Uitgestorven beroepen (3): snuifmolenaar, kindermaker, stronttonnetjesschepper

De mevrouw van het postkantoorloket, de uitbater van de videotheek, de man die fotorolletjes ontwikkelt – ze zijn in het nabije verleden allemaal werkloos geworden, simpelweg omdat hun baan is verdwenen.

En dat is ook helemaal niet erg. Met het verstrijken van de tijd verdwijnen er beroepen, dat is altijd al zo geweest en dat zal ook altijd zo blijven. Maar er zijn ontzettend veel beroepen waarvan wij geen idee hebben dat ze ooit hebben bestaan. Wie heeft er ooit gehoord van een reetveger, van een kindermaker en wie kent er nog een snuifmolenaar? HP/De Tijd zette enkele uitgestorven beroepen op een rij.

Lees hier deel 1 en deel 2 terug.

Snuifmolenaar
In de achttiende eeuw grossierde Amersfoort in de handel in snuiftabak. De Amersfoortse snuiftabak was zelfs de bekendste snuiftabak ter wereld. Snuiftabak werd, zoals de naam al verklapt, niet opgerookt maar opgesnoven. Vanuit je snuifdoos legde je wat tabak op je vinger, bracht deze naar de neus en snoof de tabak op. In de Gouden Eeuw en ook daarna was deze vorm van tabaksconsumptie veruit de populairste. Populairder dan roken. Later raakte het snuiven uit de mode en moest het plaatsmaken voor de pijp, de sigaar en de sigaret. Maar hoe werd snuiftabak gemaakt? Kijk, daar was dan de snuifmolenaar voor nodig. De snuifmolenaar droogde de in jeneverbessensap gedrenkte tabaksbladeren enkele jaren in opgerolde doeken, voegde er wat smaakstoffen aan toe en maalde de bladeren tot snuifbare poeder. Hoe dat precies in zijn werk ging ziet u hieronder.

Kindermaker
Over de kindermakers is niet veel bekend. Geschiedschrijvers zijn er volgens dit artikel op de website van Quest nog steeds niet uit of een kindermaker een mannelijke verloskundige is of iemand die tonnetjes maakte om haring of boter in te bewaren. (Kindekijn is namelijk een ander woord voor vaatje.) Dat is toch even een tegenvaller: het beroep klinkt leuker dan het eigenlijk is.

Reeuwer
Een reeuwer was verantwoordelijk voor het afleggen van overledenen en het vervoer naar hun laatste rustplaats. De doorgaans onbetrouwbare reeuwers waren gespecialiseerd in de behandeling van zogenaamde pestlijders. En dat is niet voor niets: overleed een hele familie aan de pest, dan erfde de reeuwer de gehele inboedel. Het zal u dan ook niet verbazen dat de lijkbezorgers het noodlot op slinkse wijze een handje hielpen, zodat ze na het ophalen van het laatste familielid ook meteen de huisraad in konden laden.

Stronttonnetjesschepper
Toen er nog geen riolering was, deed je je behoefte op een emmer. Op een poepdoos. Net als op de camping. (Alleen als je in de stad woonde trouwens; op het platteland gooide je het gewoon op de mestvaalt.) De met uitwerpselen gevulde emmers werden eens in de zoveel tijd opgehaald door de stronttonnetjesscheppers, die de emmer leeg kieperden in de strontkar. Zelfs na de Tweede Wereldoorlog werd nog op deze manier gewerkt, getuige onderstaande foto uit 1953.

Stronttonnetjesschepper in de Jordaan, 1953.
Stronttonnetjesschepper in de Jordaan. Amsterdam, 1953.

Lantaarnopsteker
Elektrische straatverlichting is er relatief gezien pas kort. Lange tijd werden straatlantaarns elke dag aangestoken en gedoofd door een lantaarnopsteker. Met aan lange stok stak hij de op gas of olie brandende lichten aan. De laatste lantaarnopsteker van Nederland ging in 1957 met pensioen.

lantaarnopsteker

Zoogster
Een zoogster, een min, een minne, een stilster en een zoogvrouw: ze doen allemaal hetzelfde. Namelijk: het kind van een ander borstvoeding geven, meestal tegen een kleine vergoeding. Met name in adellijke kringen was het geven van borstvoeding lange tijd impopulair. Dat lieten de deftige vrouwen liever aan iemand anders over. Omdat lange tijd werd gedacht dat de moedermelk invloed had op de persoon die de baby later zou worden (misschien kent u de uitdrukking: ‘Dat heeft hij met de moedermelk meegekregen’), werd de zoogster met zorg uitgekozen. Ze moest bijvoorbeeld een goed karakter hebben en zelfs de smaak en de volume van het zog werd beoordeeld.

Touwslager

Een touwslager is iemand die touw in elkaar draait om er vervolgens één dik touw van te maken. U begrijpt wat we bedoelen. De Lijnbaan in Rotterdam en de Lijnbaansgracht in Amsterdam doen nog aan dit beroep herinneren: soms waren er namelijk wel banen van driehonderd meter lengte nodig om een touw in elkaar te spinnen. En daar was soms een hele baan of gracht voor nodig.

Zeepzieder
Een zeepzieder maakt zeep uit natuurlijke vetten als levertraan, lijnolie, raapolie of boter. Eerst werd het vet op een koperen ketel gekookt (zieden betekent koken) met loog, waardoor het vet verzeept. Vervolgens werd de kokende vloeistof flink geroerd tot het een geheel werd en moest het enkele dagen afkoelen, en dan had je zeep. Sinds een kleine honderd jaar wordt deze manier van zeep maken alleen nog hobbymatig uitgevoerd.

Wekker
Er was een tijd dat elk huisblok in Nederland zijn eigen wekker had, ook wel een porder genoemd. Een wekker was een man die des ochtends langs de deuren trok om de bewoners wakker te maken. Met zijn houten knuppel klopte hij drie keer tegen de voordeur. Stak de bewoner zijn slaperige hoofd uit het raam, dan was zijn taak volbracht en kon hij een deurtje verder. De kosten? Zeven cent per week. Kort voor de Tweede Wereldoorlog waren er in Amsterdam nog drie wekkers te vinden – al waren de wekkosten in die tijd wel opgevoerd naar twintig cent per week. Saillant detail: heel vroeger hadden wekkers hun eigen wekker die ze dan ook weer betaalden om gewekt te worden. Hoe de wekker van de wekker werd gewekt weten we niet – dat wekt bij ons dan weer nieuwsgierigheid op.

Wekker


Meer leuke content? Like ons op Facebook