Op de trui van Stig Broeckx staat ‘Panache’

De jongen staat in een gymzaal. Een klinische ruimte. Hij draagt een moderne bril op een jong, baardloos gezicht. Zijn benen zijn stokjes. Wanneer hij ze gebruikt om zich voort te bewegen, maken ze een vreemde, onnatuurlijke bocht. Die jongen is Stig Broeckx. En hij leeft nog.

Valpartijen in het wielrennen maken me misselijk. Vaak zie je ze eerst van de achterkant: achtergeblevenen die zich vastrijden in een onoverzichtelijk hoopje schroot en ledematen, ongeduldig wachtend tot ze erlangs kunnen, tot ze dóór mogen, naar waar de wedstrijd gewoon doorgaat. Zij die opgehouden worden, willen zo snel mogelijk weg bij hen die op de grond liggen. Daar horen ze niet bij. Niemand wil horen bij de mensen die blijven liggen. Wie blijft liggen, maakt geen kans op een ereplaats.

Dan komt de camera naderbij. Jongens in de berm houden hun pols vast alsof het een uit het nest gevallen eendje is. Mannen die zich oprichten, door hun hoeven zakken en weer opstaan. Losse helmen, van hoofden geklapt. Een enkeling ligt nog, de benen opzij, de voeten in het klikpedaal. Een ander staat over zijn gemaltraiteerde fiets gebogen. Jij geneest vanzelf, je fiets niet.

Soms, als de cameraman van de motor stapt, hoor je het gejammer, het gegil dat niet overstemd kan worden door voorbijschietende auto’s en motoren. Soms komt er bloed aan te pas, bloed dat uit een hoofd drupt als koud water van een ijspegel in de zon. Een stukje verderop, schuin de vangrail: een jongen in een onnatuurlijk houding voor iemand die al geboren is: op z’n zij, de knieën opgetrokken, het bovenlichaam licht voorover. De ogen gesloten.

Op die momenten denk ik altijd: die staat niet meer op. Morsdood.

Dan schakelt de regie over naar voren, waar de overlevenden tonen hoe het leven zich er door de dood nooit onder laat krijgen.
Veel van die renners staan vroeg of laat toch weer op. Soms vervolgen ze de wedstrijd, een andere keer laten ze zich naar het ziekenhuis rijden. Meestal lees je dan na twee weken in de krant dat ze alweer in training zijn, ondanks zes breuken en tenminste één geperforeerd orgaan.

Als Stig Broeckx in de Ronde van België van 2016 in een venijnige afdaling in de buurt van Eupen door een motorrijder wordt getoucheerd en zijn evenwicht verliest, staat hij niet meteen weer op. Hij kermt ook niet, hij ligt daar maar.
Al in de tweede wedstrijd van het jaar, Kuurne-Brussel-Kuurne, was hij aangereden door een motor. Hij is net weer fit.

Zijn vader Peter is op dat moment aan het werk in de stal. Peter is melkveehouder in Dessel, in de Kempen, een streek waar het altijd waait. De maanden die volgen zal Peter Broeckx vooral in ziekenhuizen doorbrengen. De eerste keer dat hij zijn jongen, een talentvolle, jonge profwielrenner terugziet, ziet hij slechts een zwijgende hoop verband.

Stig Broeckx ligt in wat ze een vegetatieve coma noemen. De linkerkant van zijn schedel is ingedeukt.

Een paar maanden na Stigs val wordt Greg van Avermaet in Rio de Janeiro Olympisch kampioen. Wanneer hij op het erepodium zijn arm in de lucht steekt, ziet de hele wereld een rood bandje om zijn pols. Fight for Stig, staat er op dat bandje.
Om eerlijk te zijn gelooft niemand dat het nog goed komt. Tegen beter weten in proberen ze hem te wekken. Zijn ouders nodigen zijn vrienden uit, spreken elke dag tegen hem, draaien zijn lievelingsmuziek en knijpen tubes massage-olie voor hem uit.

Om eerlijk te zijn gelooft niemand dat het nog goed komt.

En dan wordt Stig Broeckx wakker. Toch nog. Die eerste maanden doorloopt hij alle stadia van zijn leven nog eens. Opnieuw is hij baby, kleuter, scholier en jonge renner. Hij moet leren slikken, leren eten, praten. Hij noemt namen van mensen die hij al twintig jaar niet heeft gezien, vertelt bijna woordelijk een spreekbeurt van lang geleden na. Maar hij is er weer, hij is er nog. En met de terugkeer van het bewustzijn komt de woede.

“Ik ben een gehandicapte mongool!” roept hij dan plots. “Ik kan niks meer!”

Stig Broeckx
Beeld: screenshot Sporza

De panache van Stig Broeckx

Dit weekend, anderhalf jaar na die val in Eupen, verscheen op de site van Sporza een filmpje van verslaggever Sammy Neyrinck. Vier minuten lang zie je Stig Broeckx, die nooit meer bij bewustzijn zou komen.

We zien zijn driewieler, we zien zijn hem worstelen om zijn voeten recht neer te zetten, we zien hem oefeningen doen om zijn lijf weer op gang te zwengelen.
We horen zijn stem, die klinkt alsof hij in slow motion wordt afgespeeld. Als hij het parkoersje binnen de vijftien seconden heeft afgelegd, lacht hij. High five.

Op zijn trui staat ‘Panache’.

Het zijn droeve minuten, maar ze bewijzen dat je geen topsporter hoeft te zijn om Sportman van het Jaar te worden.

N.B.
Een deel van de informatie uit deze column is afkomstig uit het schitterende artikel dat Raf Liekens afgelopen zomer schreef voor tijdschrift Bahamontes. De Engelse vertaling van dat verhaal staat hier.

Meer Frank Heinen? Like onze Facebookpagina