Muziek zonder ballen

In de zestiende en zeventiende eeuw werden honderdduizenden prepubers gecastreerd om te kunnen voldoen aan de vraag naar sopranen. De illustere Italiaanse mezzosopraan Cecilia Bartoli verdiepte zich in de castratencultuur.Op haar album Sacrificium zingt ze elf wonderschone aria’s die nog nooit eerder werden opgenomen.

Even lijkt het erop dat we in het verkeerde theater terecht zijn gekomen. De musketier, die als een duveltje uit een doosje op het podium is gesprongen, roept beelden op van Rostands Cyrano de Bergerac; een mooi toneelstuk, dat is waar, maar niet het operarecital dat ons is beloofd. De vechtersbaas banjert met zevenmijlslaarzen door het orkest, laat zijn met vlammend rood satijn gevoerde cape zwieren en zwaaien en smijt vervolgens zijn imposante, bevederde hoed met een nonchalant gebaar de coulissen in. Pas dan wordt duidelijk dat dit toch de gebeurtenis is waarvoor wij naar Napels zijn gereisd. Cecilia Bartoli, coloratuur-mezzosopraan par excellence, heeft zich als een omgekeerde dragqueen in historische mannenkledij gehesen en neemt bezit van het voortoneel. Met een zijdelings knikje naar de dirigent beduidt de diva dat zij er klaar voor is. Giovanni Antonini zet zijn befaamde barokorkest Il Giardino Armonico op scherp door het heffen van zijn baton. Bartoli opent haar gouden strot en zingt (vertaald): ‘Als een schip tussen de golven’, de openingsfrase van de aria Come nave in mezzo all’onde van Nicola Porpora. De spectaculaire album launch van haar nieuwe project Sacrificium is begonnen.

De woorden ‘launch’ en ‘project’ zijn niet bij toeval gekozen. La Bartoli neemt namelijk nooit zomaar een cd op met het geijkte standaardrepertoire. Zij is naast een virtuoze cantatrice ook een rusteloze musicologe, die altijd weer op zoek is naar nieuwe inzichten of vergeten meesterwerken. En als zij weer, zoals met de albums Maria, Opera proibita of Gluck Italian Arias, een pagina aan de canon der serieuze muziek heeft toegevoegd, dan worden die cd’s niet als eenvoudige plaatjes gepresenteerd, maar eerder als majestueuze cruiseschepen te water gelaten in een zee van bruisende champagne. Het honderdtal genodigden voor de Sacrificium-launch herinnert zich nog met warme, nostalgische gevoelens de spectaculaire lancering van Opera proibita in een kerkje op het Forum Romanum in Rome. Want Bartoli weet haar locaties te kiezen – dat blijkt óók nu weer.


Het feestje rond Sacrificium lijkt nog het meest op een magical mystery tour. De bussen die aan de azuurblauwe Golf van Napels staan te wachten, voeren ons naar een onbekende bestemming. De stoet rijdt de stad uit en wie even wegdommelt en dertig kilometer buiten Napels zijn ogen pas weer open doet, moet de indruk hebben gehad dat hij door een vreemde speling van het lot in Versailles is beland.

Achter de ruiten van de touringcar rijst een paleis uit de hoge barok op, dat alles weg heeft van het megalomane onderkomen van de Franse Zonnekoning. Maar nee, dit is het Reggia di Caserta, het paleis van de Bourbon-koningen van Sicilië en Napels, dat van 1752 tot 1780 werd gebouwd in opdracht van Karel VII, de monarch die er overigens nooit één nacht zou slapen omdat hij in 1759 koning van Spanje werd.

Op de kasseien van de binnenplaats lopen de eerste gasten als verdwaalde personages uit een Willink-schilderij in avondkledij – een glas prosecco in de ene, en een canapeetje in de andere hand – tussen bouwwerken door die zichtbaar alleen maar werden gebouwd om te imponeren. En imponeren doen ze. Net als Cecilia Bartoli trouwens, die niet lang daarna in het inpandige Koninklijke Hoftheater de longen uit haar lijf zingt. De diva sleurt met haar stem en charisma het voltallige publiek terug naar de zeventiende eeuw. Vanuit de loges in de muren van het hoge, cilindervormige theater kijken we neer op een concert dat daadwerkelijk plaatsvindt in lang vervlogen tijden – althans zo lijkt het. “Ik ga, ik laat je alleen, mijn lief / maar bij het afscheid voel ik een kwelling die té wreed is / Zelfs mijn stervenspijn zal minder bitter zijn.” Bartoli zingt de aria Parto, ti lascio, o cara uit Nicola Porpora’s opera Germanico in Germania met een van smart verwrongen gelaat en zij laat de coloratura- passages nog virtuozer klinken dan zij al zijn. Er zijn mensen die vermoeden dat de zangeres deze kunstgrepen aanwendt om haar relatief ‘kleine’ stem te maskeren. Maar als die mensen er zijn, dan zitten ze vanavond niet in de zaal. Staande ovaties, onder aanvoering van de burgemeester van Napels, vallen haar ten deel. Strelen om gestreeld te worden – dat is het motto van dit gedenkwaardige concert.


Een dag na het concert in het theater van het Reggia de Caserta gaan we op audiëntie bij een opmerkelijk frisse diva. “Waar wil je zitten?” vraagt Cecilia Bartoli hoffelijk. “Hier? Dan kun je genieten van het mooiste uitzicht in Napels.” We bevinden ons op het dakterras van Excelsior, het duurste hotel van de stad, en kijken uit over de verblindend mooie baai die tien verdiepingen lager aan de voeten van de diva ligt. Het aanbod is verleidelijk, maar ik geef toch het antwoord dat, zeker bij diva’s, sociaal wenselijk is: “Neemt u die stoel maar. Ik ben voor ú gekomen en niet voor het uitzicht.” Bartoli ontvangt je alsof ze je al jaren kent, en stopt heel veel energie in het onderhouden van haar sociale en zakelijke contacten. De avond ervoor, na afloop van het copieuze viergangendiner onder de metershoge gewelven van een bijna intimiderend mooie, zéér barokke paleiszaal, ging zij alle tafels af om het honderdtal genodigden persoonlijk de hand te schudden of, als je daartoe uitverkoren werd, op de wang te kussen. Een uur later, het was inmiddels ver na middernacht, fladderde zij weer met een prosecco in de hand tussen de gasten door op het terras, dat zich onder de waterval boven de fontein met de beeldengroep van Diana en Actaeon bevindt. Het is een idyllische locatie, die een adembenemend uitzicht geeft op het aangelichte Reggia di Caserta, dat aan het andere uiteinde van de drie kilometer lange tuin ligt. Maar na een uur of wat was zij ineens verdwenen, een teken voor een van de technici om de lichten rond de waterval te doven. The party was over en Bartoli had wéér een feest op haar naam geschreven waar nog jaren over gepraat zal worden. Toch hebben de festiviteiten van de vorige avond geen spoortje achtergelaten op het gezicht van de zangeres. Integendeel: ze heeft de gezonde teint van een vrouw die net drie weken vakantie achter de rug heeft, en haar bruine ogen fonkelen van energie. Het is theetijd en ze is klaar voor het eerste interview van de dag. De zangeres is een makkelijk pratende vakvrouw die zonder enige aansporing haar koopwaar aan de man probeert te brengen. De vraag wat haar tot dit merkwaardige en spraakmakende project heeft gebracht, hoeft niet eens gesteld te worden. “Ik heb altijd al muziek gezongen die werd geschreven voor castraten,” bekent ze, “maar dat hebben andere zangers ook gedaan. Op een gegeven moment vroeg ik mij ineens af waarom niemand het nou ooit eens had over de tragedie die ten grondslag ligt aan deze prachtige muziek. Vandaag de dag kent het publiek misschien de namen van een stuk of tien beroemde castraten, maar dat handjevol sterren is maar het topje van de ijsberg. In de zeventiende en achttiende eeuw werden honderdduizenden jongens gecastreerd in naam van de muziek. Daarom heet het album Sacrificium, Latijn voor ‘een offer aan de goden’. Halverwege de achttiende eeuw werden alleen in Italië al bijna vierduizend jongens per jaar gecastreerd. Het waren altijd jongens uit arme gezinnen. Hun ouders wisten dat de roem – én het geld – van een succesvolle castraat de sleutel was die hen uit hun miserabele bestaan kon bevrijden. Maar dat geluk, of talent, hadden natuurlijk maar weinigen. Misschien tien jongens van die vierduizend. Dan waren er misschien nog honderd die in een van de vele koren konden gaan zingen, maar voor de rest was het allemaal voor niks geweest. Zij belandden in de prostitutie of pleegden zelfmoord. Dat is het drama waar nooit iemand het over heeft.”


Bartoli bekent dat het niet meeviel om zo’n heftig thema uit te werken binnen de limiet van de honderd minuten muziek die zij op haar dubbelalbum kon zetten. “Daarom,” legt zij uit, “heb ik mij beperkt tot één stroming, die als voorbeeld voor een veel groter geheel moest fungeren. Ik concentreerde mij op de muziek uit Napels en met name die van de Napolitaan Nicola Porpora, een componist die leefde van 1686 tot 1768. Porpora was de zangpedagoog van de twee beroemdste castraten aller tijden: Farinelli en Caffarelli. Daarom is de school van Porpora het ideale voorbeeld van de driehonderdjarige geschiedenis van het fenomeen castraat.” Bartoli selecteerde de mooiste stukken die voor de studenten van Porpora werden geschreven. “Op de eerste plaats koos ik een paar adembenemende aria’s die door Porpora zelf werden gecomponeerd. Daarnaast zong ik ook werken van Leonardo Leo, Francesco Araia, Leonardo Vinci, Carl Heinrich Graun en Antonio Caldara.”

Op de tweede cd van dit dubbelalbum zette de zangeres de drie grootste castrato-hits. “Eigenlijk is dit een rockalbum,” zegt Bartoli lachend. “De castraten waren wat populariteit betreft de popsterren van hun tijd. Een van hun succesnummers was Ombra mai f, een aria die door Georg Friedrich Händel speciaal voor Caffarelli werd geschreven. De andere hits waren werken van Riccardo Broschi, de broer van Farinelli, en Geminiano Giacomelli. Ik heb ze op een aparte cd gezet omdat het voorbeelden zijn van een vorm van de extreme virtuositeit, ademhalingstechniek, fantasie, emotie en expressie die de castraten bezaten. Het is waarschijnlijk de moeilijkste muziek die ik ooit heb gezongen. Sacrificium is in ieder geval het meest virtuoze album dat ik tot nu toe heb uitgebracht. De coloratura – de versieringen, loopjes en trillers – van deze muziek waren een grote uitdaging. Maar het is meer dan dat: er staan ook hartverscheurende, langzame aria’s op met – letterlijk – adembenemende lange frases. Op Sacrificium staan elf aria’s die nog nooit eerder werden opgenomen.”


Wereldpremières dus, een feit dat Bartoli niet zonder enige trots benadrukt. Het album bevat ook een rijk geïllustreerd castratenlexicon van een dertigtal pagina’s, dat een antwoord geeft op alle vragen die je maar bij dit onderwerp kunt bedenken. Bartoli verklapt een van de geheimen die het lexicon prijsgeeft. “Wanneer je een jongen castreert voor zijn puberteit, blijft zijn larynx min of meer hetzelfde en zal daardoor hoge klanken blijven voortbrengen. Maar zijn lichaam zal verder gewoon doorgroeien: de borstkas en de longen worden net zo groot als die van een volwassen man, en soms, door een verstoorde hormoonhuishouding, zelfs groter. Ze hadden een enorme longinhoud en door hun ongelooflijke adembeheersing konden zij, bij wijze van spreken, eindeloos doorzingen. In de aria’s van Araia – Cadr, ma qual si mira, bijvoorbeeld – zitten colorature die soms meer dan dertig maten doorlopen. Farinelli kon die makkelijk zingen. Voor mannen van nu – contratenoren of falsetzangers – zijn die al heel, heel, heel erg moeilijk te zingen. En voor vrouwen nog veel moeilijker.” Met die constatering steekt de diva een veer in haar eigen mollige derrière. Wij vergeven het haar; zij heeft het verdiend.

Ook voor het artwork van het Sacrificium-album heeft Bartoli een veer verdiend. Het concept van het project én van het boekje komen beide uit de koker van de diva. En over de vormgeving van het boekje is nogal wat te doen geweest. De coverfoto laat een Bartoli zien die, steunend op haar rechter elleboog, naakt op de grond ligt. Dat wil zeggen: een foto van het hoofd van de zangeres werd gefotoshopt op een afbeelding van het beeldhouwwerk Rustende soldaat, een standbeeld daterend uit de eerste eeuw na Christus. Het album staat vol met dit soort collages. En waar er een mannelijk geslachtsdeel te zien was, werd dat, als dat door fatsoensrakkers eeuwen geleden niet al was gedaan, subtiel weggecensureerd. “Ik was op zoek naar een krachtig beeld om het begrip castraat in één klap duidelijk te maken,” verklaart Bartoli, terwijl zij nog eens aandachtig naar het artwork van de dubbel-cd kijkt. “Een vrouwenstem in een mannenlijf: dát heb ik met die foto’s uit willen drukken. En het is waar: toen ik mijn ideeën bij de platenmaatschappij op tafel legde, werd er nogal vreemd gekeken en hebben ze nog even geprobeerd om het uit mijn hoofd te praten. Uiteindelijk zijn ze toch akkoord gegaan. Ik heb wel meer rare ideeën gehad.”


Zó raar zijn de ideeën van Bartoli nou ook weer niet. Er valt naar aanleiding van die foto’s en de thematiek van het album zelfs een lijntje naar het heden te trekken.

“We verminken nog steeds de lichamen van andere mensen en die van onszelf,” constateert zij met opgeheven vinger. “En dit alles in naam van een imaginair schoonheidsideaal. Denk aan de supermodellen die aan anorexia lijden, of mensen die helemaal onder de botox of piercings zitten. En dan is er ook nog het mes van de plastisch chirurg. We vinden het allemaal verschrikkelijk, maar we accepteren het toch. We doen slaafs wat de mode ons dicteert, maar trots zijn we er niet op. Misschien is het wel grappig om te vertellen dat dat in de achttiende eeuw wel anders was. Wanneer Farinelli of Caffarelli een adembenemende aria had gezongen, dan werd er niet alleen ‘bravissimo!’ geroepen, maar ook ‘evviva il coltellino!’ – lang leve het castratiemesje. Dat is zoiets als het publiek dat na afloop van een modeshow in Parijs als één man ‘lang leve de anorexia!’ zou roepen. Ondenkbaar! Gelukkig wel.”

Cecilia Bartoli: Sacrificium. (Decca)

Meer leuke content? Like ons op Facebook

Ruud Meijer