De hogere relativeringskunst van zenboeddhist Bauke Mollema

Frank Heinen 17 sep 2018 Sport

Het liefst van alles zou ik Bauke Mollema zijn. Lekker de hele dag over Spaanse bergen jakkeren, kapot gaan, de benen voelen vollopen met zuur en dan als een doodgeknepen grasparkiet over de streep rollen. Moegestreden. Uitgeput. Afgepeigerd – sowieso een woord dat hem past als een trenchcoat. En dan later zou ik, voor de camera van verslaggever Han Kock (half mens, half microfoon), de plooien uit mijn gezicht wrijven en zeggen: ‘Joah, ging wel lekker.’

Relativeren is een kunst. Nederlandse wielrenners beheersen die kunst. In de afgelopen Vuelta lieten ze dat maar weer eens zien. In de vlakke etappes, die praktisch allemaal gewonnen werden door Elia Viviani, werd dat het duidelijkst. Viviani werd geïnterviewd door de organisatie en onze Danny van Poppel ietsje verderop door de NOS. Viviani bedankte iedereen, in dat Roadrunner-Italiaans van hem. ‘Grazie a mijn ploeggenoten, mijn vriendin, mijn ouders, mijn stad Verona, al mijn vorige ploegen, al mijn vorige vriendinnen, Italië, Mario Cipollini, Umberto Eco en Placebo Domingo.’ Daarna vrat hij een handdoek op. Van Poppel, die meestal vierde werd, of anders toch minstens vijfde, hing een stukje verderop over zijn stuur, met een blikje Euroshopper-sinas in zijn nek. Hij zei dingen als ‘Jaaaaaahhhhhhh’ en ‘Bfffhgugjhghg’ en ‘Ik zat op zich goed’. En dan kwam er een gedetailleerde analyse, in dat slepende Brabants van ‘m, van wie waar wanneer zat en waarom. Korte samenvatting: hij had op zich goed gezeten.

Sprinters zijn slopers – dat is in iedere tak van sport zo. Vechthonden. Vroeger, wanneer een getalenteerde sprinter vierde of vijfde werd, kreeg hij van de ploegleiding een boom en een bijl, om zich af te reageren. Als de Franse sprinter Darrigade drie ritten achtereen niet won, trapte hij een binnenstad in elkaar. In die tijd gold er nog helmplicht voor verslaggevers.

Als de Franse sprinter Darrigade drie ritten achtereen niet won, trapte hij een binnenstad in elkaar

Rembrandt

Steven Kruijswijk werd uiteindelijk vierde deze Vuelta. Hij leek het podium te gaan halen, maar kwam daarvoor net tekort. Zoals hij eerder al tekort kwam voor een onvoorstelbare etappezege op Alpe d’Huez (nu bleef het bij een onvoorstelbare niet-etappezege) en de winst in de Giro (nu bleef het bij de meest dramatische niet-winst in de Giro ooit). Steven Kruijswijk is misschien wel de beste renner ter wereld die nooit op een erepodium staat. En als het dan eindelijk lijkt te lukken en je rijdt beter dan ooit, en je bent sterker dan ooit, je hebt minder pech dan ooit, en je wordt dan, op de laatste dag, nog rechts ingehaald door een Spaans rennertje dat eruit ziet als een cadeautje na vijf tankbeurten, en ze vragen je hoe je je voelt, wat zeg je dan?
Steven Kruijswijk zegt dan: ‘Jammer.’

(Toegegeven: Steven zegt ook wel eens ‘kut’. Maar dat is dan altijd nog een heel relativerende ‘kut’, een ‘kut’ die klinkt als ‘jammer’.)

Jammer. De gemiddelde gast in het Radio 1 Mediaforum maakt zich bozer om Heel Holland Bakt dan Steven Kruijswijk om zijn levensdoel dat als zand tussen zijn vingers door glijdt.

En dan is er Bauke Mollema, de Rembrandt van de relativering.
Drie weken lang reed Bauke Mollema om een rit te winnen. Hij demarreerde vaak al terwijl de rest van het peloton nog aan de koffie zat. Nooit eerder heb ik iemand met zoveel talent gezien bij wie het doorzettingsvermogen dat talent nog overwoekerde. Elke dag in de aanval, elke dag dat Groningse sprinkhanenlichaampje al die bergen op hijsen, en elke dag wel een of andere stoethaspel die je kort voor de finish nog inloopt. Op de laatste serieuze dag verloor Bauke de strijd om het bergklassement (toch al een poedelprijs) ook nog aan Thomas de Gendt. Voor de niet-wielerliefhebbers: vergelijk het met John Irving die het in de korteverhalenwedstrijd van de gemeente Oldenzaal net aflegt tegen Barry Beunsma.
Na elke niet-winst (voor niet-wielerliefhebbers: verlies) meldde Mollema zich bij de NOS-microfoon.
‘Hoe ging het?’
En elke keer dacht ik: hier stopt de relativering. Nu moeten toch zelfs bij een zenboeddhist als Bauke de stoppen doorslaan? Nu moet hij die Kock toch aan zijn microfoon de Pyreneeën in slingeren, hem naschreeuwend: “Hoe dacht je dat het ging? De hele dag rijd ik me het snot uit de broek, het regent, het waait, mijn benen voelen als twee cactussen op sterk water, mijn hoofd is een spons en ik, Bauke Mollema, winnaar van Touretappes en klassiekers, wordt hier totaal uitgewoond 47ste; hoe denk je zelf dat het gaat?”
Maar dat deed Bauke Mollema geen enkele keer. Hij relativeerde. Hij had lekker gefietst. De benen voelden goed. De samenwerking verliep soepel. Ja, jammer. Morgen weer proberen.
Ik vind het al moeilijker te verdragen als ik een droge mandarijn te pakken heb.

Het wezen van de sport
En toen kwam er een vreselijke gedachte bij me op: ze zullen het toch niet werkelijk leuk vinden, dat gewielren, Van Poppel en Kruijswijk en Bauke? Ze zullen toch niet werkelijk denken: ik doe mijn best, ik kijk hoe ver ik kom en ik amuseer me en hopelijk win ik dan? Je doet er alles aan en als het klaar, is het afgelopen en zolang de wedstrijd bezig is, is er niets belangrijkers dan dat, maar zodra die afgelopen is, moet je direct de betrekkelijkheid kunnen bevatten.
Want als dat zo is, zou dat betekenen dat ze bezig zijn het wezen van de sport te doorgronden. En, hallo, wat moet ik dan nog?

Reageer op artikel:
De hogere relativeringskunst van zenboeddhist Bauke Mollema
Sluiten