Het feest van de omgekeerde wereld

In Den Bosch, pardon, Oeteldonk, is alles anders met carnaval. Anders dan in de rest van het jaar, en anders dan in de rest van het zuiden. Alleen: ‘Woar kump nou dien oetel vandaan?’

Zaterdagmiddag, op een plein in het hart van Den Bosch. Kaal geboomte is verpakt in mistflarden, en uit omringende horecagelegenheden klinkt het veelbelovende geluid van glazen die op elkaar worden gestapeld. Ik sta ondertussen blauwbekkend te luisteren naar een man met een douchemuts op zijn hoofd en een paraplu in de vorm van een kikker in zijn hand. En ik denk: waar ben ik in godsnaam mee bezig? Tegelijkertijd brandt in mijn binnenzak een consumptiebon, bij uitstek hét middel om de aandacht vast te houden. Want als ik goed luister naar de man met de douchemuts en de kikkerparaplu, neemt hij me straks mee naar een etablissement waar ik het stukje karton kan omruilen tegen een kwart liter gerstenat. Bij de les blijven dus.

Een week voor het jaarlijkse polonaisegeweld losbarst, houdt de VVV van Den Bosch een cultuurhistorische tocht door Oeteldonk, zoals de stad in carnavalstijd heet. Niet minder dan 175 belangstellenden hebben zich aangemeld voor de wandeling, die door een zevental gidsen in goede banen moet worden geleid. Ik ben ingedeeld bij de man met de douchemuts en de kikkerparaplu, die voor de burgerlijke stand John Vermulst heet. Hij weet alles, maar dan ook álles van het Oeteldonkse carnaval, is me vooraf verzekerd. Des te ontnuchterender dat hij mijn eerste vraag (“Waar komende Oeteldonkse kleuren rood-wit-geel vandaan?”) beantwoordt met een tamelijk teleurstellend: “Dat weet ik niet.” Om daar schreeuwend aan toe te voegen: “Rood, wit, geel: het zegt niet alles, maar wel véél! Hahaha!” Ik klamp me stevig vast aan mijn consumptiebon; dit wordt doorbijten.

De wandeltocht is amper twintig stappen onderweg als Vermulst stilstaat en luidkeels begint te doceren. Het Oeteldonkse carnaval, zo leren we, heeft niets te maken met de zogeheten Rijnlandse variant, met z’n Raden van Elf, buutredenaars en narrenkoppen met fazantenveren. “Wij vieren hier het BOERRRRgondische carnaval!” schreeuwt de gids. En dat doen hij en zijn voorgangers al sinds 1882, toen de kerk, bij monde van monseigneur Godschalk en gesteund door de gegoede burgerij, pogingen ondernam de volkse feestgangers de mond te snoeren en de vermaledijde ‘slemperijen’ uit te bannen. Godschalk voerde zelfs het veertig-urengebed in, een desperate poging om het volk uit de kroeg te houden. Als verzetsdaad werd daarop door enige middenstanders het spel ‘Oeteldonk’ in het leven geroepen, ofwel ‘Het Feest van de Omgekeerde Wereld’. Het mondaine ‘s-Hertogenbosch, de grote stad waar het provinciebestuur, de ambtenaren, de bisschop met zijn prelaten en alle juristen en rechters waren gehuisvest, zou voor drie dagen worden omgedoopt in het dorp Oeteldonk, waarbij iedere inwoner zich zou moeten uitdossen als boer of durske, wat heerlijk dialect is voor ‘boerenmeid’. Aan het hoofd van het dorp zou een burgervaojer met de naam Peer vaan den Muggenheuvel komen te staan. De naam Muggenheuvel was een verwijzing naar de Mugheuvel, een stuk grond in het dorpje Den Dungen, dat omstreeks die tijd in bezit was van bisschop Godschalk. Een jaar later zou men Het Spel Van De Omgekeerde Wereld uitbreiden met het bezoek van Z.K.H. Prins Amadeiro Ricosto di Carnavallo, Ridder van het Reksam, Heer en Meester van Oeteldonk en omliggende watervrije moerassen en zandwoestijnen enz. enz. enz. Thans noemen we deze figuur kortweg Prins Carnaval.


“Maar woar kump nou dien oetel vandaan??” schreeuwt Vermulst, voor ik het in Algemeen Beschaafd Nederlands had kunnen doen. “Er zijn er,” zo declameert hij vanonder zijn kikkerparaplu, “die denken dat ‘oetel’ een ander woord is voor ‘kikker’.” Dat blijkt heel dom te zijn gedacht. “Oeteldonk is een watervrij moeras, daar kúnnen dus helemaal geen kikkers zijn!!” Ik grijp in m’n binnenzak. De consumptiebon zit er nog, ik ben derhalve nog broodnuchter. En dat is goed, want het navolgende moet ik wel even scherp in me opnemen. Oeteldonk = ‘oetel’ + ‘donk’. ‘Donk’ = ‘hoge droge plek in het moeras’, ‘oetel’ = een afkorting van ‘Van den Oetelaar’, zijn-de een veel voorkomende naam in Den Dungen, de geboorteplaats van… juist, bisschop Godschalk. Waarom Vermulst dan een kikkerparaplu draagt en bijna alle lokale carnavalsverenigingen zo’n kwakend diertje in hun logo hebben, lijkt me een vraag van sfeerverpestend niveau. Bovendien zou het de boel maar ophouden.

Monter voorwaarts dus maar, tot de gids en zijn gevolg halt houden bij het standbeeld van Janus Kiep. Wie Janus Kiep nog heeft gekend, wil Vermulst weten. Het gezelschap bestaat geheel uit Bosschenaren, dus zo gek is die vraag niet. “Hij heeft mij eens geholpen een ketting om mijn fiets te leggen,” zegt een vrouw van middelbare leeftijd, “maar ik vond ‘m doodeng!” En dat laatste is precies wat de gids wil horen. Janus Kiep (1914-1981) was een zwakbegaafde man die ooit met zijn gezicht tegen de kachel in slaap was gevallen, een onfortuinlijke actie waaraan hij een angstaanjagend uiterlijk had overgehouden. “De vrouwkes waren doodsbang voor ‘m!” brult Vermulst, terwijl de dames in zijn gehoor instemmend knikken. “Hij maakte gebruik van z’n misvorming, maar financieel is hij de overheid nooit tot last geweest!” Kiep – of ‘Kiepoog’, zoals hij ook wel werd genoemd – scharrelde wat en verkocht aan het eind van zijn leven snijbloemen. Wikipedia meldt: “Janus had er aardigheid in om bij de HEMA de strikken van de schorten van de verkoopsters los te trekken.” Vermulst: “Mee de carnaval liep ‘m veurop!” Nu knikken ook alle mannen, terwijl ze voor zich zien hoe Kiep ‘op alle poten stampte die ‘m tegenkwam’. Maar toen hij stierf, zegt Vermulst, “was de Sint Jan te klein om alle belangstellenden te herbergen.”


En verder gaan we, onder een uit 1793 stammend poortje dat zó laag is dat je moet bukken, wil je niet tegen de rand knallen en als Janus Kiep II de geschiedenis ingaan. “Hier,” zegt Vermulst, wijzend op iets dat er niet is, “stond café Place Royal. Hier is in 1882 de Oeteldonksche Club opgericht.” De Oeteldonksche Club – drie kikkers in het wapenschild – is een vereniging die tot doel heeft de instandhouding van het Boergondische Carnaval te waarborgen. Dat Bosschenaren volgende week een vat bier achterover kunnen slaan in plaats van alleen een slokje bisschopswijn met een plakje ouwel, hebben ze aan het pionierswerk van de Oeteldonksche Club van 1882 te danken. Opdat wij nooit vergeten. “Prins Carnaval,” vertelt gids Vermulst, terwijl we een wirwar van steegjes doorkruisen alvorens we worden opgenomen door het winkelend publiek op de Grote Markt, “is altijd bij voorkeur iemand van boven de rivieren geweest – en het liefst ook nog protestant. Waarom? Dan heeft dien bisschop daar geen vat op!!”

“De Prins,” oreert hij verder, “komt alleen maar even kijken. De eigenlijke machthebber is te allen tijde De Peer.

Da’s dus heel anders dan in alle andere steden.” Ik knik en voel nogmaals of m’n consumptiebon er nog zit. Ik zal ‘m nodig hebben.

We beklimmen de trappen van het stadhuis en bekijken de vergulde deurknop aldaar. Die blijkt te zijn geschonken door Z.K.H. Amadeiro XXIII, ter gelegenheid van diens afscheid. Door een Prins Carnaval dus. En dit alles wordt zonder een spoortje ironie verteld. Had ik maar zés consumptiebonnen.

We volgen de gids en lopen andermaal door steegjes en over bruggetjes, tot we stoppen bij een half standbeeld. Wat volgt is een wonderlijk verhaal over een al even wonderlijke kwestie. Iets met een uitgeleende Peer die Frans Vennix heette, een ‘lease-ketrakt’, een niet nagekomen financiële afspraak, een ‘netelige kwestie’ en een afkoopsom van een fust bier en twee flessen Jägermeister, alsmede de oprichting van een ‘waardig gedenkteken’ dat door twee partijen zou moeten worden bekostigd, maar waarvoor uiteindelijk slechts één partij de poeplap trok, met een half beeld als resultaat.


“U heeft allemaal uw consumptiebon nog?”

Veel te snel trekt de gids me café De Hertog weer uit, waarna ik hem met het schuim op de lippen volg naar ‘het zomerpaleis van Z.K.H. Amadeiro XXV’, een versierde kamer in Hotel Brasserie Central op de Grote Markt, die in het kader van Het Feest van de Omgekeerde Wereld dus niet winterpaleis wordt genoemd. Struinend door de straten strooit Vermulst met historische feitjes, als was het confetti. “In 1927 werd de komische fanfare De Kikvorschen opgericht. Aanvankelijk mochten ze geen luide muziek maken, dus daarom gebruikten ze houten blaasinstrumenten, de zogeheten mirlitons.” Scherpe bocht naar links. “In 1928 werd gepoogd alle openbare muziek te verbieden, in de hoop dat het carnaval vanzelf zou verdwijnen. Maar dat gebeurde natuurlijk niet – en in 1932 werd een optocht georganiseerd met elf ezels, die de namen droegen van de elf raadsleden die vier jaar eerder tegen het carnaval hadden gestemd, hahaaaa!!” We staan inmiddels met 25 man gefixeerd naar een houten bankje te kijken. ’60 jaar De Kikvorschen’ is erin gegraveerd. Ik kan de neiging onderdrukken er een foto van te maken.

We maken een U-bocht en lopen opnieuw tegen het winkelend publiek in, op een plek waar we volgens mij nu al voor de derde keer zijn. Links-rechts-links gaat het vervolgens (“Ik kom hier eigenlijk nooit,” zegt de vrouw van de fietsketting), tot de man met de douchemuts en de kikker- paraplu ons wijst op het Oeteldonks Gemintemuzejum. Het voormalige poortgebouw van het middeleeuwse Zusters van Orthenklooster herbergt sinds 2001 het enige carnavalsmuseum dat Nederland rijk is. Naast alles uit de historie van het Boergondische carnaval vinden we er vitrines vol tastbare herinneringen aan vergelijkbare volksfeesten aan gene zijde van de aardkloot. Zo zijn er spectaculaire Braziliaanse kostuums te bewonderen, maar ook traditionele duivelsmaskers uit de Dominicaanse Republiek en kralenkettingen uit New Orleans. “Het is de gewoonte dat vrouwen die tijdens de Mardi Gras hun borsten ontbloten, daarvoor een ketting krijgen toegeworpen,” meldt een begeleidend schrijven. Ik noteer: “Puntje voor de volgende vergadering van de Oeteldonksche Club.”


Voor we de deur uit worden gebonjourd (Vermulst: “De volgende groep komt er alweer aan, en we hebben hier maar heel weinig ruimte”) sta ik nog even stil bij de glazen uitstalkast waarin de boerenkiel van Wim Kersten prijkt. Kersten (1924-2001) was ‘de vader van het Oeteldonkse lied’ en de man die onder heel veel meer de meezingers Bij ons staat op de keukendeur en Bloemetjesgordijn componeerde. De Bossche bard maakte solo furore, maar ook met De Viltjes en, eerder, als helft van het duo De Twee Pinten, bekend van de aloude grap: “Dames en heren, vanavond wegens ziekte: Eén Pint!” Wim Kersten woonde jarenlang met zijn vrouw Rietje boven hun beider schoenenzaak op het Kerkplein, tot ze in 1989 naar Den Bosch-Zuid verhuisden. Heerlijke showbizz-weetjes.

“In 1994…” We bevinden ons inmiddels aan de achterkant van de Sint Jan, die bijna geheel in de steigers staat. “…sprak de plebaan Gerrit van de Camp tijdens zijn preek in de carnavalsmis de volgende historische woorden: Hedennacht ben ik door een tweetal mensen uit mijn slaap gehouden! Ik hoop dat ze hier vandaag aanwezig zijn, want dan zal ik hén nu eens uit de slaap houden!”

Een kwinkslag vanaf de kansel! Die ouwe Godschalk moet zich omgedraaid hebben in zijn graf.

Meer leuke content? Like ons op Facebook

Michiel Blijboom