Minister Kwist, een feuilleton (10)

Het was een gekoesterde traditie op zijn departement. De kerstbrunch. Al weken van tevoren had niemand het nog ergens anders over. Op de laatste vrijdag voor het begin van het kerstreces werd de grote vergaderzaal versierd door de jongens van de postkamer. En iedereen nam wat mee. Kerskransjes, mandarijntjes, kerstbroden. Er was zelfs een bescheiden budget voor op de begroting van honderd vijftig euro. Voor de thee, koffie en sinaasappelsap. Vorig jaar was er zelfs een kerstboom met echte lichtjes neergezet, omdat er nog wat over was van het budget.

Dit jaar moest het anders, vond minister Ernest Kwist. Door de ontwikkelingen van de laatste tijd was hij beter dan tevoren gaan begrijpen hoezeer hij afhankelijk was van zijn ambtenaren. En hij zou ze in het nieuwe jaar meer nodig hebben dan ooit. Zijn toekomst stond of viel met hun loyaliteit. Daarom had hij een plannetje bedacht.
Op donderdag riep hij alle ambtenaren van zijn departement bijeen. Hij zei dat het tijden van crisis waren. Dat iedereen de broekriem moest aanhalen. En dat met het oog op de bijzondere economische omstandigheden de kerstbrunch helaas was komen te vervallen. De teleurstelling was voelbaar. Ter compensatie, voegde Kwist eraan toe, zou iedereen de volgende dag, op de laatste vrijdagochtend van het jaar, vrij krijgen. Maar iedereen was verplicht om om vijf uur ’s middags stipt aanwezig te zijn in de grote vergaderzaal voor de laatste instructies voor het reces. Iedereen was woedend. Er werd met deuren geslagen. Kwist glimlachte.
Hij had op eigen kosten de kok en het personeel ingehuurd van restaurant Le Bistroquet op de Plaats. Toen zijn ambtenaren zich om vijf uur met uitgestreken gezichten meldden, werden ze onthaald op champagne. Er werd een exquis zevengangendiner opgediend in de grote vergaderzaal aan tafels met wit linnen en zilveren bestek. Er waren kristallijnen kroonluchters opgehangen. In de hoek speelde een strijkkwartet. Obers liepen op vingertoppen. En vlak voor het dessert nam minister Kwist het woord. Hij bracht een korte toast uit waarbij hij eigenlijk vooral wilde benadrukken hoe dankbaar hij was deel uit te mogen maken van deze familie. En overdonderend applaus viel hem ten deel. En bij de cognac ging hij persoonlijk rond met de kist sigaren.
‘Zal ik een persberichtje sturen?’ vroeg zijn persvoorlichter. ‘Dat minister Kwist in tijden van crisis op eigen kosten een kerstdiner organiseert voor zijn staf?’
‘Nee,’ zei Kwist. ‘Dit blijft ons geheim.’
Toen hij samen met zijn secretaresse José als een van de laatsten het pand verliet, liep het al tegen elven. Ze liepen arm in arm door de verlaten Haagse straten.
‘Waar ga je naar toe, Ernest?’
‘Naar het station. Naar huis. Hoezo?’
‘Waar zijn je sleutels?’
‘Welke sleutels?’
‘Doe maar niet zo naïef, uwe Excellentie sukkeltje. En mocht je ze niet bij je hebben, heb ik wel een kopie. We gaan naar je pied à terre. Vanaf morgen zie ik je bijna twee weken niet meer. Dus. Nu mag je ook iets speciaals voor mij doen.’
‘Maar —’
‘Niks maar.’
Later zou Ernest Kwist tegen zichzelf als excuus aandragen dat hij een beetje aangeschoten was. Maar dat was maar een excuus. Hij liet zich welbeschouwd makkelijk overhalen. De koortsdroom die hij ooit over José had gehad, zou werkelijkheid worden, zo hoopte hij, zo hoopte hij vurig, zo wist hij.
‘Zet je telefoon nu maar vast uit, Ernest.’
‘Ja.’
Ze dacht ook aan alles. Ze was de beste secretaresse die hij ooit had gehad. Ook al was ze de eerste en enige secretaresse die hij ooit had gehad, was ze nu al veruit de beste. En toen hij de volgende ochtend naast haar wakker werd, vond hij dat nog steeds.
 
Klik hier voor alle afleveringen van Minister Kwist, een feuilleton.

ilja leonard pfeijffer