Spring naar de content
bron: Peter Tijhuis

Holle, vage woorden doen kunst meer kwaad dan goed

Press offices’ van musea zijn sterren in het bakken van onbegrijpelijke teksten vol abstracte begrippen en Engelse woorden. Ze doen bij de lezer ongeveer het tegenovergestelde van wat de bedoeling is, stelt Joke de Wolf.

Gepubliceerd op: Geplaatst in de volgende categorieën:
Geschreven door: Joke de Wolf

‘Beste Geachte mevrouw De Wolf, de Press Office van het Stedelijk Museum Amsterdam nodigt u uit voor de perspreview van de tentoonstelling: Carlos Amorales – The Factory.’ Deze mail kreeg ik vorige week. M’n nekharen stonden meteen al overeind vanwege de rare aanhef – blijkbaar had er iemand geen keus kunnen maken. Bij ‘de Press Office’ ontplofte ik. Waarom de Engelse naam gebruiken, en dan ook nog eens het verkeerde lidwoord? Omdat dat klinkt alsof er ook mensen van buiten Nederland geïnteresseerd zijn in wat er in het Stedelijk gebeurt? Zorg dan eerst maar eens voor een degelijke bedrijfsvoering en tentoonstellingsprogramma, en, ach, een capabele directeur die niet na een klein foutje naar huis wordt gestuurd zou ook niet misstaan. En dan nog is er niets mis met de naam persafdeling.

Tijdens het verderlezen werd mijn afkeer zo mogelijk nog groter. Ik kende de kunst van Amorales niet, en was benieuwd wat ik te zien zou krijgen. Voor een volledige indruk hier even de hele tekst van de toelichting. ‘Het Stedelijk Museum presenteert de eerste grote Europese overzichtstentoonstelling van Carlos Amorales. Carlos Amorales – The Factory geeft een beeld van het werk van een van de belangrijkste hedendaagse Mexicaanse kunstenaars en richt zich op zijn oeuvre vanaf het midden van de jaren negentig tot het meest recente werk dat de kunstenaar speciaal voor de tentoonstelling maakt. De tentoonstelling omvat veertien zalen met ruimtelijk werk, installaties, schilderingen, tekeningen, video’s, druksels, weefsels, animaties en geluidswerken die Amorales vaak combineert in grootschalige ruimtelijke installaties in een open, niet-chronologisch parcours. De kijker kan zijn eigen route kiezen door de wereld van Amorales, die gevuld is met sprookjesachtige beelden en verhalen waarin hij zijn bespiegelingen over het spanningsveld tussen individu en samenleving vormgeeft.’

En je mag, jongens wat een feest, zelf bedenken welke route je neemt.

Goed. De tentoonstelling is uitgestald over veertien zalen, en Amorales maakt allerlei soorten kunst. En je mag, jongens wat een feest, zelf bedenken welke route je neemt. Wat voor kunst hij maakt, hoe die eruit ziet, waar het over gaat, dat verklapt het persbericht niet. Sprookjesachtige beelden, ok. Maar het spanningsveld tussen individu en samenleving, is dat niet het leven zelf? Hij maakt kunst over het leven? Ongelofelijk. Stel je voor dat de tekst belast zou zijn met inhoud. Stel je voor dat kunst nauwkeurig werd omschreven.

Het jammere is dat het Stedelijk niet het enige museum is dat dergelijke teksten rondstuurt. Het is slecht, belabberd, miserabel, ach welja gewoon alarmerend slecht gesteld met publiciteitsteksten over kunst. De relaties die kunstwerken aangaan met elkaar of met de kijkers zijn zo frequent dat je er een Tinder voor zou kunnen oprichten, de vragen die de kunstwerken stellen zouden hulp moeten krijgen van Siri, en van de fascinaties van de kunstenaars zou je een goeie soep kunnen koken. De tekstbrij die de kunstwerken omhult maakt ze tot bijna onneembare vestingen. Alsof ze, eenmaal helder en duidelijk omschreven als dat wat ze zijn, uit elkaar zouden vallen.

Dit weekend is het bij de Rijksakademie in Amsterdam weer tijd voor de open ateliers. De 46 studenten – ‘residents’ worden ze genoemd – , de helft Nederlands, de helft uit de hele wereld, laten in het gebouw aan de Sarphatistraat zien waar ze mee bezig zijn. Het is elk jaar een feest om er rond te lopen. Net als bij de biënnale van Venetië is het een kunstpretpark met allerlei soorten en kwaliteiten van kunst. Sommige werken zijn onbegrijpelijk, soms is het te expliciet of ronduit slecht, daartussen zijn altijd wel een paar hoogtepunten te ontdekken.

Hoezo ontleden, is ze op zoek naar de persoonsvorm? Wat zijn gegevens van ruimtelijke uitsluiting?

Zo heeft Mire Lee er een uiterst ranzige slijmdruppelmachine neergezet waar je naar wilt blijven kijken, heeft Lungiswa Gounta een ruimte gevuld met aarde, brandt ze er wierook en zijn er intrigerende beelden te zien van wapperende lakens. In de Rijksakademie neemt men het woord slijmdruppelmachine natuurlijk niet in de mond, noch staat er iets over wierook. In plaats daarvan staan er de meest onmogelijke tekstmisbaksels bij de entree van de ruimtes. Lungiswa Gounta ‘ontleedt’ volgens die tekst ‘gegevens van ruimtelijke uitsluiting en onderdrukking door zich te richten op het bezit van, en de toegang tot grond’. Hoezo ontleden, is ze op zoek naar de persoonsvorm? Wat zijn gegevens van ruimtelijke uitsluiting? En wat hebben we aan een kunstenaar die zich ergens op richt, ze is toch geen jager, ze maakt toch kunst? Bij Lee zijn we, volgens de tekst, getuige van ‘een apotheose van vorarephilia als een creatief beginsel en een ontologische metafoor’. Vorarephilia wordt godzijdank uitgelegd – de erotische wens om te eten of door een ander persoon of wezen te worden gegeten -, over ontologische metafoor staat geen uitleg. Laat staan over een creatief beginsel. Je bent zelf een creatief beginsel.

Beeldende kunst is er en vinden we goed of mooi, zoals alle kunstvormen, omdat je niet alles in woorden kunt vangen. Toch heb je soms als kijker, als bezoeker, als consument zo u wilt, wat uitleg nodig over de kunstenaar, z’n bedoeling, z’n achtergrond. Vooral bij jonge kunstenaars, aan het begin van hun carrière – studenten van de Rijksakademie hebben er op z’n minst al vier jaar gewone kunstacademie opzitten, dit zijn de internationale kunstenaars van over tien jaar – heb je als toeschouwer soms wat aanwijzingen nodig om met een of een paar werken te snappen waar het de kunstenaar om gaat.

bron: Peter Tijhuis

Zo’n tekst is dus niet alleen achtergrondinformatie voor de fans, het is ook een uithangbord, een opstapje, een glijbaan die je voorbereidt en alvast in de juiste stemming kan brengen. Daarnaast is het ook voor mensen die het werk niet kunnen of konden zien een belangrijke informatiebron, een foto kan helpen maar is zelden afdoende. Is die taal slecht gebruikt, zijn het holle frases en geblaat en kan je er als mens met een gezonde algemene ontwikkeling geen touw aan vastknopen, kan zo’n tekst ook als een barricade werken, en mensen juist buiten houden. Pas nu ik foto’s zie van collega’s die wél naar de perspreview van Amorales zijn geweest, begrijp ik dat de kunstenaar honderden nepvlinders aan de muren van het Stedelijk heeft geplakt. Zég dat dan.

Het is onbegrijpelijk, schandalig en nog wat van dat soort dingen dat er in het kunstonderwijs nauwelijks aandacht wordt gegeven aan taal en tekst. Niet alleen als kunstvorm, maar ook als dat waar taal zo goed in is: het simpele overbrengen van ideeën en feiten. De PR-bureaus en zogeheten press offices van musea zijn sterren in het bakken van lege hulzen; schandalig omdat het meestal de kunst meer kwaad dan goed doet. Goede kunst is vaak niet zo ingewikkeld, en het helpt niet als je alle filosofische citaten en Engelse woorden die je kent, inzet om de tekst meer gewicht te geven. Eenvoud, correct Nederlands en heldere woorden zijn zo veel mooier dan de hoogdravende smakeloze lariekoek die meestal wordt opgediend.

Press offices van musea zijn sterren in het bakken van lege hulzen; schandalig omdat het meestal de kunst meer kwaad dan goed doet.

In de Oude Kerk in Amsterdam is de komende maanden een tentoonstelling van Adrian Villar Rojas, een Argentijnse jonge kunstenaar die wél begrijpt hoe belangrijk taal is voor de kunst. Hij maakte van de kerk een vesting, liet honderden zandzakken opstapelen tegen de pilaren, de ramen zijn afgeplakt, het enige licht komt van de kaarsen in de op de grond geplaatste kandelaars. Het zand zorgt voor een muffige lucht en dempt het geluid. En om dat geluid is het de kunstenaar te doen: flarden van zinnen, muziek, beestengeluiden en fragmenten van dagelijkse routines komen uit de speakers in de hoeken van de kerk. Voor de publicatie bij de tentoonstelling gebruikte de kunstenaar een zelf ontworpen ‘universeel alfabet’, wonderwel te begrijpen. Interviews geeft hij niet, hij schrijft het zelf, en dat is in zijn geval een zegen voor de kunstjournalisten: niets is zo irritant als een kunstenaar een letterlijke transcriptie toesturen van een gevoerd gesprek en het terugkrijgen met een compleet ander verhaal.

bron: Jörg Baumann

Deze week verschijnt Against English, een boek over de nadelen van de Nederlandse obsessie met het gebruik van Engels – en de aversie voor alles dat niet Engels is. Engels als moeizaam communicatiemiddel, en natuurlijk als verbloemer van nietszeggende uitspraken. Het lijkt me verplicht leesvoer voor de pers- en communicatie-afdelingen van alle Nederlandse musea. Want hoe internationaal je jezelf ook mag voelen, het Nederlandse publiek heeft ook recht om te begrijpen wat de musea tentoonstelllen. Met je Press Office.

De Rijksakademie open ateliers zijn nog te zien tot en met zondag 24 november.
Het werk van Carlos Amorales is nog tot 17 mei te zien in het Stedelijk Museum in Amsterdam.
Het werk van Adrien Villar Rojas is nog tot 26 april te zien in de Oude Kerk in Amsterdam.