Spring naar de content

Nietsdoen is van levensbelang, dus moet je ervoor betaald worden

Nu zijn roman af is, heeft Roderik Six zeeën van tijd. Maar is er in onze maatschappij nog wel ruimte voor nietsdoeners, vraagt hij zich af.

Gepubliceerd op:
Geschreven door: Roderik Six

Niets doen is verdomd moeilijk. Nu mijn roman Volt afgewerkt is en de media in zomerregime gaan, heb ik plots weinig omhanden – voor me gaapt een lege woestenij, een niemandsland dat even moet braakliggen voor ik er nieuwe woorden zaai. Dat is even wennen. Vier jaar lang ben ik elke dag bezig geweest met het boek dat Volt geworden is en dat eind september hoog opgetast in de boekhandel op uw leesgrage ogen zal liggen wachten.

Schrijven is een fulltime job; het boek eist altijd je aandacht op. Zelfs al lag ik schijnbaar te luieren op de bank, zelfs al deed ik in de namiddag een dutje, zelfs al zat ik op café tussen vrienden – altijd maalde ergens in mijn achterhoofd de schrijfdwang. Wat wordt de volgende zin? Staat die puntkomma wel op de juiste plek? Hoort daar geen witregel? Wat moet er van dat droeve personage worden?

En nu heb ik niets te doen. Nogmaals: dat is niet erg, het hoort zo, ik ben even leeggeschreven. Schuldig voel ik me daar niet over, in zekere zin ben ik een werkgever geworden: nu moeten redacteurs, vormgevers, pr-mensen, boekhandelaars aan de slag met Volt.

Straks borrelen er ongetwijfeld nieuwe woorden op en begint voor mij de labeur opnieuw. Straks, maar nu nog niet.

Tot dan probeer ik van de leegte te genieten. Niet gemakkelijk, zoals iedereen om me heen lijd ik aan horror vacui – nietsdoen is het laatste nieuwe taboe in onze maatschappij. Dus vul ik mijn dagen met achterstallige klusjes. Zo heb ik een nieuwe stofzuigfilter gekocht. Dat is best veel werk, want natuurlijk heb ik de handleiding én alle reserveonderdelen meteen bij ontvangst weggegooid en bestaan er honderden verschillende types filters waarbij je je moet afvragen of je allergisch bent voor pollen, stuifmeel of kattenhaar – talloos veel opties waardoor je je door dertig Duitse websites heen ploegt op zoek naar die ene perfecte stofzuigfilter. Maar het is gelukt. Nu wacht ik al twee dagen op de koerier en kijk ik toe hoe de stofpluizen over het parket warrelen.

Ook besteld: een paar teenslippers – met een afbeelding van Jaws erop! – want er komt een weekje Lissabon aan. Ga ik daar een beetje nietsdoen. Vakantie heet dat, naar het schijnt.

Of ik slenter doelloos door de stad, struin een supermarkt binnen terwijl de koelkast propvol zit en geniet dan maar wat van de airco. Waarna ik honderd meter verderop besef dat ik nog aanmaakblokjes nodig heb voor de barbecue, en even later de buurtwinkel buiten kom met een sixpack Corona, limoenen, en een pakje Lucky Strike. Maar zonder aanmaakblokjes. Een leeg brein is een zware last om dragen.

Hoe radicaal Rutger Bregmans ideeën aanvankelijk klonken, ze vinden steeds meer gehoor.

Terwijl ik ’s avonds spiesjes eendenbrazade over de sissende grill wentel (we hadden nog aanmaakblokjes, onder het aanrecht) keuvelen vrienden en geliefden over de moordende werkdruk, over burnouts, stress en prestatiedwang. Wie een job heeft, werkt zich richting een hartaanval en wie zich tussen jobs bevindt, voelt zich schuldig omdat ze zogezegd op kosten van de maatschappij leven. Terwijl ze netjes hebben bijgedragen aan het sociale vangnet proberen allerlei instanties de werklozen op te jutten want een mens moet ‘geactiveerd’ worden. Anders snijden ze in je uitkering die nu al zo laag ligt dat armoede akelig dichtbij komt. 

Zelfs tweeverdieners worstelen om elke maand rond te komen; studieleningen, hypotheeklasten, kinderopvang, energierekeningen – je werkt je kapot om het betaald te krijgen. Als zelfs premier Rutte de bedrijven aanmaant om loonslaven deftig te betalen, dan weet je dat er iets grondig mis is met de maatschappij. We leven in het rijkste werelddeel maar slagen er niet in om kinderarmoede uit te roeien of ouderen van een menswaardig rustoord te voorzien.

Maar er komt stilaan verzet. Onlangs ging Rutger Bregman online weer viraal met zijn pleidooi voor een gratis basisinkomen en ook Marian Donner legt in haar Zelfverwoestingsboek het moordend neoliberalisme op de rooster. Hoe radicaal Bregmans ideeën aanvankelijk klonken, ze vinden steeds meer gehoor. Vreemd genoeg kan ik geen argumenten tégen het basisinkomen verzinnen en de eerste experimenten zijn bemoedigend: mensen gaan heus niet de hele dag op de bank liggen omdat ze niet hoeven te werken voor hun geld. 

Veel mensen werken graag; ze ontlenen er levenszin aan, bouwen er sociale contacten mee op en zijn trots op de diensten en producten die ze de wereld insturen. Wie echter tijd wil nemen om te herbronnen, of voor zijn zieke buren te zorgen, of vrijwilligerswerk wil doen in een asielcentrum, moet daarvoor niet financieel bestraft worden – ook zij dragen bij aan het welzijn van anderen, en dus de maatschappij, want dat zijn de anderen.

Bedenk hoeveel instanties je kan afschaffen als iedereen een basisinkomen krijgt.
Bedenk hoeveel subsidies je kunt schrappen.
Bedenk hoeveel jobs erbij komen als iedereen een dagje minder werkt.
Bedenk hoeveel wachtrijen bij psychologen en gaarkeukens je kunt uitdunnen als iedereen zich net wat minder zorgen moet maken over stress of honger.
Bedenk hoe je de maatschappij kan omdenken. Want een mens is veel méér dan zijn job; gun ze wat meer vrije tijd en je zult versteld staan van hoe creatief en altruïstisch dat naakte zoogdier kan zijn. 
Niets kunnen doen is van levensbelang, dus moet je ervoor betaald worden.