Spring naar de content
bron: ANP/Denmark Out/Helle Arensbak

Een confronterende odyssee naar het Deense popwalhalla

Op uitnodiging van een architectenbureau ging onze voormalige webcoördinator Berend Sommer mee naar het Deense stadje Roskilde, waar MVRDV een school voor jonge muzikanten en een museum voor de Deense rockmuziek heeft ontworpen. Onze held bleek langer over het traject Amsterdam-Schiphol dan Schiphol-Roskilde te doen. Vraag niet hoe, maar hij kwam er uiteindelijk toch terecht, overeind gehouden door een beloofd optreden van Bob Dylan.

Gepubliceerd op: Geplaatst in de volgende categorieën:
Geschreven door: Berend Sommer

Als je op reis gaat naar Ithaka, smeek dan dat je toch heel lang mag zijn. Dat dichtte de Griekse dichter Konstatinos Kavafis over de Odyssee. Dat er niets van die dichtregels klopt, weet ik na mijn eigen odyssee. Mijn odyssee ging niet naar Ithaka. Nee, het was een persreis naar Roskilde. Dat ligt in Denemarken. Een persreis betekent dat je als reporter op pad kunt naar een evenement of gebeurtenis of locatie die bijzonder is, in de stille verwachting dat je daar een verslag over tikt waarin de organisator in het zonnetje wordt gezet.

In dit geval werd ik uitgenodigd door het Rotterdamse architectenbureau MVRDV, die in het Deense stadje Roskilde een school voor jonge muzikanten en een museum voor de Deense rockmuziek had ontworpen. Dit architectonische hoogstandje zou worden getoond, en aansluitend zou de persreis het jaarlijkse Roskildefestival aandoen. Bob Dylan was de hoofdact. Omdat ik te flegmatiek van aard ben om zelf een kaartje te kopen voor zo’n optreden, zei ik direct ja. Voor je het weet is de oude bard dood (met George Michael was mij dat ook al overkomen, en dat liet ik me niet nog eens gebeuren). Op woensdag heen, op donderdag terug, en een overnachting in Kopenhagen: de moderne mens is altijd onderweg. 

Aan alles was gedacht door de organisatie: taxi’s naar het hotel, taxi’s naar het festival, taxi’s terug naar het hotel. Dat was maar goed ook, want ook deze jonge reporter wordt graag als een prins behandeld. Zo vertrok ik goedgemutst om acht uur ’s morgens uit Amsterdam, ruim op tijd voor de vlucht van kwart voor tien.

Ik dacht alleen maar aan Bob Dylan, en verstand van architectuur heb ik nauwelijks.

Voelde ik de verwachting van het architectenbureau? Geen ogenblik: ik dacht alleen maar aan Bob Dylan, en verstand van architectuur heb ik nauwelijks. De trein vertrok en direct verzonk ik in gedachten over hoe bijzonder het was om even op een neer te gaan naar Denemarken, terwijl dat in de negentiende eeuw ruim een week had geduurd – ik las de memoires van Victor Hugo (die nooit een voet in Denemarken had gezet, en zeker niet bekend met Bob Dylan). Nog voordat ik deze gedachte had afgerond stokte de trein. We strandden langs het Westerpark.

Ik raakte niet in paniek. Treinen stoppen regelmatig zonder enige verklaring, en zeker in de omgeving van stations is dat niets om je druk over te maken. Vast een rood sein. In de rest van de coupé vertrok niemand een spier: allemaal doorgewinterde reizigers of forenzen. Na vijf minuten begon ik toch wat onrustig te worden, de conducteur deelde ons mee dat de trein kapot was. Die onrust was van korte duur, want in de volgende zin kondigde hij aan dat de trein terug zou gaan naar Amsterdam. Probleem opgelost. Ik appte de persvoorlichtster dat ik onderweg was, maar in een kapotte trein zat die weldra terug zou rijden naar Amsterdam, waar ik de volgende kon nemen. Dat was ten onrechte. De conducteur had namelijk niet verteld wannéér de trein terug zou keren.

Zo bleven we, de coupé en ik, geduldig wachten op een teken van leven. Af en toe sloeg de airco uit, en na vijf minuten weer aan. Dat was een verraderlijk geluid: het leek alsof de trein weer zou gaan rijden, maar dat gebeurde niet. Buiten zag ik twee magere duiven op hun gemak grazen in de berm. Om de paar minuten reed er een trein langs, zonder enige twijfel onderweg naar Schiphol. Door het raam aan de andere kant van de coupé zag ik het puntje van de toren van gebouw het Schip. Ik was opgesloten op hemelsbreed precies driehonderd meter van mijn huis. No direction home, dacht ik vol grimmig zelfmedelijden. 

In de trein liepen de gemoederen steeds hoger op. Mensen verlieten de coupé en kwamen niet meer terug. Conducteurs liepen verwoed heen en weer door de trein. Kennelijk werd op een veel hoger niveau een politieke strijd beslecht tussen ProRail en de NS, met deze trein als inzet en de vraag of hij wel of niet terug mocht naar Amsterdam en zo ja, wanneer en op welk spoor.

Ik zette Bob Dylan aan om de pijn te verzachten. Dat hielp.

Als ik de trein van 9:08 zou halen, kon ik al sprintend nog bij het vliegtuig komen. Rennen door een vertrekhal leek me geen aanlokkelijk vooruitzicht, maar de vlucht missen was nog minder aantrekkelijk. Toen het negen uur werd, gaf ik de moed langzaam op. Uit frustratie en onmacht begon ik in een razend tempo mijn meegebrachte lunch naar binnen te werken. Hoe was het mógelijk dat ik uitgerekend in een kapotte trein was gestapt? Ik zette Bob Dylan aan om de pijn te verzachten. Dat hielp. 

Om zeven over half tien, de persvoorlichtster sms’te me ten overvloede dat het niet meer mogelijk was om te boarden, kwam de trein langzaam op gang. Hij stokte, na een meter te hebben gereden, en probeerde het toen nog eens. Zoals de Romeinen na een confrontatie met Asterix en Obelix keerde het toestel verslagen en gebutst stationwaards om te worden opgelapt. Tot overmaat van ramp bleken ook alle deuren defect. We werden de hele trein doorgeleid, naar de voorste deur die met een aparte sleutel was opengemaakt. Het was een lange Intercity Direct. 

Na deze tegenslag wilde ik het liefst naar huis, en van ellende mijn bed in. Maar uit plichtsbesef nam ik de volgende trein naar Schiphol. Ik werd gebeld door een vriendelijke vrouw van MVRDV die me gebood om de volgende vlucht te boeken – om half een. Op Schiphol rekende de uitcheckautomaat 4,50. Spitstarief. Dat vond ik ongepast. 

Het kille angstzweet brak me uit. Hoe was het mogelijk.

Zo snel mogelijk dat ticket omwisselen dus, op een drafje door de vertrekhal van Schiphol, een plek waar een normaal mens direct hartkloppingen en een grauwbezweet overhemdboordje van krijgt. Na vragend smeken bij een werknemer van Norwegian Airways werd ik gewezen op de klantenservice van KLM, een oase van rust vergeleken bij de hectiek van de vertrekhal. Die stilte werd snel erg concreet: ik kreeg een briefje zoals vroeger bij de slager. De wachttijd bedroeg veertig minuten. Kon ik binnen die tijd naar de wc? Ik twijfelde er een kwartier over en ging uiteindelijk toch.  

Na veertig minuten – het was bijna elf uur – was ik aan de beurt. Omboeken naar half een, dat kon, maar het kostte 313 euro. Dat vond ik veel geld. Een rekenmeesteres van het architectenbureau legde me telefonisch uit dat dit voor eigen rekening was. Het kille angstzweet brak me uit. Hoe was het mogelijk. Dan ga ik terug naar huis, zei ik. Die Bob Dylan komt vast nog wel een keer naar Nederland. Prompt werd ik opgebeld door de persvoorlichtster, die zei dat als ik niet zou komen, ze de hele reis en verblijf op mij zou verhalen. Een mooie boel. Als zoenoffer wilde ze de helft van de 313 euro ophoesten. Ik had niet echt een keus, besloot ik, en kocht het nieuwe ticket. De zelfhaat was groot. 

U vraagt zich misschien af waarom deze reis zo van belang is voor de rest van de reportage: nou, de lezer moet in ieder geval weten wat voor kruisgang ik heb doorstaan, om speciaal voor u een concert te zien. 

Tot mijn schrik begreep ik helemaal geen Deens.

De afstand Kopenhagen Schiphol was sneller overbrugd dan die tussen Amsterdam en Schiphol, maar u moet niet denken dat ik er al was. Nee, Kastrup Airport ligt aan de ene kant van Kopenhagen en Roskilde aan de andere kant. Tot mijn schrik begreep ik helemaal geen Deens, en ook de letters kon ik door de å’s en ø’s maar moeilijk thuisbrengen. In een opwelling probeer ik 2000 Deense kronen te pinnen. Mijn saldo was ontoereikend. Ik pinde er 1500. Dat lukte wel. Ik had geen idee hoeveel kronen er in een euro gaan. Eenmaal op Kopenhagen werd ik omringd door frisgewassen blonde Denen. Allemaal op weg naar dat festival natuurlijk: ik moest staan in de trein. Het zweet brak me uit, maar ik had mijn water weggegooid bij de Nederlandse douane. 

Rond half drie stapte ik in een taxi naar het Ragnarockmuseum, waar ik zou worden onthaald. Nog voordat station Roskilde uit zicht was, ontdekte ik dat er één lange file was naar het festivalterrein. En op elke hoek een rood stoplicht. Een colonne vrolijke Denen op de fiets passeerde ons, schaars gekleed en allemaal met een koelbox vol bier. Mijn dorst nam hand over hand toe. 

Ragnarock museum. Foto:Ossip van Duivenbode.

Na de taxirit (in Denenmarken betaal je per minuut in een taxi, en niet per afgelegde afstand) kwamen we aan bij een goudkleurig ruimteschip: het Ragnarockmuseum.  De buitenkant was geïnspireerd op de riem van een popster, en de binnenkant op de kist van een gitaar: rood, zoals de fluwelen binnenbekleding. Tot mijn grote vreugde herkende ik de persvoorlichter en ze nam me prompt mee naar een auditorium. Daar haakte ik aan bij een lezing over de geschiedenis van het museum en over het gevoel dat het gebouw moet overbrengen. De donkere zalen wekten bij mij de indruk van een poptempel, vlak voor een concert. Er was een tentoonstelling over Deense punkbands waar ik nog nooit van had gehoord. Op de achtergrond resoneerde David Lynch-achtige muziek, die het museum een beetje spookachtig maakte. Midden in de zaal ontwaarde ik een groot hart gemaakt van kunststof, gespiesd door een betonnen steunbeer. 

Ragnarock museum. Foto: Ossip van Duivenbode

Dat hart bleek onderdeel van een bredere symboliek: er wordt hier gewerkt met het hart, het hoofd en de handen. Met het hart wordt muziek gemaakt, met het hoofd wordt er gedebatteerd en gefilosofeerd en met de handen wordt er gewerkt aan handvaardigheid en houtbewerking. 

Vervolgens kreeg ik een snelle privérondleiding door een architect van MVRDV door de nabijgelegen Roskilde Festival Højskole. Die school was gebouwd in een oude betonfabriek, waar een honderdtal leerlingen een jaar lang leren om hoofd, hart en handen te gebruiken. Een soort sociaaldemocratisch tussenjaar. De omgeving deed me denken aan een commune, maar dan met Scandinavische architectuur. Alle lokalen hadden een eigen kleur, waarvan oranje de belangrijkste was: de aula leek op de binnenkant van een rijpe abrikoos. Het doel van de architecten was, zo leerde ik, transparantie in optima forma. De bedoeling van zoveel mogelijk openheid is het creëren voor een extra veilig gevoel voor onzekere tieners. Niet verkeerd gedacht. Het vooruitzicht om een jaar lang in een beschermde omgeving aan te kloten op een gitaar leek me bijzonder aanlokkelijk. 

Roskilde Festival Folk Highschool. Foto: Christopher Malheiros Paris.

Nadat ik het gebouw had goedgekeurd, kreeg ik eindelijk de gelegenheid om me aan de andere deelnemers van de reis voor te stellen. Ik bleek de enige niet-architect te zijn, toch traden ze me welwillend tegemoet. Ze vroegen me wat ik van deze gebouwen vind. “I’m intrigued, but I’m also thirsty.’  1500 Deense kronen geld brandden in mijn zakken: hoog tijd het nabijgelegen festivalterrein eens te bestuderen. Onderweg naar het terrein werd ik bijgepraat over de aanbestedingsregels van de Europese Unie, en hoe een architectenbureau mee moet doen aan prijsvragen om kans te maken om gebouwen te ontwerpen. Daar had ik nog nooit over nagedacht. 

Eenmaal binnen bleek onze Deense reisgenoot, van wie ik de naam alweer vergeten was, bijna iedere festivalbezoeker te kennen. Hij schoot een gezette man aan, met een vriendelijk gezicht en rood haar met sproeten. Deze jongen, Kristiann Hollmann, bleek een van de organisatoren. Het leek alsof hij ons spontaan een rondleiding begon te geven, maar nader onderzoek leerde me dat hij ook werkte voor een architectenbureau (genaamd COBE, dat samen met MVRDV in Denemarken opereerde). Vrolijk leidde hij ons rond door het festival, waar hij al ruim twintig jaar vrijwilliger was. Voor ik er erg in had, zaten we rond een picknicktafel achter HERAS-hekwerk. ‘Backstage!’ bulderde hij, en toverde een tree bier uit een bungalow. Ik mocht hem direct. 

Blozend vulde hij mijn tas met blikken Tuborg.

Na een biertje, en nadere uitleg over de opbouw van het festival (ingericht als een groot dorp met ieder jaar een andere opbouw), was het tijd om op onderzoek uit te gaan. Als een soort Willy Wonka gidste hij ons door het festivalterrein. “Willen jullie Tears for Fears zien vanaf het podium? Kan hoor. Niet daar staan, dat is alleen voor VIPs.” Hij wees naar een plek die overdekt was met tentzeil.  “Ik begrijp niet wat die mensen daar doen, want je ziet niets van het optreden. Kom we gaan meer bier halen.” Blozend vulde hij mijn tas met blikken Tuborg, het officiële biermerk van het Roskilde Festival. Dat kwam goed uit, want ik merkte al snel dat ik niets aan mijn 1500 kronen had: je kon alleen met pin betalen. 

Toen was daar opeens Bob Dylan. Het hele festival werd onrustig en meldde zich bij The Orange Stage: het grootste podium. Eindelijk had ik de bestemming van mijn odyssee bereikt. Ik was gespannen. Volgens de overlevering geeft Bob Dylan soms abominabele optredens waarin hij een paar onverstaanbare zinnen in een microfoon bromt, maar dat was op deze avond absoluut niet het geval. Vol goede moed ramde hij op een piano, tegelijk monter grommend in de microfoon. Soms ving ik flarden op van bekende teksten, maar meestal was hij amper te volgen. Geen wonder, want Dylan was al bijna tachtig: de hoge noten haalde hij niet meer. Toch was hij in een uitstekend humeur, en droeg een zwarte broek met een witte bies en een ondeugend witzijden sjaaltje dat fladderde in de Deense wind. 

Vol goede moed ramde hij op een piano, tegelijk monter grommend in de microfoon.

Twee keer stond hij op en liep naar voren, om applaus in ontvangst te nemen. Vervolgens liep hij op zijn dode gemak terug naar de piano, alsof hij door een salon liep. Hij speelde ‘Like a Rolling Stone’, volgens statistieken op bobdylan.com deed hij dat voor de 2074ste keer. 

De historische sensatie waar ik op had gehoopt bleef uit. Ik zag niet de man die The Beatles kennis had laten maken met marihuana, of de man die met één tik op de snaredrum de geschiedenis van de popmuziek veranderde. Nee, ik zag zelfs niet de man die, na het schrijven van de cultplaat Street Legal een nieuwe band had moeten zoeken omdat zijn oude band de muziek te slecht vond om in te spelen. Het was een oude man die met veel plezier in een oranje tent optrad, voor ruim tienduizend mensen. Hij had het naar zijn zin, en dat was voldoende. 

Onderwerpen