De vergeten schande van Hollandia Kattenburg

Op 12 november 2012 hield ik een toespraak op het terrein van de voormalige Hollandia Kattenburgfabriek in Amsterdam Noord. Het was er winderig en koud, daar waar de flats eindigen en het open veld begint.

Schuldig landschap.

Tegenwoordig staat er een monument. Dat monument staat daar ter nagedachtenis van een nationale schande, die nauwelijks bekend is en uit het collectieve geheugen van de Nederlander gewist lijkt te zijn. Hier deed Willy Lages zeventig jaar geleden een inval, omdat hij wist dat veel Joden bij de fabriek werkzaam waren. Het schijnt dat een verraadster de Joden onder het personeel heeft aangewezen. Ze werden weggevoerd, samen met hun familieleden, die even later werden opgepakt.

Van de 826 gedeporteerde joden kwamen er acht terug. Ook die zijn nu allemaal dood. Hun kinderen, voor zover zij destijds wisten te ontsnappen, zijn inmiddels op leeftijd. Aanvankelijk dacht ik er niet aan de toespraak te publiceren, maar ik ben van mening veranderd. Het gaat niet alleen over het verleden, de kwestie is op een absurde wijze actueel. Joden, Israël, Dries van Agt, Rowan Atkinson, hufters en fatsoensrakkers, ze komen er allemaal in voor. Dus hierbij:

Dames en heren,

Zeventig jaar en één dag geleden vond op deze plek een misdaad plaats die wij vandaag herdenken. Op 11 november 1942 viel de Grüne Polizei op bevel van Rauter en onder leiding van Willy Lages de fabriekshallen binnen van Hollandia Kattenburg. De Joodse werknemers, 367 in totaal, werden van de niet-Joodse werknemers gescheiden en weggevoerd. Een deel naar Westerbork, het voorgeborchte van de dood.

Voormalig werknemers van de Hollandia Kattenburg fabriek herdenken hun Joodse oud-werknemers

Een ander deel, valselijk aangegeven door een verraadster als leden van een communistische verzetsgroep, ging naar de gevangenis in Scheveningen, waar zij werden ondervraagd en mishandeld. Vervolgens werden ook zijn naar Westerbork gedeporteerd. Samen met eveneens opgepakte familieleden werden 826 Joden naar de vernietigingskampen gestuurd. Van hen kwamen er slechts acht terug. Zij waren allen meisjes, die als getraumatiseerde vrouwen verder moesten leven.

Rauter werd na de oorlog berecht en gefusilleerd. Lages werd berecht en veroordeeld tot levenslang. In 1965 werd hij vrijgelaten, omdat hij ongeneeslijk ziek zou zijn, wat nogal meeviel, want hij leefde nog vijf jaar. De voor zijn vrijlating verantwoordelijke minister van Justitie was Ivo Samkalden, een Jood, die in een indrukwekkend betoog in de Tweede Kamer zei dat uiteindelijk genade voor recht moest gelden. Geen ander dan Samkalden had dit kunnen doen. Toen Samkaldens opvolger Dries van Agt in 1972 drie lotgenoten van Lages wilde vrijlaten, ging dat na heftig protesten niet door.

Dat Van Agt de portee van zijn eigen optreden nooit heeft begrepen, bleek uit zijn opmerking dat men de Joden direct na de oorlog een eigen staat had moet geven. Niet in het Midden-Oosten, maar in Duitsland. Kunt u zich voorstellen dat de acht die het Hollandia-drama hebben overleefd, in 1945 in Duitsland wilden gaan wonen?

Van die acht is niet lang geleden de laatste gestorven. De laatste getuige is dood. Zoals wij hier staan, kunnen wij alleen nog spreken uit de tweede hand. Dat betekent dat die verschrikkelijke elfde november 1942 definitief geschiedenis is geworden. Een paar jaar geleden stierf de laatste soldaat, die nog in de Eerste Wereldoorlog heeft gevochten. Het zal niet eens zo lang meer duren of ook de laatste soldaat uit de Tweede Wereldoorlog zal worden uitgezwaaid. De jongeren hier zullen het nog meemaken dat niet alleen de laatste soldaat , maar dat ook al degenen die voor 5 mei 1945 zijn geboren, gestorven zullen zijn.

Dan lijkt de Tweede Wereldoorlog voorbij. Dan bestaat de Tweede Wereldoorlog alleen nog in boeken en in de verhalen van de kinderen die het hebben gehoord van hun ouders en hun grootouders. Of die verhalen betrouwbaar zijn, is de vraag. De komende generaties zullen er tijdens herdenkingen dus alleen voor staan, zo zij überhaupt nog de behoefte voelen om te herdenken.

Historici, politici en opvoeders willen altijd graag dat er lessen worden getrokken uit de geschiedenis. Zij willen dat volgende generaties het anders gaan doen. Dat volgende generaties iets goed in de oren knopen. Zij roepen op tot een solidariteit en een engagement dat eerdere generaties nooit hebben opgebracht. Ik zal dan ook niet zo aanmatigend zijn om lessen uit de geschiedenis te trekken. Als de geschiedenis iets leert dan is het dat er van de geschiedenis niets wordt geleerd.

Mensen maken fouten, soms maken zij dezelfde fouten, en aangezien iedere generatie het recht heeft fouten te maken, zo maakt iedere generatie ook dezelfde fouten. Dat zien wij dagelijks in de praktijk. Na de Tweede Wereldoorlog is het verschijnsel oorlog niet uitgestorven. Na de Tweede Wereldoorlog is het martelen en het deporteren niet uitgestorven. Het gebeurt nog op allerlei plaatsen op de wereld. Welke houding moeten wij daartegenover aannemen? Ik wil de aanwezigen in dit opzicht zelfs geen raad geven, maar wel een paar voorzichtige adviezen.

Mijn eerste advies is een advies dat op bijeenkomsten als deze eigenlijk nooit wordt uitgesproken, maar dat ik meen uit de grond van mijn hart. Dat advies luidt: bewaar een zekere zorgeloosheid. Mijn vader was de enige van zijn familie die uit de oorlog terugkwam. De rest was omgebracht in de vernietigingskampen. Toch heeft mijn vader geprobeerd zijn kinderen daar niet mee op te zadelen. Hij wilde ook dat zij vrolijk konden zijn, konden lachen, gevoel zouden krijgen voor humor en ironie. Men kan wel oproepen tot tolerantie, maar als die zonder zelfspot gepaard gaat, heeft het geen enkele zin.

Dit is mijn tweede advies. Onlangs heeft Rowan Atkinson – jullie kennen hem misschien als de geniale komiek Mister Bean – een toespraak gehouden over allerlei inperkende wetgeving die de huidige Britse regering dreigt in te voeren. Volgens Atkinson is, na het recht op voedsel en eten, de vrijheid van meningsuiting het meest belangrijkste recht dat er bestaat. Dat is het fundament van onze vrijheid. De mogelijkheid om voor je mening uit te komen, zelfs als dat een domme mening of een verwerpelijke mening is, is het ultieme grondrecht dat ons beschermt tegen willekeur en misdaad, waarvan de werknemers van Hollandia Kattenburg het slachtoffer zijn geworden. In dit verband verwijs ik naar een opmerking van Rauter, zoals die wordt geciteerd door de geschiedschrijver Loe de Jong.

Direct na de inval heeft Rauter zelf een aantal van de Joodse werknemers ondervraagd. In het verslag dat daar over is gemaakt, valt te lezen: “Bij veel verdachten – dat waren dus de Joden – werd een uitgesproken brutaliteit en vastberadenheid tot het uiterste vastgesteld. Op de vraag of zich voor hen dan geen gewetensprobleem voordeed, dat hunnentwege gijzelaars geëxecuteerd waren, antwoordden de meeste Joden aan SS-Gruppenführer Rauter dat het hem onverschillig liet, dat het oorlog was en dat de gijzelaar nu eenmaal in de strijd tegen Duitsland waren gevallen…”.

Hier eindigt het citaat met drie snikkende puntjes. Je zou dit het toppunt van cynisme kunnen noemen, alsof het gewetensprobleem van de executies niet lag bij Rauter zelf. Maar afgezien daarvan gaat het mij om de verbazing van Rauter die bij de gearresteerde Joden ‘een uitgesproken brutaliteit en een vastberadenheid tot het uiterste’ heeft waargenomen. Kennelijk hebben de Joden zelfs in hun penibele situatie geen blad voor de mond genomen. En dat brengt mij terug tot Rowan Atkinson, die de vrijheid van meningsuiting ziet als de basis van ieder menswaardig bestaan. Atkinson gaat daarin tot het uiterste, net zoals de Joden van Hollandia Kattenburg.

De titel van Atkinson toespraak luidde dan ook: Feel free to insult me – voel je vrij mij te beledigen. Een stelregel, die geldt voor jou, maar die ook geldt voor mij. Dat brengt mij tot het derde en laatste advies. Alleen in een ware democratie, die door allen wordt gedragen, is dat radicale motto van Rowan Atkinson mogelijk. Wees daarom zuinig op de instituties die de democratie vertegenwoordigen en laten werken. Wees zuinig op de rechtstaat, op het parlement, op politie en justitie en op een ieder die zich daarvoor inzet. Wees zuinig op wat burgerschap wordt genoemd.

Dat geldt voor ons allen, maar meer nog brengt dat extra verantwoordelijkheden mee voor de boven ons gestelden. Wie leeft volgens de spelregels van Mister Bean kan zorgeloos door het leven gaan. Hij mag veel van de gruwelijkheden uit het verleden vergeten. Maar één dag van het jaar zal hij blijven onthouden, bijvoorbeeld die elfde november toen hier in 1942 de Joodse werknemers en hun families een groot onrecht werd aangedaan.

Ik dank u.

———
Volg HP/De Tijd ook op Twitter

Meer leuke content? Like ons op Facebook