Kerstverhalenwedstrijd: 7e plaats

‘Stroperige lijm, dat is het geheim. Direct hechtend, maar niet gelijk hardend. Zodat je genoeg speelruimte hebt.’ Jorg kijkt zijn vriend begrijpend aan. Sjon staat bovenaan de trap en houdt de fles schuin op de houten trapleuning. ‘Het is nu een kwestie van druk op de fles houden en in één tempo naar beneden lopen. Niet te snel, want dan kun je niet zorgvuldig werken, maar ook niet te langzaam, want de lijm blijft natuurlijk niet eeuwig zacht.’

Sjon daalt achterstevoren de zeven treden af en trekt een dikke, rechte lijn over de leuning die via de onderkant met vier metalen haken aan de muur is vastgezet. Jorg volgt de handelingen met grote belangstelling. De Konstructielijm glinstert een beetje door de opkomende zon. De streep lijkt daardoor op het spoor van een uit de kluiten gewassen slak.

Met een sierlijke boog zet Sjon het halflege lijmflesje op de grond, naast de uitgestalde glazen potjes. Uit zijn achterzak haalt hij een doorzichtige wegwerphandschoen. Terwijl hij de trap oploopt, trekt hij deze geroutineerd over zijn rechterhand.

‘Nu komt het er op aan de lijm gelijkmatig over de leuning uit te smeren. Niet te dik, maar zeker niet te dun. Klonters zijn taboe, want dat haalt straks het hele effect onderuit. Begrijp je?’

Jorg knikt, maar zijn vriend kijkt hem niet aan. Uiterst geconcentreerd wrijft Sjon de lichtgele substantie uit over het droge hout. Hij maakt mysterieuze masseerbewegingen, alsof hij de rug van een meisje wil betoveren. Het slakkenspoor verandert onder zijn handen in een afgelikte kaneelstaaf.

Na een kleine tien minuten is hij klaar.

‘Je merkt dat ik tijdens het uitsmeren niet praat. Dat is belangrijk. Het aanbrengen van de lijm hoort bij het ritueel. Woorden kunnen het proces verstoren. De onderlaag moet volkomen egaal zijn. Je zult straks wel merken waarom.’

Hij stroopt zijn handschoen af, de plak aan de binnenkant, verfrommelt het plastic en legt de prop naast het flesje.

Een veel te vroege krantenjongen passeert en groet. Sjon reageert niet.

‘We hebben nog precies achtentwintig minuten om de meditatielaag aan te brengen. Vanaf nu kan ik jouw hulp goed gebruiken. Luister naar mijn aanwijzingen en stel geen overbodige vragen. We hebben elke minuut hard nodig. Pak het eerste potje maar.’

‘Welk van de drie?’

‘Maakt niet uit. Vooruit, actie!’

Jorg pakt er een en loopt daarmee naar Sjon. Die staat al boven te wachten. Het gedempte gezoem klinkt een beetje akelig. Hij voelt medelijden met de vliegen. Sjon pakt het potje aan en recht zijn rug opzichtig.

‘Let op, ik draai de deksel er vanaf, schuif mijn hand in één beweging over de opening en klem mijn vingers over de rand om het potje vast te houden. De vliegen kunnen nu niet ontsnappen en ik heb een hand vrij. Met mijn duim en wijsvinger maak ik een opening tussen de wijs- en middelvinger van mijn andere hand en grijp daarmee een vlieg. Ik pak het dier stevig vast, maar de vleugels mogen niet worden beschadigd, dat is essentieel.’

Jorg ziet hoe Sjon vrijwel meteen een vlieg te pakken heeft en in een vloeiende beweging op de leuning plakt.

‘Met het onderlijf even op de lijm drukken, dat is genoeg, dan zit het diertje goed vast. En de vleugels blijven trillen. Daar gaat het om, dat de vleugels blijven trillen. Maar pas op dat je met je vingers de lijm niet aanraakt. Ze moeten schoon blijven.’

Even kijkt hij Jorg aan. Zijn ogen glinsteren van… plezier? Nee, het is een onbestemde blik waarmee zijn vriend hem aankijkt. Een amalgaam van bravoure, daadkracht en… angst?

‘En dan nu tempo maken.’

De ene vlieg na de andere plakt hij op de reling, in rijen van vijf. Hij laat er geen een ontsnappen. Wel zit er af en toe een dode tussen. Nonchalant gooit Sjon het lijkje weg en gaat onverstoorbaar verder met zijn werk. Jorg volgt de handeling met verbazing. De vliegen blijven vastzitten, hoe hard ze ook met hun vleugels trillen…

Na een paar minuten is het eerste potje bijna leeg. Een deel van de leuning is veranderd in een vliegendeken. Een levende laag van zoemend zwart. Door het zonlicht lijkt er een blauwgroene metalen gloed overheen te zweven.

‘Het volgende potje!’

Jorg haalt een nieuwe lading. Zijn vriend werkt geconcentreerd door.

Na een klein kwartier is hij over de helft.

‘Kijk Jorg, ik moet tempo blijven maken, want de vliegen die ik als eerste heb aangebracht raken uitgeput. Na een halfuur leggen de eersten het loodje.’

Jorg inspecteert de laag. Bovenaan is van uitputting nog niets te merken. De vleugels trillen angstig boven de gevangen lijfjes.

‘Jorg, het laatste potje.’

Het is een bizar schouwspel. Door de honderden vliegen lijkt de leuning tot leven te komen…

‘En klaar!’

Sjon zet het derde potje op de grond, strekt zijn vingers uit tot ze knakken en loopt de trap weer op.

‘Jorg, niet treuzelen nu, het moment is aangebroken. Kom achter mij staan.

We lopen zo meteen langzaam zijwaarts de trap af en strelen met beide handen de leuning. Niet te hard drukken, je moet de vleugels net kunnen aanraken, zodat ze tegen je handpalmen trillen. Duidelijk?’

Jorg knikt.

‘Sluit dan nu je ogen, luister naar het gezoem en concentreer je op het gekriebel, zodat je kunt afdalen in je onderbewustzijn en contact kunt maken met de dood. En vooral niet praten! Ben je er klaar voor?’

‘De dood?’

‘Je zult versteld staan.’

A.H.J. Dautzenberg