Uit het leven van Don Diks

Nieuw: een feuilleton. Waarin onze dagbladredacteur Diks een stagiaire ontmoet, en niet op kan tegen een bekende televisiepresentator.

Don Diks stond voor de spiegel in de echtelijke badkamer en kamde zijn natte, sliertige haar. Het had de juiste lengte nu, al werd het dunner en zag hij er volgens Eefke, zijn vrouw, uit als zo’n Argentijnse voetbaltrainer uit de jaren zeventig. Maar Don prees zich gelukkig dat er nog voldoende groei in de haarwortels zat om zijn uitstaande oren te bedekken, en het geheel een jongensachtigheid te geven, zoals een nieuwe en bepaald niet onaantrekkelijke stagiaire, Lousewies Moos geheten, gisteren had opgemerkt.

 Hij moest het meisje vanavond vergezellen op haareerste klus, een idee van hoofdredacteur Dieter Corstjens, zijnde een sfeerreportage over de vrouwen rond de gevierde televisiepresentator Gijs van Oudkerk, oftewel het vrouwelijke klapvee dat zich elke avond naar de hoofdstedelijke Safari-studio begaf om hun goddelijke toy boy in levenden lijve te aanschouwen.

 De begeleiding hoorde bij zijn status aparte die hem als redacteur Speciale Projecten na een fikse burn-out was toebedeeld, al kwam het er in de praktijk vaak op neer dat alle rotklussen naar Don Diks werden doorgepasst. Maar deze keer had hij dus geluk, en daarbij had Don ooit met Van Oudkerk gewerkt bij De Amsterdam Bode. Met Gijs had hij altijd een gevoel van verstandhouding gehad, legde hij Lousewies uit, zoals vrienden die hebben, of een zoon met zijn vader. 

Het was een mooie gelegenheid om Van Oudkerk weer eens te spreken, over de krant, en misschien zou hij Don iets toevertrouwen over de ommekeer in zijn leven, de aandacht van de vrouwen. Ongetwijfeld zou Lousewies onder de indruk zijn van het gemak waarmee Don met beroemde mensen omging, van de doeltreffendheid waarmee hij iemand als Van Oudkerk quootjes ontfutselde. Wie weet… Nee, daaraan mocht hij niet denken. Hoe oud zou het kind zijn?

Hij kleedde zich snel aan, kuste Eefke gedag die nog iets mompelde, stapte in zijn oude, legergroene Volvo 440 – zijn pedaalemmer op wielen, zoals Eefke het, verwijzend naar de rommel, omschreef – en trapte de automaat op z’n staart.

 Onderweg dacht hij aan Jantine, een van de voorgangsters van Lousewies, met wie hij een korte, maar heftige affaire had onderhouden. Ze waren zelfs een weekend naar Texel gegaan, zogenaamd voor een reportage over vogelaars die de zeldzame sneeuwuil wilden zien. Voor hem was Texel een mondje-dichtweekend geweest, maar Jantine nam het serieus en wilde meer en vaker en uiteindelijk eiste ze de trofee in z’n geheel voor zich op. Zo onontwarbaar als de verhouding zich ontwikkelde, zo abrupt eindigde die, toen Jantine na drie maanden stage terugkeerde naar school. Nadien vernam Don niets meer van haar.

Voor de studio wachtte Lousewies hem op en ze begroette ’m heel hartelijk en met blosjes op haar wangen. Toen zij de studiovloer betraden, liepen zij in een kirrende fuik, aan het einde waarvan de televisieheld zich ophield, half zittend op de rand van een tafel. Don maakte zich lang en zocht oogcontact, en even voelde hij zich als een bezoeker van de Landbouw-RAI op de Wallen, maar Van Oudkerk had het te druk met handtekeningen zetten en op de foto gaan. Misschien, taxeerde Don, wachtte Van Oudkerk tot na de uitzending, en hij zocht alvast een plaatsje uit in het publiek. Niet vooraan, schoot het door hem heen, want dan kwam hij mogelijk in beeld en kon Eefke, trouwe kijker, hem zien met Lousewies aan zijn zij. Gegarandeerd dat hij dan weer wat had uit te leggen. Lousewies had intussen haar jas uitgedaan in de bloedhete studio, en zij bleek een roze bloes te dragen die niets aan de verbeelding overliet. In de daaropvolgende minuten die zij moesten stukslaan, praatte Lousewies honderduit, over het gebrek aan echte praktijkdocenten aan de postdoctorale opleiding van de universiteit waaraan zij studeerde, over de rumoerige medestudenten met wie zij een huis aan de Weesperzijde bewoonde, en al die tijd keek hij haar nadrukkelijk in de doorzichtige ogen, speurde hij in onbewaakte momenten het voorhoofd af, loerde hij naar haar oren, alles beter dan de blik enkele decimeters naar beneden gericht.

 “Je hebt wel wat van ’m weg,” zei Lousewies, als uit het niets. “Op Gijs bedoel ik. Zelfde lange haar, flaporen… Bijt jij ook nagel?” 

Hij voelde zich betrapt, maar liet niets merken. In gedachten zag hij zichzelf in de spiegel en kneep hij zijn ogen samen. Ja, nu hij zo naging, als je niet te lang keek en hij niet lachte, dan was er inderdaad een gelijkenis. Van Oudkerk had het anders goed bekeken met zijn overstap naar de televisie. ’s Middags om, wat zou het zijn, een uur of drie beginnen, ’s avonds een uurtje aan de bak – reken erop dat meneer vóór de Champions League alweer thuis zat. En dat voor drie ton per jaar. Nee, dan Don Diks, die stond om half negen al klaar om stukkies te tikken, en dat de hele dag – vakkenvullen was het, niks anders. Toen de uitzending begon, zat Lousewies meteen driftig aantekeningen te maken. Don zag zijn kans schoon en gluurde in haar cleavage, in haar ruelle d’amour, en wist voldoende.

Van Oudkerk las de vragen keurig af van een stiekem schermpje, vragen die, zo had Lousewies intussen uitgevogeld, bureaumeisjes hadden bedacht en waarvan Gijs dankzij de voorgesprekken die zij hadden gevoerd, ook de antwoorden al leek te kennen. Na af loop van het programma was het een drukte van belang, rond Gijs, van studiopersoneel, napratende gasten en alweer van vage vrouwen. “Kom,” zei Don tegen Lousewies, “nu moeten we goed kijken en luisteren.” Ze wriemelden zich tussen de meute, en het lukte Don in de buurt van de presentator te komen. “Gijsjûh,” riep hij vrolijk.

Van Oudkerk keek even op, alsof er achter hem iemand in zijn haar blies, maar meteen draaide hij zich om naar het volk om hem heen.

“Hé Gijs… Diks hier, Don Diks…” Weer bleef een reactie uit. Don voelde het bloed naar zijn wangen stuwen, zag vanuit zijn ooghoeken de vertwijfelde en zelfs al wat meewarige blik van Lousewies, en probeerde nog een keer: “Gijs…” “Hé man,” klonk het afgemeten en zonder dat Don een blik waardig werd gegund. Daarop trok de speciale verslaggever zich schielijk terug, maar hij zag nog net hoe Van Oudkerk plotseling Lousewies in het vizier kreeg. “Waar kom jij vandaan?” riep hij verrukt uit en lachend trok hij haar naar zich toe.

Don Diks had hier niets meer te zoeken, en beende naar de uitgang. Hij maakte nog een plas en wilde de studio verlaten, toen er aan zijn mouw werd getrokken. Het was Lousewies. “Heb jij zo’n recordertje bij je?” vroeg ze, en haar gezicht was knalrood en haar bloes leek helemaal open te staan – morgen zou hij haar Lossebloes noemen, bedacht hij zich nog. “Ik mag hem interviewen,” hijgde ze. “Exclusief, straks in zijn kleedkamer, als iedereen weg is.” Don schudde zijn hoofd om aan te geven dat hij geen opname-apparatuur bij zich had. “Maakt ook niet uit,” pareerde Lousewies, “ik onthou alles wel.” En ze vloog al.

Toen Don Diks naar zijn ‘pedaalemmer’ op de parkeerplaats van het nabijgelegen Artis liep, voelde hij zich als Tanja, het nijlpaard dat daar al vijftig jaar in een badkuip werd gehouden. Hij stapte in en werktuiglijk checkte hij zijn mobiele telefoon op berichten. Er was een sms’je, van Eefke: “Leuk publiek.” Was hij toch in beeld geweest. Chips. Hij startte de motor en nam een ferm besluit: morgen ging hij naar de kapper, en dan liet hij het millimeteren.

Frans van Deijl