Spring naar de content
bron: Ruth Walz

Virtueel fantaseren blijft kinderspel

Wekelijks schrijft Joke de Wolf op zaterdag een column over kunst. Deze week over (disfunctionele) Virtual Reality in de kunstwereld.

Gepubliceerd op: Geplaatst in de volgende categorieën:
Geschreven door: Joke de Wolf

Zodra er een nieuwe beeldtechniek wordt uitgevonden, is de porno-industrie erbij. Dat was in de negentiende eeuw het geval met de stereokijkers – vieze plaatjes in drie dimensies – en dat werkt ook zo met VR. In 2013 kreeg ik tijdens familiebezoek in New York een nieuwe gadget op m’n neus en vooral voor m’n ogen: het prototype van de Oculus Rift, binnen een paar jaar zou Virtual Reality, VR, een nieuwe categorie worden in de digitale beeldenwereld. Ook voor hun andere verslavingen konden gamers hun lol op met de bril met joystick waarmee je deuren openmaakt, zwaarden activeert en al het andere wat je maar zou kunnen bedenken.

In 2013 was het aanbod nog weinig opwindend, en kwam mijn eerste VR-ervaring neer op een wat onhandige zweeftocht over de driedimensionaal gemaakte Google Maps-weergave van Amsterdam. Het was veel gedoe voor iets heel alledaags: ik zag een foto van ons eigen huis aan de andere kant van de oceaan, de geblurde voorbijgangers waren bevroren op hun fietsen, en verder klopte het allemaal. En dat was het dan ook.

Vreemd, want musea zijn juist plekken waar je komt om échte dingen te zien.

Inmiddels zes jaar verder zou je kunnen verwachten dat VR volwassen geworden zou zijn, dat er werkelijk iets te beleven valt in die eenzame wereld achter de bril. Dat lijkt ook te kloppen: de porno-industrie maakt er dankbaar gebruik van (vermakelijke video’s van ouderen die zo’n poging tot erotische ervaring hebben kunt u zelf wel googelen), en je komt de techniek ook te pas en vooral te onpas tegen op plekken waar ze denken dat de virtuele driedimensionale wereld iets zou toevoegen aan het bestaande. Bedrijfsfeesten, beurzen natuurlijk, en vreemd genoeg is de VR-koorts ook in musea toegeslagen. Vreemd, want musea zijn juist plekken waar je komt om échte dingen te zien, dingen die ze daar hebben en nergens anders. Dingen die met een beetje fantasie toegang bieden tot een andere wereld, een andere tijd of gewoon een goed verhaal.

Twee jaar geleden was er in Tate Modern in Londen bijvoorbeeld een grote Modigliani-tentoonstelling, met uiteraard veel van zijn typische naaktevrouwen-schilderijen uit de hele wereld voor het eerst bij elkaar: spectaculair. Op één plek stond er een rij: voor de ingang van de VR-beleving. Binnen zaten tien mensen ontredderd op een stoeltje met een VR-bril op hun hoofd. Toen ik eindelijk ook een bril voor mezelf had, kreeg ik een rondleiding door het Parijse atelier van de jong gestorven kunstenaar. Door een tijdje naar een schilderij op een van de ezels te kijken – dezelfde schilderijen die verderop in het museum écht te zien waren – hoorde je een tekstjes over zijn leven. Er dwarrelden stofjes door de lucht, dat was het visuele hoogtepunt. In de grote Da Vinci-tentoonstelling in het Louvre is de komende maanden zelfs een VR-impressie te zien van, houdt u vast, de Mona Lisa. De wereldster hangt immers op haar eigen vaste plek, een verdieping hoger, en de toeristenstromen zouden in het honderd lopen als ze zou verhuizen.

Fraai poëtisch idee, de praktijk bleek wat weerbarstiger.

Inmiddels hebben ook de wat meer avontuurlijke filmmakers en kunstenaars zich aan VR gewaagd. Niet altijd succesvol. Zo zag ik vorig jaar in Eye Filmmuseum het project van Laurie Anderson, Chalkroom. Ze had samen met een Taiwanese programmeur een ruimte gemaakt waarin je kon vliegen, gewichtloos door de kamers kon reizen en al zwevend zou je dan de associatieve woordenbrij tegemoetkomen die Laurie zelf had opgeschreven. Fraai poëtisch idee, de praktijk bleek wat weerbarstiger: om een onduidelijke reden kwam ik tijdens het vliegen – techniek die een goede arm-joystick-coördinatie vereiste, en handigheid – steeds in een hoek van de ruimte terecht en lukte het me niet eruit te raken.

De afgelopen week opende in Eye Filmmuseum de tentoonstelling Virtual Dioramas, waarvoor zes Nederlandse kunstenaars aan de slag zijn gegaan met de techniek. Bij de presentatie in een bioscoopzaal vertelden de makers over hun ambities. Ze hadden uiteenlopende achtergronden: er was een architect bij, een theatermaker, twee beeldend kunstenaars, een fotograaf en een game-designer. Het ging die laatste om het ‘vertellen van een oneindig verhaal’, los van de gebruikelijke plots en spanningsbogen.

Vervolgens werd The Cosmos Within Us, opgevoerd door een VR-opera van de Britse commercialmaker en ‘vr-kunstenaar’ Tupac Martir. De aankondiging van de uitvoering was groots: zo’n twintig mensen stonden langs het podium achter knopjes, microfoons, schermen en muziekinstrumenten, het publiek kreeg een koptelefoon met een duur versterkertje eraan, en Tupac vertelde van tevoren dat er spelregels waren – telefoons op vliegtuigstand, de versterkertjes niet mee naar huis nemen, en Happy Birthday zingen op een later te duiden moment. Het meest spectaculaire en tegelijk treurige was de persoon die vervolgens werd binnengeleid: volledig ingepakt met VR-bril en koptelefoon, op het scherm achter hem konden we meekijken met wat hij zag.

Er werd druk gezwaaid met geurstokjes die blijkbaar bepaalde emoties moesten opwekken.

Een diepe mannenstem leidde de aanwezigen rond in de gedachtewereld van Aiken, een blijkbaar wat verwarde man die terugkeerde in zijn jeugdherinneringen en daarmee in het huis van zijn kindertijd. Aan elk detail was gedacht: eerst was de ruimte vervallen, duister, langzaam kwamen de herinneringen terug, en daarmee ook de mensen en het leven. Elk detail uitgelegd, in die platte driedimensionale beeldtaal weergegeven, stemmen aangezet, en als extra bonus kwam er ‘geurbeleving’ bij, er werd druk gezwaaid met geurstokjes die blijkbaar bepaalde emoties moesten opwekken.

De 38 minuten dat de voorstelling duurde leken een eeuwigheid. Niet vanwege de diepgang, juist vanwege de tot in de puntjes uitgestippelde emoties die wij, de toeschouwers, geacht werden te ervaren. De clichés buitelden over elkaar, zo mierzoet en perfect dat het pijn deed aan ogen en oren.

Sommige VR-werken van de Nederlandse kunstenaars neigen, voor zover ik ze tenminste kon zien – ook hier waren de rijen lang, en was later kaartjes kopen ingewikkeld –  naar zo’n zelfde invuloefening. The Exhibition van fotograaf Jasper de Beijer bijvoorbeeld, waarbij je heel ontspannen rondwandelt tussen driedimensionale opnames van presentaties uit voormalig-koloniale musea; als je je omdraait schuift er achter je een volgende presentatie naar voren. Perfect, punt. Vraagteken. Want waarom zou je deze bestaande reproducties zo haarfijn reproduceren? Waarom moet ik dit zien? Omdat het kan?

De presentatie van fotograaf De Beijer was in een lege witte ruimte, bij Gouden Kalf-winnaar Daniël Ernst was het juist enkel zwart. De andere vier hadden meer aandacht besteed aan de omgeving van de bril, en bij de uitwerking wél ruimte gelaten voor eigen invulling. Lotje van Lieshout schilderde bijvoorbeeld een denkbeeldig landschap, het schilderij dat ze gebruikte in haar VR-werk hangt ernaast, en de schetsmatigheid van de flatgebouwen aan de horizon zijn heerlijk na alle scherpte tot in de oneindigheid. Kunstenaar Eva Gonggrijp gebruikte het poppenhuis dat haar grootmoeder maakte, het staat er in het echt en met de VR-bril loop je er doorheen als een verontruste Wiplala; de beelden in de spiegels en uit de ramen suggereren veel, maar maken niets expliciet.

Het decor is namelijk heel eenvoudig: een scheefliggende cirkel van lichtgebogen houten latjes ligt als een langspeelplaat over het hele podium.

Toevallig zat ik de dag na de opening in Eye bij de generale repetitie van de Walküre in de Stopera. Deze tweede episode uit het Ring-epos van Richard Wagner reisde in deze vormgeving al 21 jaar de hele wereld over, en nu komt deze enscenering van Pierre Audi voor het laatst in Amsterdam, met de fenomenale Eva-Maria Westbroek in de glansrol van Friedlinde (de kaarten voor de voorstelling zijn uitverkocht). Over de muzikale kwaliteiten kan ik als liefhebbende leek alleen maar superlatieven gebruiken, het gaat me hier nu even om het beeld. Het decor is namelijk heel eenvoudig: een scheefliggende cirkel van lichtgebogen houten latjes ligt als een langspeelplaat over het hele podium. Er ontbreekt aan de rechterkant een grote vierkante hap uit de plaat, daarin zit het orkest, het Nederlands Philharmonisch Orkest om precies te zijn. Er zijn zes hoofdrolspelers, daarnaast nog acht Walküren, de vliegende dochters van oppergod Wotan.

Foto: Ruth Walz

Na de uitgetekende, tot aan de stofjes en luchtjes uitgedachte perfectie van de opvoering van de dag ervoor was dit een verademing. De meeslepende muziek, de teksten, de stemmen, het licht en de personages transformeerden de houten planken van huis naar slagveld, van Walhalla naar rots. Met hun plastic zilverkleurige vleugels waren de Walküren tijdens hun beroemde opkomst aan het begin van het derde bedrijf – nog beroemder dankzij Apocalypse Now; het schijnt dat Amerikaanse gevechtspiloten de muziek zelfs luisteren voordat ze zelf uit vliegen gaan – de perfecte bromvliegen. Allemaal dankzij onze eigen, ingebouwde verbeelding. Daarmee is dat nog steeds de beste VR-bril die er is.

Virtual diorama’s duurt nog tot 24 november, kaartjes voor een specifiek tijdsslot moeten vooraf worden gereserveerd.