Oeroeg revisited

HP/De Tijd bezocht het land van Oeroeg, de eerste roman van Hella Haasse, uit 1948, en deze maanden het boek in de campagne Nederland Leest. ‘De Indonesische studenten zien het als een pamflet dat de nadruk legt op de verkeerde zaken.’

Om ruchtbaarheid te geven aan de CPNB-campagne Nederland Leest 2009, waarin dit jaar vanaf 23 oktober tot 21 november het boek Oeroeg van Hella S. Haasse centraal staat, werd een aantal journalisten uitgenodigd om een kijkje te nemen in de streek waar het boek zich afspeelt. Dat ligt op vijftien uur vliegen, en wel op het westelijke deel van Java dat sinds de verovering door de VOC de Preanger wordt genoemd. De nieuwe heren introduceerden er vanaf 1830 het zogenoemde cultuurstelsel, waarbij de inlanders werden verplicht om als pacht minimaal een vijfde van de grond te verbouwen ten behoeve van producten voor de Europese markt. Dit systeem, dat ten koste ging van de rijstbouw (het belangrijkste voedsel van de bevolking), hield tot de twintigste eeuw stand. Honderdvijftig jaar geleden protesteerde Multatuli er al tegen in zijn Max Havelaar, of De koffieveilingen der Nederlandse Handelsmaatschappij.

Het personage Oeroeg in het boek van Haasse is de zoon van een inlandse opzichter die op een Nederlandse plantage te werk is gesteld. Het cultuurstelsel bestaat officieel niet meer, maar de plaatselijke bevolking is voor inkomsten nog altijd aangewezen op de plantages. Haasse stelt in haar debuut een interessant dilemma aan de orde waarop moeilijk een antwoord is te geven: van wie is het land eigenlijk? Zelf geeft ze als antwoord: het land is van wie er het meest van houdt. En dat is iets wat lang niet iedereen bevalt in 1948, het jaar dat het boek verschijnt in Nederland en de tijd van de politiële acties.

In een aantal opzichten hebben we hier te maken met een uitzonderlijk boek. Dankzij het handschrift (dat in een eerdere editie al eens werd uitgegeven) is te zien dat Oeroeg ‘aus einem Guss’ is geschreven. Het regelmatige, met de vulpen geschreven handschrift bevat nauwelijks doorhalingen. Haasse is een natuurtalent, en bedient zich daarbij van een sierlijke stijl die op veel lezers vandaag de dag ouderwets zal overkomen, maar die de vrucht is van oerdegelijk taalonderwijs. Het opmerkelijkste aan het boek is dat de debutante zich verrassend bedient van het mannelijke perspectief, wat veel zegt over haar ambitie. Haar hoofdpersoon is geen kwijnende, handenwringende plantersechtgenote in de tropen, wat trouwens niemand haar kwalijk genomen zou hebben. De hoofdpersonen zijn twee ambitieuze mannen die strijden om wie zich de ware erfgenaam van Indië mag noemen. Op het eind van het boek verjaagt Oeroeg letterlijk zijn tegenstrever. Van het geliefde landschap van Haasse resteert dan alleen nog letterlijk een geblakerde woestenij. Oeroeg is de winnaar, maar moreel de verliezer. Want wie echt van zijn land houdt, steekt het natuurlijk niet in brand, lijkt de schrijfster te zeggen.


Oeroeg is in wezen geen politiek boek, maar zonder het noodzakelijke conflict was het een doodsaai Indisch Verkade- album à la Jac. P. Thijsse geworden, en was iedereen het inmiddels allang vergeten. In de latere verfilming van Oeroeg (1993) is de balans zelfs volledig doorgeschoten ten faveure van het conflict. Het scenario van Jean van de Velde brengt de roman terug tot een oorlogsfilm in de tropen. Je ziet volop gevechtshandelingen, met af en toe een flashback van de vriendschap tussen een witte en een bruine jongen in een harmonieuze tropische omgeving. Dat had natuurlijk andersom moeten zijn.

Het geheime wapen van Haasse in de dagen dat ze het boek schreef, is haar overrompelende schoonheid. Wat een onvoorstelbaar mooie vrouw! Tijdens de presentatie van de Indonesische vertaling van Oeroeg in Jakarta is er een powerpointpresentatie, waarbij een verlovingsfoto van haar ouders wordt getoond. Hella lijkt verrassend genoeg sterk op haar vader, en erfde zijn opvallende kaaklijn. De mix van mannelijkheid en vrouwelijkheid versterkt overigens alleen maar haar aantrekkingskracht. Er wordt een jeugdfoto getoond waarbij alle mannen onwillekeurig hun adem inhouden: zo mooi dat het bijna pijn doet. Als ik de foto nadien opzoek, blijkt dat de schrijfster op dat moment pas dertien jaar was. Betrapt. Dat typisch mannelijke perspectief in Oeroeg past nu ook opeens beter in het geheel. Er is ook een foto van Hella met haar eerste dochtertje, dat Chrisje blijkt te heten. Een mannelijke naam, jawel, en enigszins doorgeredeneerd geldt het ook voor haar zusje dat Marina heet – meisje van de zee. De zee is zeer mannelijk, want de zee neemt, en geeft pas in tweede instantie. En de drenkeling leeft dan hoogst zelden. Alleen de naam van zusje Ellen is vrij van iedere masculiene connotatie.


Het was een meesterzet van de CPNB om het duurste hotel van Jakarta uit te kiezen. De setting waarin witgehandschoende bedienden onvermoeibaar glimlachend onophoudelijk cocktails en versnaperingen aanreiken, maakt dat de reizigers zich uitstekend kunnen verplaatsen in het vooroorlogse Indië van Hella. Hier geldt natuurlijk het aloude literaire adagium: Show, don’t tell. Op de keper beschouwd zijn de omstandigheden nog paradijselijker dan in de tempo doeloe: het wc-papier is liefst drie lagen dik, dus vooroorlogs gehannes met fles en bezoedelde linkerhand is er niet meer bij. En tijdrovend mandiën hoeft ook niet meer, want de powerdouche smijt per seconde ongeveer de hoeveelheid water van een middelgrote kali over je kop. Het hotel staat onder Chinees management, en over alcohol doen ze hier al helemaal niet moeilijk. Om de haverklap komt zo’n moderne variant van de djongos aangezweefd – schrijden kun je het amper noemen, zo vloeiend bewegen ze zich – en een hoofdknik betekent een gevuld glas. Jammer dat we de volgende dag al aan het werk moeten.

’s Avonds voegt Willem Nijholt zich bij het gezelschap. Hij is aangezocht om de lofrede uit te spreken over Oeroeg. De functie van lofredenaar gaat elk jaar naar een ander: vorig jaar was het Annejet van der Zijl die de laudatio verzorgde bij Twee vrouwen van Harry Mulisch. Nijholt is een Indische Nederlander van de klassieke stempel: zijn taalgebruik is zeer verzorgd, en hij hecht het grootste belang aan een juiste uitspraak. Met veel genoegen vertelt hij over de musicalhausse in Nederland waarvoor steeds vaker buitenlandse zangeresjes moeten worden ingevlogen. Laatst nog een paar beeldschone meisjes uit de Filipijnen. En ja, die spreken Spaans, dus een speciaal ingehuurde logopediste leert ze de tekst van de Nederlandse liedjes correct uit te spreken. Meer hoeft niet. Die liedjes worden daarbij steeds moderner, want voor een werkwoord als ‘neuken’ in de tekst draait, aldus Nijholt, Seth Gaaikema zijn hand al niet meer om.


“‘Noiken,’ probeert de Filipijnse.

‘Neuken,’ tuit de logopediste vroom.

– ‘Nauken’

– ‘Neuken!’

– ‘Noeken’

– ‘Neuken!! En mijn moeder maar denken dat ik een keurig beroep heb gekozen.'”

Voor een confrontatie met de kleinzonen van Oeroeg begeven de Nederlandse media zich naar een school in Zuid-Jakarta. In een opvallend modern complex, naar verluidt opgezet met Frans geld, bevindt zich een hypermodern theatertje van het type zwarte doos. Achter de tafel zitten vijf mannelijke studenten (de jongste 21, de oudste 22), die Oeroeg hebben doorgenomen. In een vraaggesprek zullen ze vertellen wat ze ervan vinden. Abdelkader Benali is de gespreksleider, en gewapend met een microfoon gaat hij zijn gasten een voor een langs om ze aan de tand te voelen. Al gauw wordt een patroon duidelijk. De jongens hebben allen als eerste de dvd gezien, die hier eerder uitkwam dan het boek. En omdat ze de film best spannend vonden, waren de verwachtingen voor het boek redelijk hoog gespannen. Ze zeggen het niet met zoveel woorden, maar het is duidelijk dat ze het boek saaier vinden. Als een autonoom kunstwerk zien ze het al helemaal niet. Keer op keer wordt Haasse verweten dat ze niet de juiste dingen heeft opgeschreven. Eén student is uiterst kritisch over het ‘Mooi Indië’ (hij gebruikt verrassend genoeg de Nederlandse uitdrukking) en citeert bijna honend ‘Indië verloren, rampspoed geboren’ (andermaal in het Nederlands). “Maar zo mooi was het niet,” besluit hij, “want de bevolking ging in die periode gebukt onder grote hongersnood.” Ook zijn medestudenten kunnen het boek niet anders zien dan een pamflet waarin de nadruk wordt gelegd op de verkeerde, want koloniale zaken.


Erg verbazingwekkend is dat allemaal niet, want vermoedelijk is 21 ook te jong om in te voelen dat de roman over een smartelijk verlies gaat. Om daarvoor ontvankelijk te zijn, is een minimale hoeveelheid taedium vitae nodig, en daarvan is op die leeftijd doorgaans nog geen sprake – of je moet van nature buitengewoon getalenteerd pessimistisch zijn. Voor Haasse lag dat allemaal anders: ze was dertig toen ze het boek schreef, en haar vaderland lag elders. De studenten in de zaal werden geboren in hun eigen land, eind jaren tachtig, wat gevoelsmatig vele eeuwen na de soevereiniteitsoverdracht is. Ze hebben ook totaal geen wrevel of weerzin tegen Nederlanders. Allemaal voegen ze na afloop Benali toe aan hun Facebook. Een hippe Nederlandse schrijver die lijkt op Zinédine Zidane in je contactenlijst – daar kun je mee gezien worden.

Het gezelschap verplaatst zich per bus naar Bogor, voor wat de apotheose van de reis moet worden. Bogor, of Buitenzorg, was de residentie van het Nederlandse gouvernement. Het was ook de favoriete buitenplaats voor de gewone kolonialen, want de op grote hoogte gelegen plaats is Hollands koel en regenachtig. Midden in de stad staat de reusachtige botanische tuin, die nog is aangelegd onder Raffles, toen de Engelsen het korte tijd voor het zeggen hadden op dit deel van Java. De tuin is veel te groot om in enkele uurtjes te doorkruisen, en een groep Nederlanders die zich als een plaatselijk financieel hogedrukgebied door de regio beweegt, krijgt al gauw zakelijke voorstellen van de lokale bevolking. De bewakers van het park bieden aan om omgerekend voor een schandelijk laag bedrag de complete groep per jeep door te tuin te vervoeren. Omdat hun voertuig net te klein is voor de hoeveelheid journalisten, wordt per mobilofoon versterking opgeroepen in de vorm van drie ojeks (brommertaxi’s). De chauffeurs blijken een grote voorkeur te hebben voor rondborstige blonde journalistes als duopassagier, maar kunnen niet verhinderen dat toean Freriks als eerste triomfantelijk achter op de brommer plaatsneemt.


’s Avonds blijkt dat je Bogor niet kunt vergelijken met de mondaine enclave die het Grand Hyatt in Jakarta is. Het uitzicht van restaurant De Galerij is weliswaar subliem, maar de uitbater heeft onverwacht moeite met de bestelde spiritualiën. Officieus serveert het restaurant alle denkbare geestverruimende dranken, maar het blijkt de bedoeling dat de ongelovige die zelf meebrengt. Het mohammedanisme en rooms-katholicisme schurken hier bij de evenaar knus tegen elkaar. Omdat niemand een platvink heeft, eindigt de avond achter het bruiswater, en terwijl de zon achter de einder verdwijnt, klinkt over het balkon de klaaglijke, veeltonige oproep tot het gebed van de muezzin. Een slot dat de toneeldichter Anton Tsjechov perfect wist op te roepen in die fameuze laatste akte van De kersentuin, waarin de nieuwe eigenaar uit de opkomende middenklasse onmiddellijk en hoogstpersoonlijk de bijl zet aan de bomen in de gaard, het geliefde uitzicht van de vorige bewoners. En voor de liefhebber formuleerde niemand de opkomst van de Nieuwe Orde subliemer dan Nescio in Vae victis: “Weldra zouden de fonteinen van den haat alom hoog opspuiten uit zwarte, brokkelige gaten in ons gelijkgeschoren, glanzige gras. Maar nog dronken wij thee en tennisten en reden in auto’s en werden onderdanig gegroet.”

Het kratermeertje Telaga Warna ligt op de weg naar de Poentjak Pas, midden in het theegebied. Het meer was favoriet bij de familie Haasse, die er vaak vanuit Batavia naartoe ging. Telaga Warna is fameus om zijn vele tinten – al naar gelang het tijdstip van de dag kan het water rood, groen, goud of zelfs zwart schijnen. In Oeroeg wordt het Telaga Hideung genoemd: het zwarte meer. Die kwalificatie is vast niet toevallig gekozen, omdat het water tot tweemaal toe een dramatische rol vervult. De eerste keer als de plantersfamilie er ’s nachts een tochtje maakt op een oud bamboevlot – tegenwoordig is dat niet meer mogelijk, omdat er de laatste jaren toegang wordt geheven, en het meer na sluitingstijd niet toegankelijk is. Het vlot kan de vele opvarenden en het gestoei van de jongens niet aan, en als het oude bamboe het zacht krakend begeeft, verdrinkt de vader van Oeroeg, die meesterknecht is op de plantage. Telega Hideung is aan het slot opnieuw het dramatische decor als de planterszoon (Haasse geeft hem geen naam, hij staat model voor de Indische Nederlander) voor de laatste keer naar zijn geliefde meer gaat. De theeplantages zijn dan al platgebrand door de inlanders, want dit is de ‘Heerlijke Nieuwe Wereld’ waarin geen pijn, kapitalisme, laat staan Nederlandse onderdrukkers zijn, en waarin de zachte krachten zeker zullen overwinnen.


In een geweldige slotscène die, zoals het hoort, bijna kitsch is, staan Oeroeg en zijn voormalige vriend tegenover elkaar, en moet de witman het veld ruimen. Indië is voor de Oeroegs – de middenklasse die haar verworven vrijheden niet meer zal afstaan, en voor wie de natuur geen panacee is tegen het taedium vitae, maar quantité négligeable, domweg omdat er zo onvoorstelbaar veel van is in dit grootste eilandenrijk van de wereld.

De journalisten lijken in de roman zelf te zijn getreden. Door bovennatuurlijk toeval, waar de regio om bekend staat, ligt er een bamboevlot in het water. Het psychosociale decor van Hella, verstild en compleet, zestig jaar na dato. Willem Nijholt, de tekstvaste, fluistert dromerig zijn claus: “Onze tuinman Danoeh liep heen en weer en hanteerde de boom.”

www.nederlandleest.nl

www.hellahaasse.nl

www.hellahaassemuseum.nl

Jan Zandbergen, foto's Chris van Houts