Spring naar de content
bron: Bert Nijmeijer

Het anarchisme is intellectueel gezien een vermoeiende ideologie

Mag je je hond wel uitlaten, alcohol drinken, je kinderen naar bed sturen? Zomaar wat dilemma’s waar anarchisten dagelijks mee kampen. In Appelscha biedt het Anarchistisch Kampeerterrein de nodige ontspanning. Maar van het anarchisme neem je nooit vakantie. "Je wilt tonen dat je de overheid niet nodig hebt om het leuk te hebben."

Gepubliceerd op: Geplaatst in de volgende categorieën:
Geschreven door: De Redactie

Op de middag van 27 april is het koud; niettemin beleeft Nederland een fantastische Koningsdag. Iedereen drinkt bier met oranje spul aan. Op de autoradio, Radio 1, is een middagvullende uitzending over het feest. Een panel van Oranjeduiders komt superlatieven tekort. Wat een mooie traditie het is, wat een topkoning wij hebben. Hoe goed hij het deed in het interview met Wilfried de Jong, hoe menselijk. Volgens enquêtes is 87 procent van de bevolking enthousiast over het koningshuis.

Een aantal landgenoten uit de overige 13 procent kampeert vandaag op het Anarchistisch Kampeerterrein in Appelscha, op de grens tussen Friesland en Drenthe. Ze hebben capuchons op tegen de wind. Een groepje mensen is bezig een kampeerwagen te vertimmeren. Ze houden een moment hun hamers en zagen stil, luisteren naar de toelichting van mijn onaangekondigde bezoek, en timmeren verder.

[blendlebutton]

De meesten hebben geen behoefte om aan zo’n verhaal mee te werken. Onafhankelijk van wat voor maatschappelijke tendens ook bouwen plukjes anarchisten in den lande dapper verder aan een betere, vrije samenleving. Er zijn afdelingen in onder andere Amsterdam, Utrecht en Nijmegen, met steeds een handvol tot enkele tientallen mensen.

Actief waarmee, dat is de vraag, want het werk geschiedt doorgaans ondergronds en slechts opgemerkt door gelijkgestemden – ‘buiten de orde’, zoals een anarchistisch blaadje heet.

Het anarchisme is intellectueel gezien een vermoeiende ideologie. Je moet je voortdurend afvragen of iets wel kan volgens het anarchisme, of het anarchistisch genoeg is. Of je het een ideologie kunt noemen bijvoorbeeld, een leer. Eigenlijk niet dus: een dwingend stelsel van leefregels, baas over de mens, dat gaat niet. Doodgewone dagelijkse dingen worden onoplosbare di- lemma’s: de hond uitlaten (baas-lijn-hond), kinderen opvoeden (vanuit welke autoriteit?), boodschappen doen (uit ongelijkheid voortgekomen producten).

Van het anarchisme neem je nooit vakantie. Maar ook anarchisten hebben, als ieder ander, een recreatiebehoefte. Op de camping in Appelscha vinden ze – door het constante geklus betrekkelijke – rust en ontspanning. Het terrein werd in 1933 aangekocht door anarchisten uit Noord-Nederland, voor de toen sinds enkele jaren met Pinksteren georganiseerde ‘landda-gen’. Het Kampeerterrein tot Vrijheidsbezinning werd een vaste anarchistische vakantiebestemming.

Nog elk jaar trekken anarchisten, autonomen en vrije socialisten uit de Lage Landen en verder naar Appelscha voor de Pinkstermobilisatie, om elkaar te zien, ter bewustwording en bewustblijving – de camping is in principe alcohol- en drugsvrij.

Vanaf de Aekingaweg, een smal weggetje langs burgercampings en recreatiecentrum De Posthoorn, gaat een zandweg tussen weilanden door naar de anarchistencamping. Wie het terrein op wil, moet eerst langs Nico, die met zijn grote kampeerbus van Mercedes net voorbij het toegangshek staat. Nico, Lonsdale-jack, rij oorringen, begroet én beoordeelt onbekende bezoekers: goed volk of niet. Hij is aardig, maar niet te goed van vertrouwen.

Anarchisme is discussiëren, altijd, over al- les, tot consensus is bereikt. Dat lukt vaak niet. Buiten gehoorsafstand vormen zich groepjes kampeerders in overleg, denkelijk over de vraag wat te doen met de ongenode gast. Een voordeel van het anarchisme is dat degenen die niets moeten hebben van de burgerlijke pers, anderen die geen bezwaar hebben niet het zwijgen kunnen opleggen. Wegsturen gaat niet. Dan blijft gedogen over.

Achter aan het terrein, tegen de bosrand, staat de stacaravan van Ron Blom (54) en Anita (55, liever geen achternaam). Ze wonen in Amsterdam. Terwijl hun woonplaats door een oranje meute onder de voet wordt gelopen, werkt Ron in Appelscha aan een lezing over de aan het eind van de Eerste Wereldoorlog in Drachten opgerichte arbeiders- en soldatenraad. Hij promoveerde op het onderwerp ‘Linkse soldaten, matrozen en hun organisaties tijdens de mobilisatie ’14-’18’. Proefschrifttitel: Niet voor God en niet voor het Vaderland.

Het waren andere, roerige tijden. Tegenwoordig lijkt de revolutie verder weg dan ooit. De volksopstand gaat eerder een verkeerde, rechtse kant op. De arbeiders van nu zijn die van toen niet meer. Communisme en socialisme zijn weg; het anarchisme speelt een – alleen door zichzelf opgemerkte – rol in de marge. Het is in de geschiedenis één keer in de praktijk gebracht, in Catalonië, 1936, toen anarchistische vakbonden er tijdens de Spaanse Burgeroorlog kortstondig functionerende vormen van arbeiderszelfbestuur installeerden. Vroeger werkte Ron in een radicaal-linkse boekwinkel in Boskoop, De Vijfde Kolonne geheten.

Hij verkocht er marxistische en anarchistische literatuur, ‘zware politieke shit, zoals mijn zoon zegt’. Het was in de jaren tachtig, toen goed en fout nog duidelijk waren. Een tijd van krakers, antimilitarisme, demonstraties – tegen de kernwapens in Volkel, tegen de Apartheid in Zuid-Afrika, tegen banken die Krugerrands verkochten. Zorgen van dertig, veertig jaar geleden. Ze zijn door nieuwe vervangen. Volgens sommigen doen de etiketten ‘links’ en ‘rechts’ niet meer ter zake; het gaat nu tussen ‘globalisten’ en nationalisten. Anarchisten zijn geen van beide, en nooit geweest ook.

Er zijn tegenwoordig modernere vormen van anarchisme, die niet meer zo willen heten. Anders-globalisten, do-it-your- selfers. Hackerscollectieven als Anonymous, met die maskers, filesharers, open source-mensen. De klassieke tak is heel klein, heel lokaal. Men treft elkaar op de Pinksterlanddagen, op demonstraties, zoals laatst, toen het Domela Nieuwenhuis Museum in Heerenveen met sluiting werd bedreigd. Vaak weten ze het niet eens van elkaar. Hé, zit jij ook bij de Vrije Bond? Ben jij ook anarchist? Wat leuk.

In Appelscha, aan het einde van het zandpad, zijn de anarchisten onder elkaar. Ron en Anita hebben een jaarplaats. De meeste kampeerders hebben een jaar- of seizoensplek, sommigen de facto een plek voor het leven. Hierachter staat Hans, al zo lang mensen zich kunnen herinneren. Hiertegenover staan Jaap en Gemma, de oudste kampeerders. Er zijn ook gezinnen, Leontine met Feyko, Daan en Josje met de kinders.

In de caravan van Anita en Ron ruikt het naar de petroleumkachel. Er is thee, er zijn boeken en cassettebandjes. Bekende titels: Piketty, Arm en rijk van David S. Landes. Op tafel een boek over het communisme in Friesland. Buiten, vooraan bij het campinggebouw, maken kinderen vuur in de vuurbak, voor de marshmallows van vanavond. Andere voetballen op het naastgelegen gras. Ze maken plezier, krijgen ruzie, roepen ‘kutkind’ naar elkaar – wat de burger moed geeft, ergens, dat kinderen elkaar ongeacht opvoeding of politieke achtergrond zo noemen.

Anarchisten zijn gewone lui. Je hebt er aardige bij en wat minder aardige, openhartige en achterdochtige, anarchisten die je eerst beter moet leren kennen. Op de camping staan hun caravans losjes door elkaar heen, niet strak in het gelid maar vrij. Er staan gewone caravans en stacaravans, rechte caravans en een beetje scheve, beschilderde caravans en kampeerketen. Er is een vakantiehuisje, voor kampeerders die te oud zijn geworden voor een caravan. In het activiteitenhuis vooraan is een zaal vol met half vergaan campingmeubilair, een podium met een banner: “Vrij socialisme is totaalstrijd.”

Aan de wand in de naastgelegen bibliotheek-bar-gezelligheidsruimte waakt de imposante kop van Ferdinand Domela Nieuwenhuis over lering en vermaak, met zijn beroemde leus “Drinkende arbeiders denken niet, denkende arbeiders drinken niet.”

Anders dan veel mensen denken, staat anarchie niet voor chaos en willekeur, maar voor orde. Orde door overleg, van onderop. Het is de O om de anarchisten-A. Het is zoals de negentiende-eeuwse Franse filosoof Pierre-Joseph Proudhon (bedenker van de term) anarchie bedoelde. Het is een soort omgekeerd laisser faire: laisser discuter, we komen er samen wel uit. Dat leidt niet tot een gebrek aan regels, maar eerder tot een teveel. Veel te veel regels, zegt Daan Weyler, anarchist uit Den Bosch, vaste kampeerder in Appelscha.

Daan komt uit Gent. Op zijn dertiende, in Antwerpen, las hij het Communistisch Manifest. Proudhons opvatting ‘eigendom is diefstal’ vatte post. Dat je geen God en geen meesters moet erkennen, dat zelforganisatie de enige acceptabele vorm van orde is. Daan is huisman, zijn vrouw Josje ouderenarts. Ze wonen met hun kinderen Marijn, Sasha, Jakob, Farah en veertig andere mensen in een oud ziekenhuis, ooit gekraakt, nu gelegaliseerd. Ze hebben ook een, eveneens naar petroleum ruikende, stacaravan op de anarchistencamping.

“Je kunt alleen een vaste plek krijgen als je anarchistisch bent,” zegt Marijn, twaalf, bijna dertien. Jaarplek-aspiranten doorlopen een toelatingsprocedure, legt vader Daan uit. “Je moet je geloofsbrief overleggen, hoe je de anarchistische beweging ziet, jouw plek erin.” Oude kampeerders deden hun plek over aan hun kinderen, die minder affiniteit met de beweging hadden. Het verwaterde, ideologisch gezien. Daar wil men voor waken.

Marijn is even groot als zijn vader. Een puber met sluik haar en Adidas-gympen. “Ik heb een andere mening dan de kinderen uit mijn klas. Mijn denken is anders,” zegt hij. Hij zit op het vwo. Hiervoor ging hij naar een katholieke basisschool. “Ik probeer mijn opvattingen niet op te dringen,” zegt Daan. Katholiek is anders dan anarchistisch, maar dat verschil heb je ook op een openbare school of een vrije school. Vanuit een anarchistische visie is overal wel wat op aan te merken.

Verschillende keren valt de zinsnede ‘hier hadden we net een discussie over’ of ‘daar hebben we een heftig conflict over gehad’. Het nooit eindigende debat heeft ook een voordeel, zegt Daan. “Je neemt geen overhaaste beslissingen.” Ze hebben een kampeerder gehad die al dat overleg overdreven vond. Die bouwde gewoon zelf een speeltoestel, dat niet veilig bleek.

De alcoholdiscussie is nog iets waar ze nooit uit gaan komen. Vooral de oudere kampeerders zijn er heel principieel in. Een glas in de caravan moet kunnen, vinden sommigen. Het wordt gedoogd. Er is geen bier- of wijnpolitie die komt controleren. Over een paar basisdingen is iedereen het wel eens. Dat misdaad en criminaliteit voortkomen uit armoede en onderdrukking. Dat de productiemiddelen niet in handen moeten zijn van een kleine groep, die anderen uitbuit. “Je buit mensen uit en steelt hun kracht,” zegt Marijn. Het is zoals Proudhon zei, Bakoenin, Kropotkin. Tegenwoordig heb je een soort lifestyle-anarchisten, leuk met muziek, veganistisch koken. In de jaren tachtig dweepten de punks met anarchie. Die hadden er ook vrij weinig van begrepen.

Josje en Daan zijn getrouwd. Mag dat?

“Ik doe wat ik wil,” zegt Daan. “Het moet leuk blijven.” De kinderen krijgen geen anarchistische opvoeding. Josje zat vroeger op een anarchistische school, waar de leerkrachten, medewerkers genoemd, niet meer over het programma te zeggen hadden dan de kinderen. Sommige anarchisten vinden het moeilijk om hun kinderen

’s avonds naar bed te krijgen: op grond van welke autoriteit? Daan en Josje zeggen wel gewoon: jullie gaan nu slapen. De kinderen luisteren. Gelukkig.

En zo probeer je het anarchisme handen en voeten te geven, ook op de camping. Jakob, hun op een na jongste, komt op zijn laarsjes de caravan binnen: het vuur brandt, het vuur is bijna uit, toe nou, komen jullie nou? Daan en Marijn staan op. Marshmallows. Het campingleven. In een kring rond het vuur, dingen vertellen. Misschien een spelletje. Een potje volleybal, kan dat? Daan: “Ik vind competitie ingewikkeld, maar dat moet kunnen.”

5 mei. Nederland heeft opnieuw iets te vieren, de vrijheid deze keer. Op het Kampeerterrein tot Vrijheidsbezinning is alleen Nico aanwezig, informeel portier, en verderop Mikkie en haar vriend Ron, een andere Ron dan Ron Blom. Deze is het dak van zijn caravan aan het repareren. “Dit is een journalist,” zegt Nico. “Die komt af en toe kijken of er mensen zin hebben om met hem te praten. En ik heb er geen zin in.”

“Ik ook niet,” zegt Ron, verder timmerend. Een dag later, zaterdagmiddag. Een in het zwart gekleed stel loopt met een kind in een buggy over het zandpad richting Appelscha. Op de camping is het nog steeds nagenoeg leeg. Het is wel, heel voorzichtig, mooi weer geworden. Voor het eerst zit er wat warms in de lucht. Nico heeft bezoek van een oudere vrouw en een oudere man. Ze drinken thee in de luwte van zijn kampeerbus, in de zon.

De vrouw is Nico’s moeder. “Moet je daarheen, naar die alternatievelingen?” vroeg de taxichauffeur daarnet. Wist ze dat zeker? Ja, dat wist ze zeker. Ze blijft ook slapen.

De andere man is Hans, zeventig jaar. Hans is een reiziger. Hij woont ook in een ander, gevaarlijker land. Hij staat helemaal achteraan op de camping, achter Ron Blom en Anita. Hans is zelfvoorzienend, altijd al geweest. Nooit een baas gehad, nooit een uitkering. Nu heeft hij AOW. Hij is thuis in elektronica, water en vuur. Als hij iets ziet wat niet klopt, fikst hij ’t. “Wat hebben linkshandigen aan een rechtshandige kraan?” Precies, niets. Intussen heeft zich een ouder paar bij het hek gemeld, met een hond aan de lijn. Ze worden ontvangen door Nico. “Stam,” stelt de man zich voor. Hij kwam hier vroeger altijd, verklaart hij. “Ik zeg net te’eng Rika: eem kijk’n hoe het hier veranderd is.” Hier liggen verhalen, hier ligt geschiedenis. Stam kijkt omhoog naar het campinggebouw. “Hier is mijn oom Henk nog bij werkzaamheden van het dak gevallen.”

Toen, in de jaren zestig, stonden hier nog echte arbeiders. Veenarbeiders, Drentse, Friese. Anarchisten. Dienstweigeraars, totaalweigeraars. Heel principieel volk. Je ging ervoor de bak in. Stam zelf weigerde ook dienst. Hij werd later afgekeurd op S5. Is hij nu nog steeds anarchist? Nee, niet meer. “Je verandert.”

Er parkeert een auto voor de entree, een Citroën C1. Eruit komt Anita, met twee zware boodschappentassen. “Ik stond vast in het dorp,” zegt ze. “Alles is afgezet.”

De kampioenschappen wielrennen van Noord-Nederland komen door het dorp, zegt Hans. “Wat kan mij dat schelen?” zegt Anita.

Ze heeft Ron thuisgelaten in Amsterdam. Die werkt nog steeds aan zijn lezing over de Drachtse soldaten- en arbeidersraad. Zelf had ze thuis niet zoveel te doen, en ze dacht: ik ga naar Appelscha. Ze loopt met de tassen naar de caravan, langs de andere Ron, die nog altijd met zijn dak bezig is. Op een tafel staat iets wat lijkt op een glas bier. “Alcoholvrij,” zegt hij.

Op een tuinstoel voor de caravan rookt Anita sigaretten van Camel. Hiernaast hangt Hans de was aan een waslijn. Hij zingt. De vogels fluiten. Die rust: heerlijk. Anita vertelt over het anarchisme, dat haar grootouders anarchistisch waren maar haar ouders gewoon sociaaldemocratisch, dat het misschien een generatie overslaat. Over acties in Amsterdam, waarbij ze uitgeprocedeerde vluchtelingen aan onderdak helpt, met hulp van de kraakbeweging.

“Je probeert te laten zien dat je de overheid helemaal niet nodig hebt om het leuk te hebben, om dingen voor elkaar te krijgen,” zegt Anita. “Op kleine schaal weet je het best hoe je het wilt hebben.” Er zit een grens aan een werkbare omvang van een organisatie. Daarboven loopt het vast. Dat liet Kropotkin al zien.

Iedereen heeft campingtaken. “Iedereen doet wat hij leuk vindt,” zegt Anita. “De wc schoonmaken vindt niemand leuk, maar het moet toch gebeuren. Dan verdeel je die taken. Zo kun je het in een gemeenschap ook doen.” Er is veel te doen. De Pinkster- landdagen moeten worden voorbereid. Dan staat het hier tjokvol met tentjes. Het is altijd heel gezellig, met leuke workshops. Een workshop bomen klimmen, een cursus verantwoord je huis barricaderen, gegeven door de brandweer: hoe je de politie buitenhoudt maar jezelf niet opsluit.

Ja, zegt Anita, ze streven nog steeds naar de revolutie, de omverwerping van de staat en de vestiging van een nieuwe orde. “Maar ik ga dat niet meer meemaken.”

Het stel met de buggy is weer terug. Ze kamperen in de caravan van de Anarchistische Groep Amsterdam. Hun zoontje speelt vooraan bij het oorlogsmonument. ‘1940-1945’ staat erop, en: “Onkwetsbaar blijft de geest, te midden van het bruutste geweld. Aan alle gevallen Kameraden.”

De strijd gaat door. Maar er moeten ook boodschappen worden gedaan. Nico doet een brommerhelm op en start zijn scooter. Zijn moeder leest een boek in de zon. We horen Nico wegrijden op het zandpad. Het geluid wordt langzaam minder en verdwijnt. Daarna horen we alleen nog de vogels.

[/blendlebutton]

Onderwerpen