Spring naar de content
bron: ANP

Gezellig op klimaatrantsoen

In de klimaatdiscussie gaat het vooral over warmtepompen en zonnepanelen. Maar als we echt iets willen doen aan CO2-uitstoot en milieuschade, zal onze consumptie ook aan banden gelegd moeten worden. Vlees, vliegreizen en luxeproducten kunnen op de bon. Een pleidooi voor rantsoenering.

Gepubliceerd op: Geplaatst in de volgende categorieën:
Geschreven door: Beatrijs Ritsema

Toen scholieren de straat op gingen om tegen de opwarming te demonstreren (‘CO2 weg ermee!’ riepen de zogeheten klimaatstakers of klimaatspijbelaars), was mijn eerste gedachte dat die tieners beter op school konden zitten en het periodiek systeem uit hun hoofd leren dan met spandoeken op het Malieveld rondhangen. Met gedegen kennis van de scheikunde, natuurkunde en biologie kunnen ze op den duur meer betekenen voor de redding van de planeet dan met demonstraties. Los daarvan beviel het me niet dat iets mondiaals als het klimaatprobleem voorgesteld werd als een generatiekwestie, waarbij jongeren lijnrecht tegenover ouderen staan. Die simplistische manier van denken hoor je wel vaker in het klimaatdebat: ouderen, oftewel de babyboomers, hebben de planeet geëxploiteerd, uitgeput en opgewarmd, zodat hun onschuldige kleinkinderen met de gebakken peren zitten. 

In een recente dystopische sciencefictionroman, De muur van de Britse auteur John Lanchester, figureert dezelfde gedachte. Dit boek speelt zich af in een niet heel verre toekomst na ‘de Omwenteling’, een klimaatomslag die wereldwijd de zeespiegel deed stijgen, waardoor allerlei migratiestromen van klimaatvluchtelingen op pad gingen. Het territorium van Groot-Brittannië is voorzien van een gigantische muur langs de hele kustlijn, waarop jonge dienstplichtigen tussen de achttien en twintig jaar patrouilleren om indringers buiten te houden. De muurwachters hebben het voortdurend koud omdat de Warme Golfstroom is weggevallen, waardoor de temperatuur is gedaald. De jonge hoofdpersonen in De muur hebben allemaal een uitgesproken slechte relatie met hun ouders, die van vóór de Omwenteling zijn en dus de goede tijd van weelde en lekker op het strand liggen nog hebben meegemaakt. De jongeren koesteren minachting voor hun ouders en nemen het hun kwalijk dat die het zo ver hebben laten komen dat hun kinderen in de misère zitten. De ouders op hun beurt gedragen zich schuldbewust en bangig tegenover hun kinderen.

Op de een of andere manier vind ik het niet geloofwaardig dat kinderen zich tegen hun ouders keren in die omstandigheden, hoe rottig die ook mogen zijn. Ja, ik weet dat kinderen in China tijdens de Culturele Revolutie hun eigen ouders aangaven bij de autoriteiten, en in de Sovjet-Unie gebeurde dat ook, maar dat waren dictaturen die zich toelegden op indoctrinatie van de jeugd. Als er een apocalyptische ramp plaatsvindt (kernoorlog, plotselinge zeespiegelstijging) lijkt het me niet voor de hand te liggen om je ouders verwijten te maken. Zijn jongeren die in vluchtelingenkampen of in naargeestige wijken opgroeien boos op hun ouders? Lijkt me weinig zinvol.

Het is altijd prettig om iets of iemand de schuld van iets vreselijks te kunnen geven. Dat maakt dingen overzichtelijk en in één moeite door pleit je jezelf vrij. Voor het opwarmingsprobleem is het nog niet zo makkelijk om de schuld ergens neer te leggen. Wat hebben babyboomers als individuele burger of consument precies misdaan, waardoor hun kleinkinderen of verdere nazaten in de puree zullen komen? Ze zijn groter en gerieflijker gaan wonen dan hun eigen ouders, ze hebben geprofiteerd van de aardgasvondsten, hun hele huis wordt centraal verwarmd, ze hebben tal van huishoudelijke apparaten aangeschaft, zoals ijskasten en vriezers, was-droogcombinaties, espressomachines, ze eten en drinken meer dan goed voor ze is, onder andere vlees en alcohol. Hun huizen staan vol met laptops, tablets en e-readers. Ze rijden auto en elektrische fiets, ze gaan per vliegtuig op stedentripjes of naar het Verre Oosten en naar Machu Picchu. Alles grotendeels te danken aan fossiele brandstoffen.

Allemaal niet best voor het klimaat, maar kinderen en jongeren doen precies hetzelfde. Eerst tweeënhalf jaar wegwerpluiers consumeren en daarna gaat het door met een eindeloze stroom plastic speelgoed, eigen kinderkamers die naargelang de leeftijd nieuwe meubels moeten krijgen, goedkope modekleding voor tienermeisjes die maar drie keer wordt gedragen en daarna weggegooid, scooters, brommers, smartphones, drie keer per jaar met ouders op vakantie en als zelfstandige jongere begint het reizen met goedkope vliegtickets pas goed. 

Er is geen verschil tussen ouderen en jongeren. In het algemeen kun je het mensen niet kwalijk nemen dat ze een comfortabele omgeving voor zichzelf creëren, omdat al die klimaat- en milieubelastende spullen en voorzieningen reële vooruitgang vormen. Je hoeft mentaal maar honderd jaar terug in de geschiedenis te gaan om heel blij en dankbaar te zijn dat je geen luiers meer op het fornuis hoeft uit te koken, dat niet de hele familie noodgedwongen ’s winters om de enige kachel van het huis geschaard zit, dat je in de supermarkt kunt kiezen uit voedsel uit de hele wereld in plaats van bij de kruidenier maar weer een pond grutten en een kilo ui aanschaffen, een dagelijkse douche in plaats van een moeizaam badkuipgebeuren één keer per week, allerhande mediavertier en niet alleen maar kaartspelletjes en één keer per jaar de kermis. Om over de middeleeuwen, toen het dagelijks leven nog veel meer moeite kostte en met grote stank en rotte tanden gepaard ging, maar te zwijgen.

Misschien is de leefwijze van particuliere burgers klimatologisch gesproken wel verkeerd, maar die manier van leven is wel op een organische manier voortgekomen uit de noden van vroeger. Elke vinding (elektrische verlichting, radio, centrale verwarming, de auto, televisie, internet) was een verbetering van het leven tot dan toe en werd enthousiast onthaald en in snel tempo in gebruik genomen. Elke comfortverhoging betekende ook een grotere impact van de mens op zijn omgeving en uiteindelijk op het klimaat.

Als iedereen schuldig is, is niemand schuldig. Omdat er, ondanks de toegenomen welvaart voor iedereen, nog steeds grote verschillen in rijkdom bestaan tussen sociale klassen, worden mensen woedend zodra het in de discussie gaat over eigen verantwoordelijkheid en zelfbeteugeling. Hierin toont zich de aloude tragedie van de meent: de gemeenschappelijke weidegrond van het dorp biedt voedsel voor een beperkt aantal schapen. Zolang de dorpelingen zich collectief aan het hun toegemeten maximum houden, gaat alles goed, maar voor een individu kan het lonend zijn om het eigenbelang te laten prevaleren en een paar extra schapen de weide op te smokkelen. Als iedereen dat doet, stort de zaak in elkaar, maar als je je als enige aan de regels houdt, delf je ook het onderspit.

Klimaatmoralisten preken soberheid en het vrijwillig afzien van verspillende levensgeneugten voor de redding van de planeet onder het motto ‘iedereen is verantwoordelijk en iedereen kan een steentje bijdragen’. Aanmaningen als de thermostaat lager zetten, warme truien aantrekken, korter douchen, niet vliegen, fietsen in plaats van autorijden, geen of zo min mogelijk vlees eten zijn de bekendste voorbeelden. Naast woede over immigratie is woede over ‘klimaatgekkies die eerzame burgers hun warme douche, hun auto en hun vliegvakanties naar de Spaanse costa’s willen afpakken’ de tweede pijler van het populisme, waaraan Forum voor Democratie zijn recente verkiezingswinst heeft te danken.

Klimaatmoralisme dat een beschuldigend vingertje naar elke individuele burger (consument) uitstrekt is een hopeloze strategie om doelen te bereiken, omdat je er mensen alleen maar mee op de kast jaagt. De stakende scholieren waren slim genoeg om zich dááraan niet te buiten te gaan. Ze hadden natuurlijk zelf ook geen zin in vragen als ‘Eet je nog vlees? En hoe zit het met je eigen vlieggedrag?’ In plaats daarvan wezen ze naar ‘de’ politiek en ‘de’ industrie. Wat de discussie niet veel verder brengt, want in een democratie is ‘de’ politiek niets anders dan de gecondenseerde wil van het volk, terwijl ‘de’ industrie zich toelegt op het materialiseren van allerhande menselijke behoeften. Je schiet er niets mee op door de politiek en de industrie schuldig te verklaren. Anderzijds beschikt de politiek wel over middelen om burgers en industrie tot gedragsverandering te bewegen (wetgeving) en zal innovatie op het gebied van de energievoorziening door de wetenschap tot stand moeten komen, grotendeels gefinancierd door de industrie.

Omdat ik ondanks de betrekkelijke zinloosheid van de schuldvraag toch benieuwd was naar wat nu eigenlijk de belangrijkste factor is binnen het hele conglomeraat van opwarmingsoorzaken, heb ik geprobeerd die informatie op internet bij elkaar te sprokkelen. Zoals te verwachten viel dat niet mee. Je verdwaalt onmiddellijk in een enorme hoeveelheid artikelen, rapporten en tabellen die allemaal verschillende meeteenheden gebruiken en verschillende accenten leggen. Waar ik in ieder geval door verrast werd, was de betrekkelijk geringe bijdrage van vlieg- en scheepvaartverkeer aan de stijging van broeikasgassen in de atmosfeer. Doordat er in de media de laatste jaren veel aandacht is besteed aan de kwalijke invloed van vliegen en scheepvaart (mammoettankers, cruiseschepen) had zich bij mij een indruk van grote boosdoeners gevestigd, maar volgens een studie van het Europees Parlement bedraagt het aandeel van de internationale luchtvaart in de totale uitstoot van broeikasgassen slechts vijf procent, en dat van de scheepvaart drie procent. Het mondiale auto- en vrachtwagenverkeer levert zes procent, zodat de hele transportsector uitkomt op veertien procent. 

Deze studie waarschuwt wel dat de uitstoot van het vlieg- en scheepvaartverkeer in 2050 tweeënhalf keer zo groot zal zijn, als dat in het huidige tempo blijft groeien. Er is alle reden om vliegen duurder te maken door bijvoorbeeld belasting op kerosine in te stellen en ook om brandstof voor schepen schoner te maken om uitstoot te verminderen, maar het huidige aandeel van vijf procent voor het totale vliegverkeer lijkt niet zo alarmerend dat je je schuldig moet voelen als je een reisje naar de Canarische eilanden wil maken.

Daar komt bij dat de scheepvaart naast CO2 ook zwavelvervuiling geeft, die opmerkelijk genoeg een koelend effect op de atmosfeer heeft, omdat zwaveldeeltjes het zonlicht wegketsen. Volgens een Noorse studie neutraliseert deze koeling door zeeschepen op termijn de opwarming door auto’s en vliegtuigen.

Ik ben geen deskundige op klimaatgebied en kan de juistheid van de verbanden en de cijfers bevestigen noch aanvechten. Wel kom ik tijdens mijn speurtocht naar antwoorden meer relativering tegen dan ik had verwacht op grond van de vaak aangehaalde mantra ‘97 procent van de wetenschappers is het eens met de stelling van het IPCC dat het klimaat opwarmt door toename van broeikasgassen als gevolg van menselijk handelen’ (die overigens niet klopt, want deze uitspraak is gebaseerd op een artikel van John Cook e.a. uit 2013, dat alleen uitspraken doet over percentages van publicaties, niet van wetenschappers).

Zo kijken geologen er bijvoorbeeld vaak veel laconieker tegenaan door hun kennis van de geschiedenis van de planeet die tijdvakken heeft gekend met een radicaal ander klimaat en totaal anders samengestelde atmosfeer. De onbetwiste correlatie tussen hoeveelheden CO2 en opwarming zou ook een (vooralsnog onbekende) andere oorzaak kunnen hebben die beide variabelen beïnvloedt. Overigens vinden veel geologen dat de aanwezigheid van de mens te kort van duur is (als de levensloop van de aarde op 24 uur wordt gezet, heeft de mens dertig seconden geleden zijn intrede gedaan) om zo’n grote invloed op het klimaat te kunnen laten gelden. 

Ook zijn er wetenschappers die zichzelf niet als opwarmingsontkenners afficheren en de invloed van de mens daarop niet betwisten, maar wel wijzen op de voordelen van meer broeikasgassen: vergroening van de aarde. Gerespecteerd wetenschapsjournalist (en conservatief) Matt Ridley fungeert als spreekbuis van deze richting. In een lezing bij de Global Warming Policy Foundation in 2016 stelde hij dat de vegetatie in de afgelopen dertig jaar met veertien procent toenam, met zeer gunstige effecten op de voedselvoorziening.

Dit tijdelijke effect wordt door klimaatwetenschappers niet weersproken; het probleem is dat de wereldbevolking hier niet ongelimiteerd mee kan doorgaan, omdat op zeker moment alsnog funeste andere effecten kunnen optreden, zoals smeltende gletsjers en poolkappen, waardoor de zeespiegel stijgt en lagergelegen stukken land (de helft van Nederland!) onder water verdwijnen. Mijn ten enenmale tekortschietende rondgang langs de controverses van de klimaatdiscussie heeft me geleerd dat het klimaatprobleem te groot, te aspecifiek en te abstract is om mensen te verenigen. Het werkt eerder splijtend door mensen die er sowieso het fijne niet van weten tegen elkaar op te zetten in tegenpolen van alarmisten en ontkenners. Het is voor de mensheid al vijf voor twaalf sinds het eerste rapport van de Club van Rome verscheen, in 1972. Allerlei eerder gesignaleerde problemen op het gebied van milieu (zure regen, aantasting van de ozonlaag, vervuild oppervlaktewater) zijn aangevat en opgelost; er is geen reden om aan te nemen dat het nastreven van klimaatdoelen, zoals geformuleerd in het klimaatakkoord van Parijs, niet óók z’n vruchten zal afwerpen.

De reden dat ik toch voorstander ben van opwarming beteugelende maatregelen is niet zozeer het klimaat, als wel het milieu, omdat dat actueel en veel concreter is. Neem de alomtegenwoordigheid van plastic daarin. Plastic vervuilt land en oceanen en duurt eeuwen om af te breken. Plastic komt in de voedselketen terecht en doodt vissen en vogels. Plastic in de vorm van verpakkingsmateriaal, speelgoed en (wegwerp)spulletjes dient het gemak van de mens. Veel plastic is meer een kwestie van luxe dan van noodzaak. Hoge belastingtarieven op alle denkbare plastic artikelen waar een redelijk papieren/kartonnen alternatief voor bestaat, kunnen een rem zetten op de aanschaf ervan. Overschakelen van een wegwerp-economie die op gas en olie drijft naar een meer circulaire economie met minder schade voor milieu en klimaat dwingt tot het rendabel maken van andere energiebronnen. De benodigde nieuwe technologie moet van de wetenschap komen. Individuen die korter douchen, flexitariër worden en de fiets nemen in plaats van de auto zetten geen zoden aan de dijk.

Als er een serieuze, collectieve inspanning op besparingsgebied nodig is, zou die in de vorm van rantsoenering moeten worden gegoten. Wanneer het over gedragsverandering van individuen gaat, spreekt het idee rantsoenering (oftewel dwang) mij vreemd genoeg veel meer aan dan technieken als nudging (de burger met zachte hand naar de juiste keuzes manoeuvreren) of preken. Diehards lappen toch alle aansporingen en vrome praatjes aan hun laars. Rantsoenering begrenst keuzevrijheid zonder die helemaal af te schaffen. Ik stel me zo voor: elke burger heeft ongeacht leeftijd recht op drie ons vlees en drie eieren per week en maximaal tweeduizend vliegkilometers per jaar. Wie een cake wil bakken, een barbecue wil houden of met vakantie naar Thailand wil, moet een tijdje sparen. 

Misschien heb ik hier al te romantische associaties bij. In de oorlog zaten levensmiddelen en brandstof op de bon en in Groot-Brittannië duurde de rantsoeneringsellende van de burgers tot halverwege de jaren vijftig. Maar mijn idee over wat er op de bon zou moeten betreft geen elementaire levensbehoeften, zoals wc-papier of brood of groente, maar juist luxeproducten. Je gaat er niet dood van, als je je daarin een beetje moet beperken.

Een groot voordeel is dat in tegenstelling tot het prijsinstrument – producten met een zwaar milieu- of klimaatbeslag duur maken – rantsoenen voor iedereen gelden en dat de rijken er evengoed mee te maken hebben als de armen. Natuurlijk ontstaat er een zwarte markt met een levendige handel in rantsoenen, er zullen mensen kippen gaan houden en stadsduiven, parkeenden en duinkonijnen stropen, maar is het erg als burgers enige vindingrijkheid aan de dag leggen? Als er rantsoenen zijn, hoeft niemand meer na te denken over moreel verwerpelijke keuzes, omdat iedereen noodgedwongen al zijn beste beentje voorzet. Een limiet aan consumptie van luxe is zowel beter voor de mens in het hier en nu als op termijn voor milieu en klimaat.