Broek vol goesting

‘Alles wat ik doe, heeft met de vijf V’s te maken. Vriendschap, vertrouwen, veerkracht:” Ik stopte met luisteren. Een gebrek aan zelfvertrouwen kon hem nooit verweten worden. Maar toen ik mijn beste vriend van de middelbare school na jaren weer tegen het lijf liep, was hij bezig zijn nuchtere ironie om te smelten tot parmantige waanwijsheid. Allitererend, en plus.

Een decennium na zijn dood rest me alleen het vermoeden dat we definitief uit elkaar zouden zijn gegroeid. De laatste keer dat ik hem zag, vond hij me er wat sikkeneurig bijlopen. Ik mompelde iets over een afstandelijke scharrel. Hij pakte me bij de schouders en zei me niet te begrijpen. Hoe kon ik toch telkens weer zo halsoverkop en plompverloren verliefd worden? Dat was toch niet normaal? En waarom altijd op die moeilijke gevallen?

Zelf had hij vriendinnetjes genoeg, maar het jubilate-gevoel was hem onbekend. Verliefdheid kende hij niet, maar na een solitaire blokperiode had hij wel ‘een broek vol goesting’, zoals de Vlaamse uitdrukking luidt. Dan dook hij de studentencaf√©s in om de volgende middag elders in de stad weer boven te komen.

Wie niets te verliezen heeft, versiert beter. Bovendien maakte hij degelijker keuzes. Na een week wisten ze al hoe hij zijn bolognesesaus het liefst wilde (met een scheutje Campari, nooit begrepen), ze verschoonden zijn bed en doseerden hun jaloezie.

Ik daarentegen trof types die huilden bij de eerste ontmoeting of een streepjescode van littekens op hun onderarm hadden. Liet ik een onderbroek bij ze achter, dan verdachten ze me van onderdrukking.

“Neem eens een simpel meisje,” raadde me vriend aan. Ik riposteerde dat het misschien wel zijn keuze voor ‘degelijk materiaal’ was die zijn verliefdheid in de weg stond. De vijf V’s werden opgedreund. We namen afscheid.

Later overleed hij bij een verkeersongeluk na een nacht van feestvieren om gehaalde tentamens. “Zou hij ooit verliefd zijn geworden?” dacht ik in de overvolle kerk.

Af en toe vergelijk ik mijn leven met wat het zijne had kunnen zijn. Hij had nu vast al kinderen gehad, een huis op het platteland, berggeitjes in de tuin. Ik weet niet of er zoiets bestaat als een simpel meisje, maar hij zou een goedlijkende versie ervan hebben gevonden. En hij zou nooit een wasmachine hebben gevuld.


Ik heb zijn raad eens opgevolgd. Bij de eerste ontmoeting zei ze dat ze iemand miste om naast wakker te worden. Dat was de volgende ochtend al verholpen. Een maand later ontmoette ik haar ouders. Ze bezat een naaimachine en een koffiemolen, breidde tijdens het tv-kijken en vond afwassen niets voor een man. En ze ging vreemd bij het leven. Zo’n huiselijk type wens je de doden nog niet toe.

Thomas Blondeau