag haar in een spiraal naar beneden gaan, vond het heel eng, maar voelde me machteloos. Ik heb een broer gehad die op zijn 25ste zelfmoord pleegde. Dat is nu al dertig jaar geleden en ik heb er nog veel verdriet van. O god, heb ik vaak gedacht, als dit me maar niet nóg eens overkomt. En nou heeft nota bene mijn eigen kind het gedaan.”


Zo liep Catootje haar Boulevard of Broken Dreams af, tot het einde. Ze ging te gronde aan het leven. Kwam het door haar vele teleurstellingen? Door haar instabiliteit? Door de koude, duistere eenzaamheid die de nawee is van speed? Het lijkt allemaal zijn invloed te hebben gehad: haar karakter, de drugs, de kerels, de tijdgeest, haar geknakte hoop en de leegte van een leven dat zijn zin niet vinden kan.

Het doet denken aan een uitspraak van een van haar vriendinnen: “Ik heb niks te verliezen, want ik heb niks.”

“Laat me gelukkig zijn,” lees ik nog voordat ik het schriftje dichtsla waarin Catootje haar laatste woorden noteerde.

Op het etiket staat: Geschiedenis.

Een half jaar nadat Catootje er haar laatste avond doorbracht, werd de Tilburgse discotheek Kadance gesloten. Het pand is in 2001 afgebroken voor nieuwbouw van het het ziekenfonds VGZ. Op de site Partyflock herinnert DJ Brutal X zich Kadance als: “Vergane glorie, but still in our minds.”

Meer leuke content? Like ons op Facebook

Matt Dings