Spring naar de content
bron: Teylers Museum, Haarlem

De kunst van het anderhalvemetermuseum

De culturele sector verkeert na twee coronamaanden in zwaar weer. Voor de podiumkunsten zijn de vooruitzichten bitter, maar hoe zit dat met de museumbranche? Vier museumdirecteuren aan het woord. “Ook ons soort museum kan het niet zo lang volhouden om dicht te zijn.”

Gepubliceerd op: Geplaatst in de volgende categorieën:
Geschreven door: Jan Pieter Jansen

In Duitsland werd al eerder aangekondigd dat musea hun deuren weer mogen openen en vanaf 1 juni zijn die van ons dan ook eindelijk aan de beurt. En waarom ook niet? Als er een tak van culturele sport is die de anderhalvemetersamenleving succesvol moet kunnen implementeren, dan zijn het de musea wel. Ze beschikken immers over voldoende ruimte en daarnaast is er in musea van nature al sprake van een zekere mate van afstand. Ruttes persconferentie van afgelopen woensdag biedt deze branche in ieder geval weer perspectief, maar voor het Tassenmuseum in Amsterdam komt dat helaas te laat: zij zijn inmiddels failliet verklaard. Hoe hoog is de nood bij de rest van deze culturele instituten en wat staat hen op de lange termijn nog te wachten?

Allereerst zijn musea natuurlijk lastig over één kam te scheren. Hét museum bestaat niet, ze zijn er in alle soorten en maten. Bij een kleinschalig geval als het Tassenmuseum is het vanzelfsprekend een heel ander verhaal dan bij bijvoorbeeld Teylers Museum in Haarlem, dat normaal gesproken tussen de 100.000 en 200.000 bezoekers per jaar trekt. Toch benadrukt directeur Marjan Scharloo de urgentie van heropening op zeer korte termijn: “Ook ons soort museum kan het niet zo lang volhouden om dicht te zijn.” Teylers draait voor meer dan 50% op inkomsten buiten subsidies, waarmee een simpele rekensom snel is gemaakt. De economische belangen voor musea zelf zijn volgens Scharloo echter niet het enige waar naar gekeken moet worden, ze vertegenwoordigen meer dan alleen dit eigenbelang. “Een museum als Teylers zorgt voor reuring in een stad. Mensen komen speciaal voor ons naar Haarlem, hetgeen ook van belang is voor bijvoorbeeld de lokale ondernemers.”

Wij zijn een waanzinnig groot onderdeel van de economie. Ergens krijgen we dat maar niet tussen de oren van mensen en lijkt het alsof we alleen maar geld kosten

Cathelijne Broers, directeur van de Hermitage (Amsterdam)

Cathelijne Broers, directeur van de Hermitage in Amsterdam, is in deze discussie geneigd een nog wat steviger standpunt in te nemen en spreekt daarbij voor de gehele culturele sector: “Wij zijn een waanzinnig groot onderdeel van de economie. Ergens krijgen we dat maar niet tussen de oren van mensen en lijkt het alsof we alleen maar geld kosten, maar we brengen ook juist een heleboel geld in het laatje.” Naast het feit dat musea enorme werkgevers zijn, wijst ook zij op de effecten op hun omgeving. “Denk aan het vestigingsklimaat van een stad of een dorp, de regionale voorziening en de horeca. Musea zorgen op die manier echt voor bijzondere biotoopjes.”

Bovengenoemd argument is voor de overheid echter juist een van de redenen geweest dat zij musea de afgelopen tijd op slot hebben gehouden. Net als bij universiteiten zorgen zij namelijk voor een toename in het aantal reizigers, vaak ook nog met het openbaar vervoer. De cijfers rond het virus lijken weliswaar voorzichtig te stabiliseren en ook de volledige dienstregeling van het openbaar vervoer is vanaf 1 juni weer van kracht, maar de adviezen blijven duidelijk en streng: alleen noodzakelijke reizen. Wat dat betreft is er dus voor musea nog veel onzeker en blijft het voorlopig koffiedik kijken. Wel laten zowel Scharloo als Broers weten dat hun musea er 1 juni helemaal klaar voor zijn om hun deuren te heropenen.

Zoals gezegd ontbreekt het musea over het algemeen niet aan oppervlak en zou het wat dat betreft goed mogelijk moeten zijn om het inmiddels befaamde social distancing in het beleid in te passen. Ralph Keuning, directeur van Museum de Fundatie in Zwolle, heeft zijn plan dan ook al lang en breed op de plank liggen. De kassa’s zijn begin deze week ‘coronaproof’ gemaakt en ook de rest wil hij zo snel mogelijk zien te realiseren. Doordat zijn team hier vanaf het moment van sluiting mee aan de slag is gegaan, is alles tot in de kleinste details uitgewerkt. Aanmelden gaat online en door middel van time-slots: “Dat heeft alleen betrekking op je aankomsttijd, die willen wij graag op een kwartier nauwkeurig weten. Vervolgens mogen bezoekers zolang blijven als ze willen.” Eenmaal in het museum heeft zijn team een dwingend eenrichtingsparcours uitgedacht, maar wel met voldoende bewegingsruimte. Er zijn zogeheten ‘fastlanes’, die inhaalmomenten bieden en in de grotere zalen van het museum zijn ook rustmogelijkheden ingebouwd. Hoewel hij erkent dat sommige zaken zich in de praktijk nog beter zullen uitwijzen, blaakt Keuning van het vertrouwen: “Met dit scenario ben ik ervan overtuigd dat wij weer open kunnen, zowel op een veilige manier alsook op een manier die het museumbezoek aangenaam maakt.”

Museum de Fundatie, Zwolle
Kunstenaar: Robert Seidel; fotograaf: Peter Tijhuis

Het eerdergenoemde economische belang is volgens Keuning niet het enige dat telt bij de afweging om musea hun deuren weer te laten openen. Net zoals bij theaters wordt benadrukt, vertegenwoordigen musea ook een intrinsieke waarde en die is groter dan alleen het bieden van troost of afleiding. Een museum is meer dan alleen een plek om kunst te tonen, het biedt in veel gevallen ook een podium voor discussie. “Alle problemen rondom klimaat, diversiteit en identiteit zullen misschien zelfs wel worden aangescherpt door deze crisis. Dan heb je plekken nodig waar de geesten elkaar ontmoeten en waar in een klimaat van vrijheid ideeën kunnen worden ontwikkeld. Hiervoor lenen musea zich ontzettend goed.” Ook Museum de Fundatie is voor 70% afhankelijk van eigen inkomsten en leunt dus niet zozeer op subsidies, hetgeen Keuning ziet als “een heel mooi maatschappelijk rendement”. Dit is echter één kant van de medaille, de kern zit hem wat hem betreft ook in wat je inhoudelijk te melden hebt en wie je inspireert tot wat.

Bij het Kröller-Müller Museum in Otterlo wordt ook keihard gewerkt om zodra het sein op groen gaat weer zo snel mogelijk bezoekers te kunnen ontvangen. Directeur Lisette Pelsers: “Wat daarbij natuurlijk ook heel belangrijk is, is je te blijven afvragen of dit dan nog een ontspannen museumbezoek gaat zijn.” Gelukkig biedt Het Nationale Park De Hoge Veluwe bezoekers ontzettend veel bewegingsruimte, maar ook over dit soort zaken wordt door de musea dus serieus nagedacht. Pelsers benadrukt tevens die intrinsieke waarde van musea, maar stelt daarnaast dat zij in deze crisis toch het hoofd moeten buigen voor de hele harde feiten met betrekking tot de veiligheid en de ontwikkeling van het virus.

De langetermijnvooruitzichten van het kabinet bieden musea nu eindelijk een stip aan de horizon, maar daarmee is het kwaad nog niet geschied. De echte uitdagingen liggen voor deze branche voornamelijk op de lange termijn. Pelsers geeft aan dat de illusie die aan het begin van de crisis bestond om de draad bij de heropening weer op dezelfde manier als voorheen op te pakken inmiddels is verdwenen. “De naweeën zullen toch behoorlijk heftig zijn, en in ieder geval onvoorspelbaar op dit moment. Dat maakt het heel lastig.” In Otterlo maken ze zich vooral zorgen over het buitenlandse toerisme. “Ons publiek bestaat voor 46% uit buitenlandse bezoekers, dat is buiten het Museumplein ontzettend hoog. De vraag is wanneer dat allemaal weer op gang komt. De verwachting is dat dit nog wel even gaat duren.”

Alle problemen rondom klimaat, diversiteit en identiteit zullen misschien zelfs wel worden aangescherpt door deze crisis. Dan heb je plekken nodig waar de geesten elkaar ontmoeten en waar in een klimaat van vrijheid ideeën kunnen worden ontwikkeld.

Ralph Keuning, directeur Museum de Fundatie (Zwolle) 

In Zwolle zijn de verschillende langetermijnscenario’s al uitgedacht. Met het plan dat er nu ligt gaat Keuning in het beste geval van 50%, en in het slechtste geval van 35% van het normale aantal bezoekers op jaarbasis uit. Bij het laatste scenario komt het museum volgend jaar uit op een verlies van 1,1 miljoen. “Dan komen we toch echt wel in de serieuze problemen.” Omdat buitenlandse toeristen zich vooralsnog niet in grote getale naar Zwolle lijken te bewegen, voorziet Keuning in dat opzicht minder problemen. Wel wijst hij ons op het feit dat binnenlands toerisme voor hem van groot belang is. Met 25% bezoekers uit de regio groot Amsterdam en een andere 25% uit de omgeving Den Haag en Rotterdam, is zijn museum hier voor een groot gedeelte van afhankelijk. “Ik kan me zo voorstellen dat mijn collega’s in Drenthe en Groningen dezelfde problemen voorzien. Voor binnenlandse cultuurzoekers is een reisje langs musea vanaf Zwolle naar het noorden natuurlijk erg aantrekkelijk.” Hij vreest dat het binnenlands toerisme pas weer echt op gang zal komen op het moment dat er een vaccin is: “Dat is dan ook waar we allemaal heel erg op hopen.”

Marjan Scharloo is geneigd om wat dat betreft toch wat positiever te kijken naar de komende periode, ook Teylers Museum haalt een groot deel van haar bezoekersinkomsten uit binnenlands publiek. Zij geeft aan dat alleen de toekomst kan uitwijzen in hoeverre die Nederlandse toeristen weer op pad gaan: “Dat zal ongetwijfeld zijn tijd nodig hebben, maar aangezien toch heel veel mensen van plan zijn om in Nederland op vakantie te gaan, verwachten we dat er vanuit hen ook belangstelling voor musea zal zijn. Dat kan haast niet anders.”

Ontegenzeggelijk zullen de lagere bezoekersaantallen financiële problemen met zich meebrengen. De wat grotere musea zijn hier voorlopig nog wel tegen opgewassen, maar een zekere mate van creatieve bedrijfsvoering is daarvoor wel vereist. De financiële klappen die vallen, moeten op de een of andere manier worden gecompenseerd. Dit heeft voornamelijk gevolgen voor het tentoonstellingenaanbod van de musea. Scharloo voorziet wat dat betreft een wat guur museumseizoen voor aankomend najaar, maar is ook niet vies van wat positivisme. “Het is natuurlijk wel zo dat musea fantastische eigen collecties hebben, die zeker de moeite waard zijn en toch een beetje in de verdrukking zijn geraakt door al die tentoonstellingen.” Pelsers sluit zich hierbij aan en laat weten dat dat toch altijd al de kracht van het Kröller-Müller Museum is geweest. “De fixatie op groei is natuurlijk ook in onze sector wat mij betreft wel iets te ver doorgeslagen. Wat dat betreft vind ik dat iets meer bezinning op je kernkwaliteiten een goed gevolg van deze crisis zou kunnen zijn.”

De Hermitage, Amsterdam
Tentoonstelling: Juwelen!; Fotograaf: Evert Elzinga

Ook bij De Fundatie, een museum dat toch alom wordt geprezen vanwege haar imposante tentoonstellingen, wordt ingespeeld op deze situatie. Momenteel zijn ze bezig om voor het najaar een aantal thematische presentaties van hun eigen collectie te maken. Keuning heeft in de 13 jaar dat hij directeur is veel verschillende werken voor het museum verworven, maar tot een tentoonstelling is het in de tussentijd nog nooit gekomen: “Ik kan niet ontkennen dat ik me er enorm op verheug om onze eigen collectie straks het hele museum te laten innemen en hier een precieze presentatie van te maken.” Wel geeft hij aan dat de kracht van De Fundatie hem ook juist in die tentoonstellingen zit. “Wij werken volgens een zogeheten sandwich-model, waarbij we twee tentoonstellingen tegelijk tegen elkaar plaatsen. Op die manier lokken we mensen met een bepaalde naam, maar lopen ze na hun bezoek ook weg met nieuwe indrukken van de andere werken.” Hier wil hij dan ook graag aan blijven vasthouden, maar dat er concessies gedaan moeten worden lijkt onvermijdelijk. Pelsers erkent het bestaan van dit spanningsveld en hoewel een groot gedeelte van het publiek in het Kröller-Müller zoals gezegd voor de vaste collectie komt, zullen ze daarnaast toch aantrekkelijke tentoonstellingen moeten blijven maken om vooral de Nederlandse bezoekers aan zich te binden. “Zeker nu ligt daar een uitdaging, juist omdat de buitenlanders nog wel even weg zullen blijven.”

Voor de Hermitage ziet de komende periode er nog een tikkeltje spannender uit. Het museum is niet in het bezit van een eigen collectie en draait daarom voornamelijk op tentoonstellingen en collecties van anderen. In die zin voorziet Broers ook nog de nodige logistieke problemen. “Wij hebben natuurlijk al jaren een intensieve samenwerking met de Hermitage in Sint Peterburg, alle collecties die wij tentoonstellen komen daar vandaan.” Van onwelwillendheid vanuit Rusland is volgens Broers absoluut geen sprake, wel maakt zij zich zorgen over het vervoer van de kunstwerken. “We hebben het hier niet over objecten die je zo even met de post onze kant opstuurt, daar komt natuurlijk veel meer bij kijken.” De onzekerheid met betrekking tot het vliegverkeer en de vraag of alle grenzen straks weer volledig open zullen gaan, maken dat Broers denkt dat het verschepen van collecties wereldwijd de komende tijd een probleem zal zijn. “Dat geldt vanzelfsprekend voor alle musea, er zitten natuurlijk ook collecties van mijn Nederlandse collega’s vast in het buitenland.”

Inmiddels hebben de directies van de vier grote stedelijke musea een beroep gedaan op de Nederlandse overheid en gevraagd om extra steun. Keuning sluit zich hierbij aan en ziet blijvende compensatie als noodzakelijk. “Het zou fantastisch zijn als de NOW-regeling overeind blijft, ook als we straks weer gedeeltelijk open kunnen.” Het is in die zin wel belangrijk dat de maatschappelijke waarde van cultuur benadrukt blijft worden, stelt Keuning. Met betrekking tot de geluiden over de lage tegemoetkoming van 300 miljoen vanuit de overheid is hij echter geneigd tot enige nuance: “Ik heb het meegemaakt dat zich een crisis voordeed en er honderden miljoenen op cultuur bezuinigd werden. Nu is er weer een crisis en er komt geld onze kant op.” Tegelijkertijd stelt hij dat Van Engelshoven al heeft laten weten dat er in de toekomst nog meer zal worden vrijgemaakt. “Natuurlijk vind ik dat er een ruimere financiering bij de culturele sector zou passen, zeker ook omdat we ons midden op het maatschappelijk speelveld bevinden”. Maar de tendens die is ingezet is wat Keuning betreft hoopgevend. “Waar we vroeger door de politiek werden weggezet als linkse hobby, bespeur ik dat gevoel nu op geen enkele manier meer. Hopelijk leidt dit ook nu tot meer steun en komen we hier als sector sterk doorheen.”

Wat dat betreft vind ik dat iets meer bezinning op je kernkwaliteiten een goed gevolg van deze crisis zou kunnen zijn.

Lisette Pelsers, directeur Kröller-Müller Museum (Otterlo)

Broers sluit zich voor wat betreft het doortrekken van de ondersteunende overheidsmaatregelen aan bij Keuning, maar is verder een stuk sceptischer. Anders dan de drie andere musea, ontvangt de Hermitage op geen manier subsidie via een van de overheidswegen. Tijdens deze sluiting komt er dus op geen manier geld hun kant op, terwijl ze wel elke dag kosten maken. “Aan de ene kant is die 300 miljoen vanzelfsprekend geweldig en het is natuurlijk nog niet helemaal duidelijk waar al dat geld straks heengaat, maar ik kan nu al vrijwel zeker zeggen dat wij daar als Hermitage geen cent van terug gaan zien. Als cultureel ondernemer trek je in een crisissituatie als deze toch aan het kortste eind, simpelweg omdat je niet in de overheidsstructuur zit.” Terwijl het Kröller-Müller zelf een rijksmuseum is, benadrukt ook Pelsers de wrangheid van deze situatie: “De ironie is dat hoe minder subsidieafhankelijk je bent, hoe zwaarder je nu getroffen wordt.”

“Ik ben het meestal niet oneens met Ralph, maar hier sta ik dan toch wat feller in”, zegt Broers. De afgelopen jaren is door de overheid sterk aangedrongen op eigen inkomsten, maar ze ziet dat dit de sector in deze crisis juist heel kwetsbaar maakt. Ondanks dat de Hermitage als gezegd volledig buiten dit overheidssysteem opereert, is Broers zeer kritisch, zeker omdat de overheid hiernaast streng was als het aankwam op het opbouwen van reserves. Ook Scharloo benoemt deze schrijnende tegenstelling en zet haar vraagtekens bij het huidige beleid: “Nu blijkt dat musea die reserves keihard nodig hebben, moeten we ons misschien gaan afvragen of het geen tijd wordt dat we op een andere manier naar de financiering van musea gaan kijken.”

Word lid van HP/De Tijd