Spring naar de content
bron: ANP/BAS CZERWINSKI

Even geduld en dan is Mathieu van der Poel wereldkampioen

Nog drie uur en Mathieu van der Poel zou wereldkampioen zijn.

Gepubliceerd op:
Geschreven door: Frank Heinen

Daar hoefde ik niks voor te doen. Dat ging vanzelf.

Beelden waren er al even niet meer. Het vliegtuig dat in de verbinding moest voorzien, stond in de file bij de kerosinepomp. Steeds opnieuw keken we naar Remco Evenepoel die in de achtergrond een berg op glibberde. In herhaling, daarna in herhaling in slow motion en tot slot werd die herhaling weer versneld. Zo leek het nog wat.

Het peloton kroop voort als een reusachtige rups die een ongelukje heeft gehad bij het fierljeppen. Nors, verkleumd, grauwig. De renners waren onherkenbaar, door hun regenjacks en de kou die van hun gezonde koppen ouderdomsmaskers had gekleid.

Liever ga ik van het ergste uit, en dan maar toekijken hoe het meevalt.

En Philippe Gilbert veegde de tranen uit zijn ogen met de ruwste handdoek die hij vinden kon en de riolen begaven het en langs de kant stond een gek in een T-shirt en nog even en we zouden weer beelden krijgen en de dag spoelde strompelde voort, richting de streep, die ergens in de Filistijnen getrokken moest wezen.

Gaf niks: als het op een wereldkampioenschap van Mathieu aankomt, kent mijn geduld nauwelijks grenzen.

Van huis uit ben ik helemaal niet optimistisch. Liever ga ik van het ergste uit, en dan maar toekijken hoe het meevalt. Als iemand mij een nieuw aangeschafte puppy toont, zacht en vol leven, denk ik alvast aan de dag dat we allemaal rond een kuil in de tuin zullen staan voor een laatste groet. Bij stralend weer vrees ik het onweer dat ervan zal komen. Zelfs als ik even in een uitzonderlijk optimistische bui ben en wordt bevangen door het glinsterende Disneygeloof dat alles goed komt, denk ik meteen: dat zal zo wel weer voorbij zijn.

Wie consequent vooruit loopt op ellende, is het ongeluk altijd een stapje voor.

Soms wint hij niet, maar zelfs dan zou ik niet van ‘verliezen’ willen spreken.

Behalve als Mathieu op een fiets stapt. Dan grenst het verheugen plots aan overmoed. Mathieu van der Poel kan helemaal niet verliezen, al doet hij nog zo zijn best. Je moet het ook kunnen natuurlijk, verliezen. Veel mensen beheersten die kunst, Mathieu niet. Soms wint hij niet, maar zelfs dan zou ik niet van ‘verliezen’ willen spreken.

Verliezen is voor verliezers.

Dus toen Mathieu van der Poel een paar maanden geleden aankondigde dat hij wereldkampioen op de weg wilde worden, wist ik: die wordt wereldkampioen op de weg. Het was de jas van een ander, maar hij voelde vertrouwder dan mijn eigen jekker.

Nog twee uur en Mathieu zou wereldkampioen zijn.

Renaat stond midden in het rampgebied, in een verzopen plantsoentje, tussen schuldige kabels.

De beelden bleven ergens in de ether zweven en de Vlaamse tv schakelde dan maar over naar Renaat Schotte, meervoudig wereldkampioen met een koptelefoon op het hoofd op renners wachten. Renaat stond midden in het rampgebied, in een verzopen plantsoentje, tussen schuldige kabels. Hij had een capuchon op het hoofd en deed verslag van.. ja, van wat eigenlijk? Het was een heel nieuwe vorm van journalistiek die Renaat daar tussen twee hoosbuien door even uitvond: het verslag doen van het gebrek aan verslag. Een cyclisch kunstwerk, op zondagmiddag.

‘Gedruppel in parapluland,’ verzon Michel Wuyts en passant nog even een titel voor zijn nieuwe kinderboek. En net toen werkelijk niemand nog wist wat te zeggen, keerde het beeld terug.

Mathieu reed vooraan, als enige goed herkenbaar. Een anjer op een mestvaalt. Zijn bovenlichaam wiegde op het ritme van het zelfvertrouwen van een heel land.

En het werd almaar kouder, en de een na de ander stuurde de weg af, rillend, bibberend, bleek als een theedoek, grauw als de herfst. En er werd gedemarreerd. Iedereen die niet moest vertragen, versnelde. Zwitsers, Denen, Italianen, Mike Teunissen uit Ysselsteyn. Iedereen, behalve de Belgen.

‘Mee. Mee. Mee!’ Je kon horen hoe José de Cauwer live en zeer beschaafd uit zijn vel sprong. ‘Als je mee bent, ben je mee!’ Daarna zuchtte hij diep, als een brug die instort.

‘Is Moscon al aan het boteren?’ vroeg Wuyts zich af.

En Mathieu wachtte. In elke andere wedstrijd was hij al lang gedemarreerd, in elke normale koers zou hij al lang vertr- DAAR GING-IE! DAAR GING-IE! WAT GING-IE HARD! WE-RELD-KAM-PI-PI-PI-OEN!

Ik keek even goed en verdomd: het ging weer vanzelf.

Nog drie kwartier en, nou ja, dan zouden de feiten zich eindelijk bij het onvermijdelijke hebben aangesloten.

Niemand weet wat er precies gebeurde, op elf kilometer van de finish.

Waarom stortte het Romeinse Rijk in? Was het daar ook ‘gewoon op’?

Iedereen beweert iets anders.

Hongerklop.

Lichtje uit.

Overmoed.

Bevangen door de kou.

Zelfs Mathieu zelf schijnt het niet te weten. Gewoon op, zei hij achteraf.

Is ‘op’ ‘gewoon’?

Waarom stortte het Romeinse Rijk in? Was het daar ook ‘gewoon op’?

Wat er gebeurde, was dit: terwijl José en Michel zich klaarmaakten om de vernedering van acht hele Belgen door één halve Belg zo gracieus mogelijk van commentaar te voorzien, en ze begonnen waren over Mathieu te spreken alsof het geen mens was, maar een natuurkracht, een orkaan die over zee kwam aangerold en ieder moment de atol van het wegwielrennen dreigde te bereiken, en net op het moment dat het gezicht van Küng in de ellende vertrok als een mombakkes van Francis Bacon, met een Zwitserse onderkaak op half zeven, huilend op de fiets, en net terwijl Julian Alaphilippe ergens in de berm stond te kotsen, net op dat moment was daar de muur.

Het regenjackje flieberde om het lijf waar net nog alles in zat, en nu plots niets meer.

En iedereen reed hem voorbij. De cameramotor als laatst.

Waar Mathieu van der Poel was? Niemand wist het.

Dit was geen verliezen, dit was monumentaal zinken. Head first ten onder gaan. 

En Küngs onderkaak maar zakken, en Pedersen maar winnen, de Deense verzorger annex speenvarken maar gillen en aan de finish werd een man gesignaleerd die zei dat hij Niki Terpstra heette. De man was net zeven uur lang gewaterboard. Zijn toon was die van totale ontreddering en zijn ogen waren rood als van iemand die een hele middag op de bodem van een zwembad naar zijn trouwring heeft gezocht.

‘Je weet dat je moet eten,’ stamelde hij, ‘en toch vergeet je het.’

Waar Mathieu van der Poel was? Niemand wist het. Op het parkoers? In een auto? In een fish and chips-hut langs de route? Had hij überhaupt ooit bestaan?

Van der Poel verloor niet gisteren, hij stelde alleen de glorie nog even uit. Het moet allemaal ook niet té vanzelf gaan. En waar het een wereldkampioenschap van Mathieu betreft, kent mijn geduld geen grenzen.