Wir Touristen vom Bahnhof Zoo

Het Berlijn van vóór de Wende bestaat niet meer. Een weemoedige terugblik.

Tegenwoordig is alles anders, vertelt u mij maar niks. Maar als je 25 jaar geleden, in de jaren tachtig, als Nederlandse student op vakantie ging naar Berlijn, dan moest je dat uitleggen – en geen klein beetje ook.

Het begon ermee dat je moest uitleggen waarom je niet op vakantie ging naar Barcelona. Of waarom je niet ging logeren bij een Franse wijnboer. Want dat deden destijds álle studenten, althans de studenten die ik kende. Ter verdediging verwees ik dan altijd naar Manuel uit Fawlty Towers. Die werd door zijn baas Basil permanent uitgekafferd, vernederd en mishandeld. Toch overwoog hij nooit om terug te keren naar Barcelona – een teken aan de wand, leek mij. En wat die Franse wijnboeren betrof: had iemand dáár weleens een komische tv-serie over gemaakt? Nou dan.

Waterdicht was mijn verweer natuurlijk niet. Want viel er in Berlijn dan wél wat te lachen? Als mij dat werd gevraagd, gooide ik het altijd over een heel andere boeg. Kijk, zei ik dan, de twintigste eeuw staat in het teken van drie grote oorlogen: de Eerste Wereldoorlog, de Tweede Wereldoorlog en de Koude Oorlog. Over die Eerste en die Tweede Wereldoorlog kun je zeggen dat ze in Berlijn werden ‘bedacht’. En wat die Koude Oorlog betrof: waar kon je die beter bekijken dan in de enige stad ter wereld waar tussen het vrije Westen en het communistische Oosten letterlijk een Muur stond? “Berlijn,” zo sloot ik mijn betoog altijd af, “is de hoofdstad van de twintigste eeuw, of jullie dat nu leuk vinden of niet.”

Erg veel resultaat heb ik met mijn wervingspraatjes nooit geboekt. Want hoe ik het ook wendde of keerde: Berlijn bleef natuurlijk wel in Duitsland liggen. En bij Duitsland dachten mijn medestudenten toch vooral aan die Bundesliga-voetballers met snorren en witte sokken die zich elke zaterdagavond lieten interviewen bij de ZDF, in Das aktuelle Sportstudio. Of aan Nena, van de hit 99 Luftballons, die – net als de meeste andere Duitse meisjes – tot ver in de jaren tachtig verzuimde haar okselhaar te scheren. Of aan die Duitse families die je vaak aan de Noordzeekust tegenkwam, en die altijd kinderen hadden die alles ‘super’, ‘irre’ of ‘dufte’ vonden. Of aan – nóg erger – intellectuele Duitsers, die altijd ‘betroffen’ waren en zich wilden ‘engagieren’ en/of ‘auseinandersetzen’ met het wereldleed. En aan het tenenkrommende jargon dat ze daarbij gebruikten: ‘Uni’ voor universiteit, ‘Demo’ voor demonstratie, ‘ko’ voor ecologisch, und so weiter, und so weiter.


Nee, tegen zo veel ellende was mijn reclame voor Berlijn niet bestand. Maar ‘was soll’s’, zo kan ik nu zeggen. Want wie in de jaren tachtig liever afreisde naar Barcelona of naar een Franse wijngaard, heeft echt iets gemist. En dat unieke ‘iets’ is inmiddels weg – en komt nooit meer terug.

Neem alleen al de reis. Als je per trein naar Berlijn ging, passeerde je bij Oldenzaal de Nederlands-Duitse grens en bevond je je al zo’n vier uur later op het grondgebied van de DDR. De trein minderde dan vaart, want het communistische spoor was slecht bestand tegen kapitalistische snelheden. Tezelfdertijd betraden Oost-Duitse douanebeambten de trein, bij wie je – ‘zur einmaligen Reise durch das Hoheitsgebiet der Deutschen Demokratischen Republik’ – een Transitvisum moest aanschaffen. Even uitstappen op een van de tussenliggende stations (Magdeburg, Genthin, Brandenburg) was niet aan de orde, en als je het toch probeerde kwam je niet ver, want rond de perrons stonden hekken met prikkeldraad. Nu ik dit zo opschrijf, schrik ik er bijna van. Want zo was het dus, slechts twee decennia geleden: een halve ochtend met de trein en je was niet meer in Oldenzaal, maar in een levensechte dictatuur, schaal 1:1.

Het aankomststation in West-Berlijn was steevast Bahnhof Zoo. Dat station is inmiddels helemaal gerenoveerd, maar 25 jaar geleden, toen ik er voor het eerst kwam, zag het er nog net zo bedompt en vuil uit als in Christiane F. – Wir Kinder vom Bahnhof Zoo. Die film – uit 1981 – was vooral bedoeld als een ultieme waarschuwing om niet met heroïne te beginnen (want dan eindigde je, net als de veertienjarige Christiane, in een mum van tijd halfdood op een heel erg vies stationstoilet), maar als je dat even door de vingers probeerde te zien, was er ook nog een andere boodschap: David Bowie.


Christiane F., zo viel in de film te zien, nam haar eerste dosis Rauschgift nadat ze Bowie in april 1976 had zien optreden in de Berlijnse Deutschlandhalle. Maar veel belangrijker was natuurlijk dat Bowie niet lang daarna was verhuisd naar Berlijn – om daar, geassisteerd door Brian Eno, twee van zijn meest legendarische albums op te nemen: Low (1977) en Heroes (idem). Die platen kenden wij van buiten, en ook dáárom waren we naar Berlijn gekomen.

We werden niet teleurgesteld. De Hansa-studio in de Nestor Strasse, waar Bowie en Eno het wonder hadden voltrokken, stond er nog. Ook Sound, de discotheek in de Genthiner Strasse waar Christiane aan lager wal was geraakt, was nog in vol bedrijf (in 1988 brandde de zaak af). En ja hoor, ook die reusachtige Mercedes-ster op het dak van het Europa-Center, vlak naast de Kaiser-Wilhelm-Gedächtniskirche, draaide nog zijn rondjes, net als in de Christiane-film. In Over de muur, die lijzige evergreen van het Klein Orkest, werd dat weliswaar sterk afgekeurd (Mercedes zou in West-Berlijn ‘op een voetstuk staan’ – foei!), maar toch waren we duizend keer liever hier dan in het land van DAF en Harrie Jekkers.

Om de beroemdste inwoner van Berlijn te aanschouwen, nam je destijds lijn 7 van de U-Bahn, naar het stadsdeel Spandau. Daar bevond zich de gelijknamige Kriegsverbrechergefängnis waar Rudolf Hess, ooit de plaatsvervanger van Adolf Hitler, zijn levenslange straf uitzat. Je hoorde weleens van toeristen die Hess hadden zien lopen in de gevangenistuin, maar die historische sensatie heb ik zelf nooit mogen beleven; het bleef bij staren en turen. In augustus 1987 werd dat allemaal overbodig. De 93-jarige Hess besloot zich toen te verhangen, heel prozaïsch, met behulp van een verlengsnoer. De gevangenis werd kort daarna afgebroken; tegenwoordig staat er een winkelcentrum.


Behalve die Kriegsverbrechergefängnis in Spandau waren er in Berlijn natuurlijk nog veel meer monumenten die aan de nazi-tijd herinnerden. Het Olympisch Stadion bijvoorbeeld, gebouwd voor de Spelen van 1936. Of de Reichstag, ooit, in 1933, in brand gestoken door de Leidse communist Marinus van der Lubbe. Maar als je wat ‘dieper’ dook en afweek van de gebaande toeristische paden vond je de échte parels. Bart Chabot had ons er in april 1984 op geattendeerd, in nota bene Muziekkrant Oor. “Aan de zuidkant van Tiergarten, omringd door bos en puin, staan de vooroorlogse ambassadegebouwen van Italië, Griekenland en Japan, vergeten bij elkaar. Dichtgemetseld. De ambassades zitten onder de kogelgaten. De straat loopt tussen de gebouwen door, beseft ’t zinloze van de hele onderneming en scheidt er halverwege mee uit. Een zuilengang van Italië is met z’n tijd meegegaan en stortte in. Japan is ’t minst gehavend. Zelfs de Rijzende Zon boven de ingang schittert nog. Het mini-oerwoud achter de Griekse ambassade bewaarde nog één verrassing: ’n bord met hamer en sikkel. Uit 1932.” Moet ik er nog aan toevoegen dat deze schitterende jongensboekruïnes inmiddels zijn afgebroken of gerestaureerd?

Wanneer je als toerist vanuit West-Berlijn een dagje naar Oost-Berlijn wilde, nam je lijn 6 van de U-bahn en stapte je uit bij de Kochstrasse. Je was dan vlak bij Checkpoint Charlie, de voor buitenlandse toeristen belangrijkste grensovergang. Voordat je door het douanepersoneel van de DDR werd toegelaten tot Oost-Berlijn, werd eerst je bagage nauwkeurig onderzocht; zelfs het meenemen van westerse kranten of tijdschriften was streng verboden. Daarna moest je – in het kader van de ‘Zwangsumtausch’ – 25 Oost-Duitse marken aanschaffen. Tegen betaling van, let wel, 25 West-Duitse marken, een wisselkoers die nergens op sloeg en die vooral was bedoeld om het regime van Erich Honecker aan westerse valuta te helpen.


Bij mijn eerste bezoek aan Oost-Berlijn ging dat omwisselen nog bijna mis, toen mijn reisgezel argeloos informeerde hoeveel ‘Ost-Marken’ hij nu precies kreeg. “Ost-Marken? Die gibt es gar nicht!” schreeuwde de douanier. “Wir haben hier der Mark der Deutschen Demokratischen Republik!” Want zo zat dat dus: alle verwijzingen met ‘Oost’ waren aan gene zijde van de Muur taboe. Daarom diende je ‘Mark der DDR’ te zeggen in plaats van ‘Ost-Mark’, ‘DDR’ in plaats van ‘Oost-Duitsland’ en ‘Berlin’ of ‘Berlin, Hauptstadt der DDR’ in plaats van ‘Oost-Berlijn’. Voor alle volledigheid: het niet-communistische deel van Berlijn noemden ze in de DDR ‘Westberlin’ (zónder verbindingsstreepje). Maar liever nog deden ze alsof dat deel van de stad lucht was. Als je bijvoorbeeld in Oost-Duitsland een plattegrond kocht van Berlijn, stonden alle Oost-Berlijnse straten, pleinen en parken er keurig op, maar bestond het aangrenzende ‘Westberlin’ slechts uit een grote gele vlek.

Om nog even – heel Hollands – door te zeuren over die Zwangsumtausch: die 25 veel te duur betaalde Ost-Marken diende je in Oost-Berlijn uit te geven – je mocht ze ’s avonds niet mee terugnemen. En dat uitgeven viel warempel niet mee. Zelfs als je je de hele dag liet vollopen op een Oost-Berlijns terras, hield je nog geld over – zo goedkoop was alles. Boeken kopen dan maar? Natuurlijk, dat kon, maar als je in Oost-Berlijn een boekhandel binnen liep, greep de dictatuur je pas echt bij de strot. Zo’n beetje elke schrijver van wie je eventueel wel een boek zou willen kopen, stond in de DDR op de zwarte lijst. De rest was overwegend rubbish: plaatwerken over het leven van de vooroorlogse communistenleider Ernst Thälmann, de gebundelde toespraken van Leonid Brezjnev, rijen biografieën van Fidel Castro, Ho Chi Minh en Angela Davis, en natuurlijk het verzameld werk van Karl Marx en Zijn Eniggeboren Zoon W.I. Lenin – gebonden, genaaid of als Taschenbuch.


De Oost-Berlijnse platenwinkels waren van hetzelfde laken een pak. Weliswaar kostten langspeelplaten er slechts ‘12,10 M’, maar als je niet van klassiek of de Dreigroschenoper hield, kreeg je voor dat geld hoogstens een bar slechte DDR-persing van een naamloze verzamelelpee van The Beatles. Of natuurlijk een plaat van een van de Oost-Duitse ‘beatcombo’s’ die door het regime officieel waren goedgekeurd. Zoals Die Phudys, een soort kruising tussen Uriah Heep en Peter Maffay – met alle gevolgen van dien.

Mijn laatste bezoek aan het gedeelde Berlijn was in de zomer van 1989, luttele maanden vóór de val van de Muur. Hing er toen in Oost-Berlijn al iets in de lucht?

Ik weet nog dat ik er die zomer écht niet in slaagde om die 25 Ost-Marken te spenderen. En dat ik het resterende geld toen maar heb weggegeven aan een bejaarde Oost-Berlijnse mevrouw die op straat bloemen verkocht. Ze was me erg dankbaar. Daarna ontdekte ik, vlak voor het betreden van Checkpoint Charlie, dat er toch nog een paar Oost-Duitse muntjes in mijn jaszak zaten. Die heb ik toen weggegooid, discreet, in een Oost-Berlijnse afvalbak. Karl Marx zou heel tevreden zijn over zo’n antikapitalistisch gebaar, bedacht ik later.

Maar verder? Overal in Oost-Berlijn hingen in de zomer van 1989 nog de bekende spandoeken met slogans: “Je stärker der Sozialismus, desto sicherer der Frieden!” De DDR maakte zich op voor de viering van het veertigjarig bestaan en alles ging er, zo te zien, nog ‘seinen sozialistischen Gang’, zoals Honecker altijd zei.

Maar toch. Achter een loket van een Oost-Berlijns metrostation zag ik die zomer voor het eerst een DDR-ambtenaar die de bovenste knoopjes van zijn overhemd had openstaan en die bovendien een Gorbatsjov-button droeg. En op Unter den Linden werd ik aangesproken door een Oost-Duitser die bewonderend naar mijn broek keek en toen zei: “Ich will genau so ein Levi’s wie du.” “Ja,” reageerde ik, want er schoot me even niets beters te binnen. Misschien had ik moeten zeggen dat ik het allemaal wel begréép: hoe erg het is om te zijn opgesloten in een land waar een stel marxistische ayatollahs bepaalt wat je mag lezen, waar je naar mag luisteren en – godbetert – welke broek door de beugel kan. Maar begreep ik dat wérkelijk?


Na de val van de Muur ben ik nog vijf keer terug geweest in Berlijn, voor het laatst in 1994. Toen had ik het wel gehad. Berlijn was een ‘gewone’ stad geworden. Om een oude hit van The Pretenders te citeren: My City Was Gone.

Niet dat ik Berlijn iets kwalijk neem – als dat al zou kunnen. “Zijn schrikwekkend vermogen zich onophoudelijk te vernieuwen, te ‘renoveren’ dus, is in tegenspraak met alle wetten van jong zijn en oud worden,” schreef de fameuze journalist en auteur Joseph Roth toen hij in 1929 de Kurfürstendamm bezocht. “Onveranderlijk is zijn veranderlijkheid. Lankmoedig is zijn ongeduld, volhardend zijn onbestendigheid.” Zo is het, weten we nu, niet alleen met de Kurfürstendamm, maar met héél Berlijn.

Roelof Bouwmann