Goed gek, maar geen kapsones

Sinds zijn tiende staat hij al op het podium en nog steeds is hij niet moe. Dit jaar wordt hij 65 en verschijnt Minor Details, zijn 38ste album als soloartiest. Op huisbezoek bij Jan Akkerman, Neerlands enige echte gitaarlegende. ‘Legende? Hou toch op. Dat noemen ze tegenwoordig iederéén.’

‘Ik geef niet om een gouwe lul op mijn dak,’ verklaart de gitaargod in de achtertuin van zijn Volendamse doorzonwoning. ‘Geef mij maar een brok motor en een paar konijnen. En als de plantjes het dan óók nog willen doen, ben ik helemaal gelukkig.’

Het is Jan Akkerman ten voeten uit: grof in de mond en het hart op de tong. En humor. Iedere zin bevat wel een grap of een woordspeling. Over zijn muzikale smaak, bijvoorbeeld. De Berenburger Concerten van Hassebassie ziet hij wel zitten. Maar bij de stukken van Schater Peet denkt hij: pieppiepknor jij maar lekker door jongen, het zal mijn tijd wel duren.

Uitleggen dat hij het over Johann Sebastian Bach of Peter Schat heeft, doet hij niet. Wel checken de twee ogen onder de ver naar voren getrokken klep van zijn pet of zijn gesprekspartner het allemaal nog kan volgen. Het is opletten geblazen. Want Akkerman beweert vaak met een stalen gezicht precies het omgekeerde van wat hij eigenlijk bedoelt. Maar hij maakt geen grap wanneer hij zegt dat hij twee weken eerder de dood heel even in de ogen heeft gekeken. Een beroerte. Een lichte, maar toch. Dus nu is hij aan de bloedverdunners. En cold turkey gestopt met roken. Dat wil je wel, als je zoiets hebt meegemaakt, ook al zat je daarvoor nog aan een pakje per dag.

We willen het hebben over gitaarlegendes, en of er vandaag de dag nog nieuwe geboren worden. Jan Akkerman behoort al tot dat selecte gezelschap. Begin jaren zeventig kozen de lezers van het toonaangevende Britse muziekblad New Musical Express het boegbeeld van de symfonische rockgroep Focus tot de beste gitarist van de wereld. Met die verkiezing liet hij Eric Clapton (2), Jimmy Page (5) en Carlos Santana (10) achter zich. ‘En dan waren er ook nog ene Jimi Hendrix en een zekere Jeff Beck,’ memoreert de gitarist. ‘Akkerman, Beck, Clapton: dat was het abc’tje destijds.’


Met Akkerman als de Nederlandse EC, de Eric Clapton van de polder. ‘Dát heb je dan verkeerd,’ riposteert hij droogjes. ‘Dat was Eddy Christiani. Tenminste, daar laat hij zich graag op voorstaan.’ Christiani, in de jaren dertig, veertig en vijftig een waar popidool met hits als Zonnig Madeira en Kleine Greetje uit de polder, werd zelfs in de jaren zestig door de lezers van het blad Muziek Parade nog verkozen tot de populairste gitarist van Nederland. Zijn overdadig gebruik van echoapparatuur leverde hem de bijnaam ‘Christianianiani’ op. Maar nadat Jan Akkerman zich in 1966 onsterfelijk maakte met de briljante gitaarlick in het nummer Russian Spy and I met zijn bandje The Hunters, werd dat tijdperk definitief afgesloten. De legende Akkerman was geboren.

‘Ach hou toch op,’ reageert Jan Akkerman quasi-geïrriteerd. ‘Ze noemen tegenwoordig iedereen een legende. Ik heb mij nooit een legende gevoeld. En ook geen artist. Van woorden als kunst of genie heb ik me altijd verre gehouden. Als je maar lang genoeg blijft leven, word je vanzelf een genie, lijkt het wel.’ Of jong sterven, proberen we. Charlie Parker, Jimi Hendrix, Jim Morrison: aan dope en drank ten onder gegaan. Een handvol anderen – John Coltrane, Eric Clapton, Keith Richards – is de dodendans ternauwernood ontsprongen, maar zij waren op hun creatieve hoogtepunt wél allemaal aan de spuit. Is verslaving een voorwaarde voor presteren op het hoogste niveau?

Akkermans antwoord komt via een omweg. ‘Mijn eerste concert was Ray Charles in het Concertgebouw,’ herinnert hij zich. ‘Met de originele Raylettes was dat nog. En ja, Ray had ook de habit. Was blind, maar had toch auto leren rijden. Een te gekke gast. Maar wel een junk.’ Wynton Marsalis, het trompetspelende geweten van de jazz, beweert, poneren wij, dat de muziek van alle al dan niet aan dope ten onder gegane legendes nóg genialer geweest zou zijn wanneer zij niet gebruikt zouden hebben.


‘Da’s onzin!’ reageert de gitarist resoluut. ‘Wynton kan zo lekker clean spelen omdat al die gasten het allemaal al voor hem uitgezocht hadden. De bouwstenen lagen voor hem gewoon voor het oprapen. Dus de vraag of al die mooie muziek ook had kunnen ontstaan zonder drugs is gewoon geen realistische vraag. Dat is mijn antwoord. Je moet gewoon lijden. Kleerscheuren horen erbij. Het enige wat je je moet afvragen, is waar je het allemaal voor doet. Voor wát? Voor wie? Wie het weet mag het zeggen.’

Over zijn eigen uitspattingen houdt hij zich op de vlakte. Het was de hippietijd en iedereen nam weleens wat, daar wil hij het bij laten. Het is dan ook een gevoelig onderwerp voor de gitarist. In 1989 bezweek zijn broer, na een jarenlange verslaving, aan een overdosis. Mede om die reden liet Akkerman zich fotograferen in een T-shirt met de tekst ‘Fuck Drugs’, een initiatief van de Moedige Moeders uit Volendam, het vissersdorp waar de jeugd niet vies is van een witte neus.

Maar hadden we het niet over gitaarlegendes?

Zonder zich te verliezen in een vroeger-was-alles-beter-tirade, weet Jan Akkerman wel te verklaren waarom echte gitaarvernieuwers van het kaliber Hendrix, Clapton of Beck vandaag de dag met een lantaarn te zoeken zijn. ‘Er is te veel informatie,’ stelt hij kortweg. ‘Daarom lijkt ieders stijl op elkaar. Terwijl het juist draait om authenticiteit. Maar wie heeft daar nog belangstelling voor?

‘Authenticiteit kun je niet op je boterham smeren of op een bankrekening storten. En dan is er ook nog zoiets als wat ik altijd ‘carrièrebouwplaten’ noem: bij die riedel linksaf, na dat loopje rechtsaf en dan weer een ton erbij en dan weer tien miljoen op je rekening – begrijp je wat ik bedoel? De concurrentie checken doe ik niet echt. Luisteren naar andere gitaristen al helemaal niet. Slagers eten elkaars worst toch ook niet? Ik hoor natuurlijk weleens wat. Mijn tandarts is helemaal dol op John Scofield. Nou, dat mag-ie. En laatst ben ik met collega-gitarist Jan Kuiper mee geweest naar een concert van Pat Martino. Die gast had een herseninfarct gehad, waardoor hij alles wat hij kon was vergeten. Heeft weer helemaal opnieuw moeten leren spelen. Nou, hij was in ieder geval niet vergeten hoe hij moest liegen. Ik geloofde geen moer van wat-ie stond te spelen. Na tien minuten stond ik weer buiten.


‘Ik kan nooit echt lang luisteren naar iemand. Na vijf minuten begin ik me al te vervelen. Behalve bij Django Reinhardt: naar hem kan ik wel blijven luisteren. Dat was pas een legende. Legendes, het stikt er hier van in het dorp. Maar dan weer op een andere manier. Ook in legendes heb je gradaties. Maar de legendes van nu worden gemaakt. Het zijn mensen als John de Mol die bepalen wat wij te horen krijgen. Het is allemaal showbizz.

‘Op zich is daar natuurlijk niks mis mee. Er zit een knop aan je toestel. Maar driekwart van de mensen draaien die knop niet om. Wat niet wil zeggen dat dat allemaal mongolen zijn. Hoewel… Maar goed: Miles Davis was natuurlijk óók een showboot: anders ga je niet zo gekleed rond-lopen. Maar hij had wél oren aan zijn hoofd. Dát wou ik wel even zeggen.’

Tijd om een paar van zijn originele jarenzeventigalbums uit de tas te halen, relikwieën die hij aan het einde van het bezoek nog welwillend voorziet van wat vriendelijke woorden en een handtekening. We laten hem de hoes van het titelloze album uit 1977 zien, waarop Akkerman met een gitaar het bed deelt. Is zijn relatie met zijn instrument nog steeds zo symbiotisch en semi-erotisch? ‘Nee hoor!’ antwoordt hij op een doe-niet-zo-raar toontje. ‘Is het eigenlijk ook nooit zo geweest. Voor mij zijn gitaren gewoon werkpaarden.’

Veel van de instrumenten die Akkerman in de jaren zeventig had, heeft hij niet eens meer. Hij speelt voornamelijk op zijn Gibson Les Pauls: de Black Beauty en de Gibson Standard met de tiger stripes, alle twee, zo zien we later, recentelijk prachtig gereviseerd. Hij probeert zich te herinneren op welke Focus-plaat hij op de tiger stripes speelde. Live at the Rainbow? O nee, Hamburger Kop Snert – weer zo’n typische Akkermaniaanse kwinkslag, verwijzend naar Hamburger Concerto, het ietwat pompeuze album uit 1974. De staalsnarige akoestische Martin van de hoesfoto komen we later nog tegen in de huiskamer naast de open haard. We mogen er zelfs even op spelen.


‘En dan,’ gaat hij verder, ‘heb ik nog een zessnarige bas waar Monk Montgomery, de broer van Wes, nog op heeft gespeeld. De Gretch White Falcon, die heb ik van mijn vader gekregen, dus die doe ik nooit weg. Na dat auto-ongeluk in 1992, waarbij ik mij rug heb gebroken, kreeg ik ook nog een babypoepkleurige Gibson SG als persoonlijke gift van Henry Juszkiewicz, de directeur van Gibson. SG’s zijn wat lichter, dus die drukken niet zo zwaar op de schouder, iets wat ik tijdens mijn revalidatie wel kon gebruiken.”

Na dat ongeluk was hij maanden aan zijn bed gekluisterd. Precies een jaar na dat bijna fatale moment trad hij in het huwelijk met zijn vriendin Marianne, de goedlachse, uiterst aimabele vrouw die zojuist voor de tweede maal langskwam met koffie en thee. En passant stelt zij ook de konijnen nog even aan ons voor. Aangenaam! Wanneer zij de tuin heeft verlaten, stuurt Akkerman het gesprek richting het doel van deze bijeenkomst: de nieuwe plaat, Minor Details. ‘Heb ik hierboven op zolder in elkaar geknutseld,’ zegt hij met een weidse armbeweging richting dak. ‘Ik ben al dertig jaar met computers bezig, en met een beetje knappe computer schuif je tegenwoordig zo alle studio’s in hun graf. Het is een echte internet-cd geworden.’

Later, wanneer we de trappen naar zijn heiligdom hebben beklommen, laat hij zien hoe het allemaal werkt. ‘Alle shit die ik heb bedacht, kan ik uitprinten als bladmuziek, en die stuur ik naar de jongens van de band. Die kunnen hun partijen bij hen thuis inspelen en digitaal naar mij terugsturen. Ik hoef niet zo nodig meer samen met andere muzikanten in een hutje te zitten,’ zegt hij met een valse knipoog richting het project ‘In A Cabin With’, waarbij muzikanten die normaliter niet met elkaar spelen, proberen samen tot iets nieuws te komen. ‘Spirituele incest noem ik dat,’ zegt hij met een grote grijns. ‘Laat mij hier maar lekker in m’n eentje aanklooien.’


Dat aanklooien kan soms verheven vormen aannemen: Akkerman, die naast de blues van Robert Johnson ook de luitmuziek van een renaissancecomponist als John Dowland speelt, heeft nog steeds een passie voor klassieke muziek. Momenteel analyseert hij een vioolconcert van Antonín Dvorák. Gaat hij volgend jaar spelen, met de vioolpartij op gitaar. ‘Dat is helemaal niet nieuw hoor, die klassieke muziek,’ verduidelijkt hij, ‘ook niet toen ik nog bij Focus zat. Onder het motto ‘plat met dat ouwe wijf’ speelde ik op mijn veertiende al Melodie in F van Anton Rubinstein: gewoon lekker rock-‘n-rollen over het tussenstuk. Moet kunnen. Dat was het eerste plaatje dat ik opnam. Zo is het bij mij trouwens altijd geweest. De blues is nummer één, met alle andere muzieksoorten ben ik alleen zijdelings in contact gekomen. Het hele jaar door bebop spelen om één keer per jaar op het North Sea Jazz Festival te mogen staan? Ga toch weg man! Ik ben wel goed gek, maar niet onverstandig. Dan verveel ik me dood. Ik heb in mijn leven heel veel albums gemaakt en er is er geen een die op de andere lijkt. Daar ben ik heel trots op – juist in dit industriële tijdperk.’

Waarom het acht jaar heeft geduurd eer zijn nieuwe studioalbum er kwam, weet Akkerman eigenlijk niet precies. Natuurlijk kwam de cd-dvd Live in Concert The Hague 2007 er nog tussendoor. ‘Daarna ben ik toch wel drie, vier jaar met dit album bezig geweest,’ vermoedt hij. ‘Verder spelen we ons het lazarus, want dat is toch het mooiste wat er is.’ Met ‘ons’ bedoelt hij, behalve zichzelf, ook pianist-organist Coen Molenaar, bassist Wilbrand Meischke en drummer Marijn van den Berg -muzikanten die hun bijdragen aan het album soms zelfs vanuit Brazilië naar Akkerman mailden. ‘En dan was er natuurlijk nog Eric Vloeimans, die als gast zijn partijtje gewoon hier op zolder heeft staan toeteren. In één keer, knal, d’r op. Hij speelt trouwens ook met ons mee op het komende North Sea Jazz Festival, waar ik ook geprogrammeerd sta.’


Maar eerst vertrekt de Jan Akkerman Band weer voor een korte tournee naar de UK. ‘We hebben vorig jaar maar eens een keertje overgeslagen, omdat een voormalige confrère van mij op internet mijn tourdata gaat checken om daar dan zelf nét voor te gaan zitten.’ Akkerman heeft het natuurlijk over Thijs van Leer, die met zijn band nog steeds optreedt onder de naam Focus. Op de vraag of het ooit nog eens goed zal komen tussen hem en Thijs antwoordt hij kort en bondig: ‘Nee. Ik hou niet van fake.’ Echt opwinden over de vete kan de gitarist zich niet meer: Van Leer moet maar doen wat hij niet laten kan. Dan, met een bevrijdende lach: ‘Bovendien heeft hij een stuk of tien bloedjes van kinderen. Die moeten ook eten, toch?’

Die humor, bij Jan Akkerman vaak gebruikt als wapen, brengt ons bij de slotvraag. Frank Zappa bracht ooit een cd uit met de titel Does Humor Belong in Music? Nog voor de vraag gesteld kan worden, roept Akkerman ‘Absoluut!’ We hadden niet anders verwacht: iemand die platen maakt met titles als The Noise of Art, Oil in the Family of 10.000 Clowns on a Rainy Day kan geen muzikale zuurpruim zijn. ‘Muziek mag leuk zijn,’ stelt hij, ‘ik hou niet van die loodzware shit.’ We komen dan ook niet weg zonder naar een YouTube-filmpje te kijken van het komische duo Cheech & Chong, een parodie op een blinde blueszanger waar Akkerman tijdens zijn verhaal over Ray Charles al dubbel om lag. Tijdens de hilarische clip over Blind Melon Chitlin ligt de gitarist weer in een deuk. De moraal van het verhaal: je moet jezelf, ook al werd je ooit uitgeroepen tot de beste gitarist van de wereld, niet zo serieus nemen. Daar weet hij nog wel een mooie grap over van de Amerikaanse komiek George Burns. ‘Later in life I found out that I had absolutely no talent at all – by then it was too late: I was already too famous to quit.’

Ruud Meijer