Lieve Yvon,

import media 27 nov 2009 Cultuur

Daar sta je weer eens op de cover van een tijdschrift. Het kan niet op. En je bént al overal. Je bent de meest bekeken vrouw van Nederland. Komend weekeinde, in de laatste aflevering van je programma Boer zoekt Vrouw, ga je alle records breken. Hoeveel kijkers zullen het deze keer worden? Vijf, zes, zeven miljoen? Dat is keiveel voor een mèske uit Boxtel, Yvon.

Met dat Boxtel heb ik ook wat. Mijn vader groeide er op, op een steenworp afstand van de plek waar je ouders wonen. Je hebt het overal duizend keer verteld: dat je hockeyde op het kerkhof achter je huis, dat je je ouders in de Sint Petruskerk kon horen zingen als je op de wc zat, dat je vader mandoline speelt. Je dweept er wel wat mee, met je provinciale komaf, maar dat is dan ook je unique selling point; Caroline Tensen was door die boeren allang met een riek het erf af gejaagd.

Net als talloze andere mannen, en zéker die boeren van je, heb ik heimelijk een oogje op je. In overdrachtelijke zin weliswaar, we zijn namelijk allebei gebonden, maar toch. En waarom? Je bent mooi maar geen vamp, je bent gewoon maar niet ordinair, je bent direct maar niet lomp. What you see is what you get. Tenminste, dat straal je uit. Dat past naadloos in de Nederlandse volksaard. Helemaal niet zo gek dus, dat ik van je ben gecharmeerd (nu houd ik op met slijmen, want ik las ergens dat je een hekel hebt aan aanbiddende mannen).

Toen ik je laatst zag als tafeldame bij De Wereld Draait Door, zag ik een kant die ik nog niet goed van je kende. Ik zag hoe je die akelige Pieter Lakeman ondervroeg en unverfroren bleef aankijken met die bambi-ogen van je. En waar ze hem op Guantánamo Bay na een rondje waterboarden nog niet met zijn ogen hadden doen knipperen, peuterde jij zijn pantser open – alsof hij gewoon de zoveelste in zichzelf gekeerde boer was. In de beklemmende stilte die na de vlakke hand op tafel viel, dacht ik: geef die meid een talkshow. Titel: De Y-Factor. Elke week een nieuwe oester om te openen.


Vier miljoen kijkers trek je gemiddeld. Dat zijn 133 Boxtels, Yvon. En zondag dus vast nóg meer. Vergeef me dat ik je even met iemand anders vergelijk, maar we hebben eerder iemand van deze magnitude gekend: Mies Bouwman. Ook al zo verpletterend naturel. Ook een scherp randje. Maar Mies was een studioster. En jij moet gewoon voor altijd buiten blijven. Geen geplastificeerd programma voor jou. Wee de omroepbons die je ooit in een galajurk een showtrap wil laten afdalen. Ik zag je bij de uitreiking van de Televizierring en ik moest twee keer kijken: je droeg een glimmend gewaad waarin je je diep ongelukkig moet hebben gevoeld – nou ja, dat hoop ik dan. En je kapsel stond stijf van de lak. Ook dat beviel me niet. Ik zie je eigenlijk het liefst voor eeuwig met de Calimero-coupe uit je Klokhuis-tijd. Gewoon elke twee weken even bijpunten.

Het zegt natuurlijk iets over ons (of over mij, zo je wilt) dat we en masse naar je kijken. Er zijn al vele woorden gesproken over het onwaarschijnlijke succes van Boer zoekt Vrouw. Sociologen, antropologen, ze hebben zich allemaal het hoofd gebroken. Ze vinden het programma typisch Hollands, een oase tussen het aangekochte buitenlandse televisieaanbod. Dat is wat we willen: ons eigen decor, onze eigen taal, onze eigen mensen te midden van een wereld waarin we onszelf steeds minder herkennen. We willen ook minder zichtbare haast, en Boer zoekt Vrouw kabbelt inderdaad tergend langzaam voort. Ik kon laatst koffie zetten én naar het toilet, en toen was boer Wietse nog steeds aan het zwijgen. We willen ook graag boeren zien, want welke Randstedeling ziet die tegenwoordig nog, en het is best fijn als ze soms aan onze vooroordelen beantwoorden.


Maar het zijn niet alleen de boeren die het werk doen. Jij draagt het programma. Jij past in het decor, jij spreekt de taal en je bent de mens die we daar willen zien. We vinden je eigenlijk geen presentatrice maar gewoon een kijker. Zó gewoon ben je. Dat zien we graag: beroemdheden die uit ons eigen milieu voortkomen. Daarin kunnen we ons verplaatsen. Op een breiwebsite zag ik dat ene Hanneke het patroon zoekt van het gekleurde truitje dat je laatst aanhad. Dat is een compliment, Yvon. Maar is die nabijheid de verklaring voor je succes? Herkennen we onszelf echt in jou? Ik waag het te betwijfelen. Ik denk dat we onszelf willen herkennen in jou. We zouden zelf ook wel van die invoelende, humoristische en vileine gesprekjes met autistische agrariërs willen voeren zoals jij dat doet. Maar dat kunnen we niet. Wij weten niet wat we moeten vragen, we durven niet, we stuntelen, we verknallen het. Daarom sturen we jou de wei in. Jij kunt het, en zo wek je bewondering op. Jij hebt de gave om ons te doen geloven dat jij bent zoals wij.

Of ben je tóch een van ons? Voor de meest bekeken vrouw van Nederland zien we je eigenlijk maar weinig in De Bladen. Het zou zomaar kunnen dat je geen Groots & Meeslepend Leven leidt. Geen drank, geen familiedrama’s, geen relatiegedoe. Je bent geen Katja, je bent geen Yolanthe, je bent geen Tooske. Gelukkig maar, wat mij betreft. Maar luister Yvon, nu een opmerking van een goedwillende bewonderaar. In het etaleren van je gewoonheid ben je wel wat doorgeschoten. Ik bedoel, je zegt dat je geen alcohol drinkt. Goed, dat kan, ik ook niet. Maar wat drink je dán? Roosvicee, las ik ergens. Roosvicee! Ik zie je al aan de keukentafel, met je man Pieter en je kinderen, een karaf aangelengde Roosvicee in het midden. Nog een glaasje, schat?


Ik las verder dat je dochtertje Keesje heet. Keesje! Waarom? Omdat je zelf vroeger liever Keesje had geheten. Omdat Keesje beter bij je past, want Keesjes zijn stoer en ondeugend. Maar dat bén je helemaal niet, Yvon. Ik zal je vertellen waarom. Je hebt een knuffelkonijn van badstof dat Sjors heet. Een knuffelkonijn! Daar práát je zelfs tegen. En Sjors kan kunstjes. En hij ligt ook nog gewoon in bed. Ik zie het voor me: Yvon, Sjors, Pieter. En het wordt erger. Want wat is je hobby? Gekleurde papiertjes verzamelen. Gekleurde papiertjes verzamelen! Wat doe je daar in vredesnaam mee, Yvon? Wacht, ik citeer je even uit het omroepblad van je eigen KRO, anders geloven onze lezers het niet. “Ik hou ervan om mooie papiertjes te verzamelen en die dan te knutselen tot een collage. Of ik leg de papiertjes naast elkaar en geniet van de mooie kleuren.” Sinds ik dit weet, doe ik mijn best om het te verdringen, maar het valt niet mee.

Het kan ook aan mij liggen, hoor. Misschien, zo bedacht ik, zijn er wel hele volksstammen volwassen papiertjesverzamelende Roosviceedrinkers met een knuffelkonijn. Ik heb er even wat diepgravende research aan gewijd. Tot mijn verbijstering ritselt het internet van de knutselaars. Op Wims Fröbelpagina’s – inderdaad, een Wím – las ik over de harmonicavouw, en over hoe je een ‘deurhanger aap’ en een ‘Halloween raamhanger van servetten’ maakt. Je kunt een auto vouwen en een walvis en een olifantje. Bij knutselwinkel Knutsel Frutsel groeten ze bezoekers met ‘Tot knutsel!’. Dat vind ik best gruwelijk.

En toch: grappen zijn snel gemaakt, maar er is geen enkele reden om knutselaars met dédain te bejegenen. We hebben het hier over stadions vol met mensen. Heel gewone mensen waar ik jou eigenlijk best tussen zie zitten, Yvon. Om knutselaar te zijn, zo werd me duidelijk, moet je blij kunnen worden van kleine dingen. Je moet intens tevreden naar huis kunnen gaan met een gevouwen auto, walvis of olifantje. Zelf gecreëerd. Zo kijk jij ook naar het leven. Ooit vroeg iemand je naar je toekomstdroom. Je noemde geen villa aan de Cte d’Azur en een Ferrari. Je zei: een mooi houten huisje in Broek in Waterland. Met een Volvo stationwagon voor de deur en een bolderkar vol kinderen die kaplaarzen aanhebben en op woensdag moeten zwemmen. Ik heb zomaar het vermoeden dat heel wat knutselaars, en daarmee grote groepen Nederlanders, een gelijkluidende droom hebben.


Ik bedacht me dat mutserigheid ook aantrekkelijk kan zijn. Je bent in aard en wezen een anti-diva, en daardoor weet Pieter eigenlijk wel zeker dat hij je bijvoorbeeld nooit ontkleed in een mannenblad zal zien. De gedáchte alleen al. “Hou toch óp!” zou je roepen – een typische Yvon-kreet. Gebonden vrouwen in je omgeving krijgen omstandig te horen dat je er niet op uit bent hun man weg te kapen. En zo ben je voor niemand een bedreiging.

Iedereen blij. De kans dat iemand zich ooit bekocht zal voelen door zich met jou te associëren, is klein. Bij menige collega moet je maar afwachten welk schandaaltje er om de hoek ligt.

Soms lijkt het wel of je met je onbevangenheid koketteert. Dan ga je een enkele keer over the top. Ik las dat je ademloos kunt genieten van een fluitist in een park. Dat is mooi, natuurlijk. Maar wat doe je vervolgens? Je loopt niet door, nee, je gaat hem ‘honderduit vragen over zijn zwerversbestaan’ omdat je er dan ‘weer wat levenslessen’ bij hebt. Als Yvon-watcher weet ik dat het bij je past, maar hoe moet een ander dit duiden?

En dan dit: je kwam als provinciaaltje in Amsterdam te wonen, ergens boven een gokhal. Aan de overzijde was een peepshow. Wat deed je? Je ging er naar binnen om als nieuwe buurvrouw een praatje te maken! Ze keken je aan alsof je van een andere planeet kwam, zei je. En dat leek je nog vreemd te vinden ook. Zo zet je je naïviteit wel wat dik aan. In de provincie zal het worden herkend: genoeg mensen die zich ook geen houding wisten te geven toen ze voor het eerst over de Wallen liepen. Jij was ooit een van hen. Als je je zo gedraagt in een ongewone omgeving, dan ben je in de perceptie zelf geruststellend gewoon.


Je ambitie en dadendrang kan ik niet als normaal betitelen. Je wilde als kind al bij het Klokhuis werken en dramde je een weg naar binnen. Je hebt geschreven en gebeld tot ze gek van je werden. Buiten je werkzame leven, gevuld met tv-programma’s, columns en kinderboekjes, wil je ook nog ooit op een schooltje in Zimbabwe voorstellingen gaan maken met kinderen. Je beklom de Kilimanjaro. Je wil best ooit naar Siberië om tussen de eskimo’s te leven. Je hebt een Foster Parents-kindje. Je bent ambassadrice van het Ronald McDonald Kinderfonds. Je veilde je zilveren Televizierster voor kindjes in Papoea-Nieuw-Guinea. En dan laat ik vast nog van alles weg. Leg het naast het bestaan van een doorsnee-Boxtelnaar en je ziet het: gewoon is het niet.

Ik zou cynisch kunnen opmerken dat je het allemaal doet voor je imago. Maar dat geloof ik niet. Volgens mij ben je authentiek. Je wil gewoon alles uit het leven halen wat erin zit. Je hebt nog geen last van verzuring, en dat valt te prijzen. “Ik wil graag geloven in het mooiste, dat geeft je een positief en bijzonder gevoel,” zei je in de Vriendin. Ik geloof echt dat je dat gelooft. Je bent ongetwijfeld geraffineerder en misschien zelfs gehaaider dan we denken, maar dat missionaire in je is niet gespeeld. “Wat is uw definitie van geluk?” vroegen we je zes jaar geleden in de rubriek ‘Zelfportret’ in dit blad. Je antwoordde: “Geluk is een instelling. Je moet gewoon zeggen: ik ben gelukkig en er verder niet meer over lullen.” Dat is de bravoure van iemand voor wie het leven tot dusver zeer welgezind is geweest. Zo iemand geniet de luxe om haar dromen ook te kunnen vervullen.

En zo iemand heeft ook idealen. Dit noemde je als het hoogst haalbare: dat mensen het, tegen de individualisering in, juist sámen met elkaar kunnen redden. Dát vind je mooi. Met zijn allen, zoals je vroeger in Boxtel ook alles samen deed in het gezin. Je kijkt met een roze bril naar het leven. Iemand vroeg je waar je liefde vindt. In stromend water, zei je toen, met je blote voeten in een beekje of aan zee. “Alsof de ballast van de dagelijkse chaos met de stroom wordt meegevoerd en er ruimte ontstaat om liefde te ervaren.” Ja Yvon, dat is wat je zei. Toen werd ik toch wel wat draaierig van binnen, hoor. Maar ach, dacht ik toen, misschien moet ik zelf gewoon wat Yvonneriger worden. Het is in elk geval wat mensen willen zien: simpel geluk in donkere tijden.


Je hebt de gave om ons te doen geloven dat je bent zoals wij, schreef ik al eerder. Daar doe je op zich niet zoveel voor, behalve boeren doorzagen aan de keukentafel (vergeef me dat ik je andere ook zeer bekijkenswaardige programma’s gemakshalve even oversla). Dat is voor de meeste kijkers makkelijker te behappen dan presentatoren die uit vliegtuigen springen of levende insecten eten. Die periferie van het vak wordt al door anderen gedaan, jij brengt het terug tot de kern: een tte-a-tte met een ruwe bolster die geen bijzonder kunstje kan maar gewoon een vrouw zoekt. Dat vinden we aantrekkelijk, want we hebben allemaal weleens een partner gezocht. Misschien waren we wel net zo schutterig, maar nu kunnen we gniffelen om een ander.

Je zit daar dus je onglamoureuze zelf te wezen in je gebreide vestje. Tegelijkertijd ben je, juist door alles wat je doet, erg ánders dan je gemiddelde kijker. Per saldo trek je zo natuurlijk veel mensen naar je toe: kijkers die zich in je herkennen en kijkers die je bewonderen. Ik heb in mijn omgeving eens gepeild wat mensen van je vinden. De meningen zijn verdeeld. Je tegenstanders vinden je meestal een dom gansje (hoe durven ze!), je bewonderaars vinden je vooral spontaan. En ‘spontaan’ is niet voor niets de karaktereigenschap die we het vaakst terugvinden in de contactadvertenties die we plaatsen. We willen spontane mensen, want ons leven kabbelt al genoeg. Dus mag jij er van alles uitflappen. Namens ons. En dat doe je met verve: direct maar niet tenenkrommend, met een soms jaloersmakende ontwapenendheid. Dan neem ik die Roosvicee, dat knuffelkonijn en die papiertjes gewoon op de koop toe.


Je zei eens dat je veel post krijgt van ‘vieze mannen’ die willen weten of je wel écht zo braaf bent. En dat ben je natuurlijk niet. Maar daar vertel je ons bijna niks over. Je hebt drugs uitgeprobeerd, dat wel, en je hebt een paar verboden liefdes gehad. Maar verder ben je een magere kluif voor de roddelpers. Persoonlijk was ik wel ietwat teleurgesteld toen ik las dat je een keer speciaal naar New York bent gevlogen om kleren te shoppen. Dat is dan weer nét iets te Yolanthe. Een paar dagen na de eerste ontmoeting was je al een setje met je geliefde. Dat is best een beetje Katja. Dan die jurk bij de Televizierring: te veel Tooske. En toen je laatst dus een hele heisa maakte over je kapsel, toen dacht ik: een tikje te Patricia. Ik snap het wel: waar je mee omgaat, daar word je mee besmet. Ik blijf heus wel fan, hoor. Blijf jij vooral de Yvon Jaspers die je bent, dan droom ik van de Yvon Jaspers die ik wíl dat je bent.

Houdoe,

Mark Traa

Reageer op artikel:
Lieve Yvon,
Sluiten