Drie broers in rouw: ‘Gewone lieve mannen moeten niet dood willen’
Ik zag hoe mijn ouders naar hun zoon keken. De zoon die het altijd zo goed had gedaan. Die een huwelijk had gehad, twee zoontjes, een eigen zaak, een groot huis met een sauna, een heel dure Volkswagen, een burgerlijk leven inclusief ski- en zomervakantie, dure apparatuur en zo’n klotetrampoline in de achtertuin. Dat was allemaal weg. Op de bank tegenover hen zat een schim van die zoon. Een magere jongen. Krap veertig, maar nu al afgeleefd. Ik zei: “Waarom wilde je ons zien, Markie?” Hij zei: “Omdat het genoeg is geweest, ouwe rukker. Ik ga er een eind aan maken.” Mijn ouders zeiden niks. Ik voelde woede opborrelen, wilde vloeken, eigenlijk, maar zei rustig: “Dat kan niet zomaar, joh.” Hij zei: “Dat weet ik. Ik ben er al bijna een jaar mee bezig en het ziet ernaar uit dat het gaat lukken. Ik ben er bijna.” Mijn ouders zeiden nog steeds niks. Ik wist ook even niks uit te brengen. Deze hadden we niet zien aankomen. Mark was keurig, voordat het allemaal misging, hij deed wat de Vinex-wijk van hem verwachtte. Op zijn slaapkamer trok hij vervolgens de gordijnen dicht, en haalde van onder het matras een fles wijn tevoorschijn die hij er op een handig moment verstopt had. Die zoop hij leeg. En, ja, dan sliep hij. Drank hielp. Tegen de geestelijke kwellingen, tegen de angsten die hij had, de depressieve gevoelens die hij met niemand deelde. Hij was de ideale zoon, de ideale schoonzoon, de perfecte vriend. Hij was de vader, de zoon en de Heilige Geest. Hij was Arie Boomsma, maar dan zonder dat lichaam.








