Kuitenbrouwer: tweede helft Ajax-FC Twente

Exclusief op de website van HP/De Tijd: de column van Jan Kuitenbrouwer.

INITIATIE II

Ik schreef vorige week dat het bij de rust van Ajax-FC Twente (7 februari, Arena) 1-0 stond, maar het was 2-0, waarna in de tweede helft nog een derde doelpunt viel, voor Ajax, zodat de eindstand 3-0 bedroeg. Enfin, hieruit bleek maar weer dat ik inderdaad geen verstand van voetbal heb.

‘En hoe was Ajax-Feijenoord?’
‘Fan-tas-tische wedstrijd!’
‘En, uitslag?’
‘Eh, 2-1 geloof ik. Of nee, 1-2…Of eh… Nou ja, zoiets. Ge-wel-dige wedstrijd!’
Hartelijk dank aan de lezers die me hierop attendeerden.

Wij zaten in vak 420, dat is schuin tegenover het vak van de hardcore Ajax-fans, nummer 410, in de bocht van de lange naar de korte zijde. Het is maar één van de zestig vakken, maar dat het een bijzondere status geniet, blijkt uit alles. De tv-camera’s zoomen er geregeld op in, en ook de spelers lijken er als een magneet naartoe te worden getrokken. In die kooi zit het dier dat gevoederd moet worden.

Als de NOS een bijdrage zou willen leveren aan het decriminaliseren van het voetbalsupporterschap – geen vanzelfsprekendheid, maar stel – dan zouden ze misschien ook af en toe een van die 59 andere vakken in beeld moeten brengen. Gewoon een traag panorama-shot langs die eindeloze rijen brave seizoenkaarthouders. Al was het maar om aan hen zelf duidelijk te maken dat ze er niet voor spek en bonen bijzitten – een gevoel dat mij op den duur zou bekruipen als ik ‘s avonds in de samenvatting uitsluitend beelden van de harde kern, de vip-tribune en de dug-out te zien kreeg. ‘Er komt weer geen normaal mens in voor,’ zou Van het Reve zeggen.

Kijkend naar een voetbalwedstrijd op televisie heb ik me vaak afgevraagd hoe commentatoren toch zo precies kunnen zien wat er gebeurt. Je ziet een been omhoog schieten en een bal afzwaaien, tja, daar ging iets mis, Joost mag weten wat. Waarop de commentator uitlegt dat de speler de bal per ongeluk op z’n scheenbeen nam in plaats van op de wreef. Dat is training, ervaring en expertise, uiteraard, maar in de Arena zag ik dat er nog iets anders meespeelt. De televisiecamera’s staan dichter op het spel dan de gemiddelde toeschouwer er vandaan zit, en toch is de resolutie van televisiebeelden die je thuis vanaf de bank ziet per saldo lager dan die van het blote oog vanaf de tribune. Ik zag nu ook ineens hoe die wreeftrap mislukte.

Zo’n tv-registratie is een vorm van visueel voorkauwen, de regisseur kijkt voor jou naar de wedstrijd. Met zijn selectie zul je het moeten doen en dat doe je dus ook, maar in zekere zin ben je toeschouwer van een interpretatie van iemand anders z’n wedstrijd. Als je op de tribune zit, heb je die regie zelf in handen, zie je de wedstrijd door je eigen ogen. Als je iets opvalt, de manier van doen van een bepaalde speler, een tactisch patroon, het contact tussen de coach en captain, ik noem maar iets, dan kun je dat even op je gemak bestuderen, zonder dat de regisseur je andere beelden opdringt. Ajax krijgt een vrije trap vlak bij het doel van Twente. Twee Twente-verdedigers gaan naast elkaar in de lijn van het schot staan, handen voor het kruis. De scheidsrechter rent naar ze toe en gebaart: verder terug. De spelers doen een paar stappen achteruit, de scheidsrechter spoedt zich naar het strafschopgebied en als op een teken schuifelen de twee Twente-spelers met kleine stapjes terug naar hun oude plaats. Een komische scene die je als televisiekijker mist, want op zo’n moment zie je of de wild gebarende keeper die de gaatjes wil dichten, of de schutter die zich gereed maakt.

Doordat je een vast gezichtpunt hebt ten opzichte van het veld, krijg je ook sneller gevoel voor het spel, had ik de indruk – de snelheden, de afstanden, de bewegingen.

Tijdens de eerste helft zaten wij aan de thuis-kant van het veld. Aanvankelijk was het druk voor onze neus, Ajax werd een beetje overrompeld door FC Twente, maar toen hernamen ze zich en drongen ze de vijand langdurig terug. De curieuze gewaarwording dat één speelhelft al geruime tijd niet meer door een voetballer is betreden, zodat er gedachten in je opkomen over hoe het zou zijn om daar zelf een balletje te trappen, of de hond uit te laten, of te picknicken. Heb ik voor de televisie nooit zo ervaren. Op de een of andere manier zien voetballers er live ook net iets menselijker uit dan op televisie. Ze kunnen heel goed voetballen, maar je ziet ook hun kleine onbeholpenheden. Het is net alsof die op televisie weggestileerd worden. Als je op de set komt van bijvoorbeeld een praatprogramma op televisie, is het altijd weer opmerkelijk: dat tafelblad zit vol butsen en plakbandsporen, maar op het scherm zie je daar niets van. Televisie is zijn eigen make-up.

Meer leuke content? Like ons op Facebook

Jan Kuitenbrouwer