Allochtoon vriendje

Meer dan de helft van de ouders legt zich neer bij de partnerkeus van hun kind.

Nederlandse ouders zijn in meerderheid ongelooflijk ruimdenkend en tolerant. Volgens een onderzoek, gepubliceerd in het septembernummer van oudermagazine J/M, heeft 57 procent van de ondervraagde ouders er geen probleem mee als hun dochter zou thuiskomen met een allochtoon vriendje als aanstaande schoonzoon. Voor een zoon met een allochtone vriendin ligt het acceptatieniveau op 62 procent. Meer dan de helft van de ouders stelt zich dus in principe accepterend, omarmend, kleurenblind en anti-discriminerend op tegenover de partnerkeus van hun kinderen. Hiermee demonstreren ze een politiek-correcte zuiverheid die, als iedereen er maar zo over zou denken, uiteindelijk culturele verbroedering en de wereldvrede dichterbij kan brengen. Tenslotte geldt het interetnische, interculturele huwelijk als het toppunt van integratie.

Heel mooi, maar ik vertrouw het niet. Ik geloof er niets van dat er ouders bestaan die vanuit volle innerlijke overtuiging verkondigen dat het ze niet uitmaakt met wie hun kinderen in zee gaan, zolang ze maar van elkaar houden. Dat is weliswaar de gangbare sociaal-wenselijke opstelling, maar die laat alleen maar zien hoe groot het taboe is om überhaupt een mening over de partnerkeus van je kinderen te ventileren. In dat opzicht valt het me nog mee dat zo’n veertig procent van de ondervraagden toch wel enig bezwaar tegen interculturele allianties toegeeft.

Het venijn in dit onderzoek zit in het woordje ‘allochtoon’. Zodra dat valt, gaan er alarmbellen rinkelen en raakt iedereen verlamd in de pavlovreactie: gij zult niet discrimineren! En natuurlijk is het fout om mensen op grond van afkomst uit te sluiten bij het aannemen van personeel, het toewijzen van woningen of het betreden van openbare locaties. Maar dat gaat over burgerrechten in een democratische maatschappij. Vriendschap en liefde bevinden zich in het privédomein dat juist wel wordt geregeerd door discriminatie, oftewel het maken van onderscheid. De keuze van een (levens)partner is de meest discriminatoire beslissing die een mens kan maken. Die keus komt immers neer op: jij wel en alle andere mensen van de wereld niet, althans voorlopig niet.


Omdat de definitieve partnerkeus van een kind zo’n belangrijke beslissing is die ook gevolgen heeft voor de latere familieverhoudingen, kan een toekomstige schoonzoon/-dochter ouders niet onverschillig laten. Dat er liefde aan te pas komt, is mooi, maar niet genoeg. Ouders zullen sommige gegadigden eerder aan de borst drukken dan andere. Kerncriterium in deze beoordeling is homogeniteit. Past de potentiële partner een beetje in de familie of niet? Hoe minder de geliefde van een kind lijkt op het kind zelf of op de familie, des te minder enthousiast de ouders zullen zijn. Enerzijds uit eigenbelang: het is makkelijker om iemand te verwelkomen die als het ware in een gespreid bedje valt. Anderzijds houden ouders meer dan hun verliefde kind de lange termijn in de gaten.

Ontegenzeggelijk hebben relaties tussen mensen die achtergrond en overtuigingen delen een grotere overlevingskans dan relaties die in het teken van verschillen staan. Doorgaans staan ouders niet te trappelen van vreugde wanneer hun kind een buitenlander die de taal niet spreekt als partner dreigt te kiezen. Of wanneer zich iemand aandient die vijftien jaar ouder of jonger is dan het kind zelf, een totaal andere godsdienst of levensbeschouwing heeft, uit een andere sociaal-economische klasse (veel hoger of veel lager) komt, of uit een andere cultuur met andere gewoonten. Een keuze voor heterogeniteit is vragen om moeilijkheden.

Ook wanneer toekomstige partners veel gemeenschappelijk hebben, is een bestendige relatie lastig genoeg om overeind te houden. Laat staan wanneer er sprake is van radicaal botsende levensopvattingen. Overal ter wereld hebben ouders een voorkeur dat hun kinderen een partner kiezen van dezelfde culturele en religieuze afkomst. In Nederland ook – alleen durft zestig procent daar niet voor uit te komen.